Rehabilitatie oude meesters in Centraal Museum

Tentoonstellingen: De particuliere collectie Van Baaren en De Keuze van Simon Levie. T/m 10 sept. Centraal Museum, Agnietenstraat 1, Utrecht. Di t/m za 10-17u, zo 12-17u.

Van de omvangrijke collectie oude kunst waarover het Centraal Museum beschikt werd in de afgelopen jaren slechts een fractie tentoongesteld. De 17de-eeuwse topstukken van de Utrechtse school hingen nooit lang op dezelfde plaats en waren soms zelfs helemaal niet te zien. Het ruimtegebrek waarmee het Centraal Museum al jaren kampt is de voornaamste oorzaak van dit verzuim. Ook het actieve tentoonstellingsbeleid stond een 'eigen' ruimte voor de 17de-eeuwse meesters in de weg. Of de verwachte uitbreiding van het museum definitief een einde aan deze situatie maakt, valt nog te bezien.

Stonden de oude meesters niet al te hoog op de prioriteitenlijst van het Centraal Museum, dat verzuim wordt deze zomer in ieder geval ruimschoots gecompenseerd met twee gelijktijdige tentoonstellingen. Uit de collectie 16de en 17de-eeuwse schilderkunst heeft Simon Levie, voormalig directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam een ruime selectie gemaakt. Tegelijkertijd wordt een groot deel van de Van Baaren-collectie getoond, waarin vooral Nederlandse en Franse meesters uit de 19de en (vroege) 20ste-eeuw vertegenwoordigd zijn.

De sluizen zijn wijd opengezet. De liefhebber van klassieke kunst die in voorbije jaren wel eens moest 'sprokkelen' om aan z'n trekken te komen krijgt nu een nauwelijks te behappen hoeveelheid schilderijen voorgeschoteld. De tentoonstellingen sluiten min of meer op elkaar aan en de weg van Jan van Scorel tot Carel Willink verloopt vrijwel chronologisch.

Dat is opmerkelijk, want Ex heeft in de afgelopen jaren duidelijk laten merken dat hij een broertje dood heeft aan zo'n ouderwetse, rechtlijnige presentatie. Hij mag graag 'klutsen' met zijn collectie en brengt kunstwerken uit verschillende perioden, stijlen of disciplines bij elkaar. In de tentoonstelling 'De Utrechtse parade' werden schilderijen gespiegeld dan wel met elkaar geconfronteerd. En ook in de vaste opstelling komt die opvatting tot uiting. Moderne kunst is de stijlkamers van het museum binnengeslopen en in de historische afdeling wordt een thematische aanpak verkozen boven een chronologische. Het schilderij Slapende Mars van Ter Brugghen heeft daarom een plaats gekregen boven een vitrine met vuistbijlen en pijlpunten.

De Slapende Mars maakt deel uit van de keuze van Levie en hangt dus tijdelijk bij de andere werken van Ter Brugghen. Daar komt het schilderij beter tot z'n recht dan in de gezochte samenhang met een stel pijlpunten. Dit voorbeeld rechtvaardigt de vraag of de criteria voor permanente en tijdelijke tentoonstellingen in Utrecht niet zouden moeten worden omgedraaid. Een schilderij zou voor een tentoonstelling best uit z'n context mogen worden gehaald voor een prikkelende confrontatie met kunst uit een ander tijdperk, maar horen de kunstwerken van tijdgenoten niet gewoon in een permanente tentoonstelling bij elkaar te hangen?

De keuze van Levie is eerder een rehabilitatie dan een verrassing. Het Centraal Museum beschikt eenvoudigweg over een prachtige collectie oude kunst. De werken die Levie selecteerde zouden in elk buitenlands museum deel uitmaken van de permanente opstelling. “Het is mij erom te doen geweest de kracht van de Utrechtse school zo goed mogelijk uit te laten komen”, stelt Levie.

Verplicht nummer in de 16de eeuw is Jan van Scorel. In de zeventiende eeuw zijn het vooral de navolgers van Michelangelo da Caravaggio die de aandacht opeisen. Deze Italiaanse meester wist met een uitgekiende lichtwerking de blik van de toeschouwer behendig te manipuleren en vond navolging in heel Europa. De Utrechtse schilders Ter Brugghen en Honthorst worden wel als zijn belangrijkste navolgers beschouwd. Ook de kerkinterieurs van Saenredam, de dierschilderijen van Roelant Saverij, een magistraal mansportret van Cornelis Janson van Ceulen en vele andere stukken hebben, zoals nu blijkt, recht op een vaste plek.

Van de klassieke landschappen waarmee de keuze van Levie wordt afgesloten is het maar een kleine stap naar de romantische 19de-eeuwse stadsgezichtjes in de collectie Van Baaren. Deze collectie werd tussen 1925 en 1960 bijeen gebracht door de Utrechtse makelaar Lambertus van Baaren en zijn zuster Josephina; sober levende mensen met een sterke sociale bewogenheid en een grote culturele belangstelling. De combinatie van die eigenschappen leidde ertoe dat de verzameling in 1956 in de vorm van een stichting aan de gemeenschap werd geschonken.

Het scharnierpunt van de verzameling die sinds 1980 in het Centraal Museum is ondergebracht, ligt rond het jaar 1900. De interesse van de Van Baarens liep van de Biedermeier-tafereeltjes van Hugo Bakker-Korff, via de Nederlandse romantici Charles Leickert en Kaspar Karsen, de school van Barbizon (Millet, Daubigny, Troyon) en de Haagse school (onder meer een geitje van Anton Mauve) naar de 20ste-eeuwse uitlopers van het impressionisme. Ook van 20ste-eeuwse kunstenaars als Charley Toorop en Jan Sluijters werden werken aangekocht, maar de zojuist uitgegeven bestandscatalogus maakt duidelijk dat ze voor de naoorlogse moderne kunststromingen minder waardering hadden.