Ouderdomskunst van een virtuoos

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: De leeuw en zijn huid (1967)

Op 27 december 1965 trouwde Vestdijk met Mieke van der Hoeven. In de maanden februari en maart van 1966 schreef hij de roman De leeuw en zijn huid. Eerst daarna volgde, in september, de huwelijksreis. Eén van de plaatsen die tijdens deze reis werd bezocht was Venetië. Eerst een roman en daarna pas een huwelijksreis vind ik minder merkwaardig dan het feit dat De leeuw en zijn huid in Venetië gelokaliseerd is, en dat het echtpaar Vestdijk pas ná voltooiing van die roman de stad bezocht waar deze zich afspeelt. Daardoor missen wij enerzijds in De leeuw en zijn huid Vestdijkiaanse beschrijvingen van Venetiaanse toeristische attracties, maar wordt anderzijds - wat in de alpenromans soms pleegt te gebeuren - de gang van het verhaal ook niet opgeofferd aan poëtische verhandelingen over bezienswaardigheden.

Toch blijft de stad Venetië een wat schimmig decor in deze roman. Het is ook naar mijn smaak ietwat clichématig een roman in Venetië te situeren. Na The Aspern Papers van Henry James en De dood in Venetië van Thomas Mann kan dat eigenlijk niet meer. Maar goed, Vestdijk trok zich daar niets van aan, en componeerde een virtuoze, razend knappe historische roman die in de lagunestad speelt. De leeuw en zijn huid is in essentie, net als De ontdekking van de hemel, een tamelijk ouderwetse familieroman. Vestdijk beschrijft het leven van drie generaties van de familie Ottoboni. Wat de kroniekmatige opzet van deze roman verlevendigt, is het verhaal over een tamme leeuw. Het dier wordt vermoord. De geprepareerde huid ervan blijkt een merkwaardige eigenschap te bezitten. Wie hem krijgt, sterft spoedig.

De roman is bijzonder spitsvondig opgezet. Een schilderijenexpert begeeft zich naar Venetië om, na Napoleons optreden, de teruggave van gestolen kunstvoorwerpen te regelen. Deze expert nu krijgt lucht van de leeuwehuid en zijn geschiedenis, komt in het bezit van documenten erover, en smeedt van die documenten een samenhangend verhaal. Deze opzet gaf Vestdijk gelegenheid om de expert af en toe het lange middengedeelte van de roman te onderbreken met 'so ganz nebenbei' gemaakte opmerkingen die sterk ironiserend werken. In een epiloog verhaalt de expert ten slotte hoe hij zelf meemaakt dat de leeuwehuid in handen komt van een Engelsman, die vervolgens óók sterft.

Je leest deze roman met verbazing en bewondering. Vanwege de knappe compositie, vanwege het superieure amusement dat hier geboden wordt, maar ik moet eerlijk zeggen dat ik helaas nooit bij het verhaal betrokken raakte, er nooit echt door ontroerd werd. Het is spielerei van de hoogste orde, ouderdomskunst van een virtuoos die moeiteloos alle registers weet open te trekken, behalve net dat ene register van de echte ontroering.

Maar ja, waarom daar altijd naar verlangd? Dat alles is toch al in zoveel andere Vestdijk-romans te vinden? Waarom niet simpelweg plezier beleefd aan deze meesterlijke recreatieve literatuur? Misschien omdat je weet dat Vestdijk dertig jaar eerder nog zoveel meer te bieden had. Desondanks heeft deze roman een paar interessante aspecten. Eerst de incest. Dit is bij Vestdijk een thema dat, naarmate hij ouder wordt, steeds prominenter naar voren komt. Bij De Koperen Tuin kun je het alleen maar vermoeden. Bij De held van Temesa vrijen vader en dochter vreugdevol met elkaar. In Zo de ouden zongen... is zowel sprake van incestueuze handelingen van broer en zus als van vader en dochter. In deze Venetiaanse roman gaat Vestdijk nog een flinke stap verder. Twee halfbroers ontmaagden - en Vestdijk beschrijft dat kennelijk met duivels plezier en ook bepaald uitgebreid - hun halfzuster die zij vervolgens 'verkopen' aan een Pool.

Verder kon natuurlijk niet uitblijven dat ook de duivel weer zijn opwachting maakt. In deze roman is een opmerkelijke variant te vinden van Vestdijks demonologie. Bij één der Ottoboni's rijpt het plan om Napoleon de leeuwehuid ten geschenke te geven om de dictator uit de weg te ruimen. Deze moordaanslag mislukt omdat Napoleon de vieze huid helemaal niet wil hebben. Waarna bij de dienaar van Ottoboni, belast met de overhandiging van de huid aan Napoleon, de gedachte opkomt dat Napoleon de duivel zelf moet zijn. Tussen Ottoboni en de dienaar ontspint zich vervolgens een lang gesprek over deze veronderstelling. In dat gesprek worden allerlei ideeën geopperd over de duivel. Zo zegt de dienaar: “De duivel is iemand op wie men niet voorbereid is, en daarom is hij ook onweerstaanbaar, op zijn liederlijke, erger dan zondige manier. Want een zondaar kan men de duivel natuurlijk niet noemen.” Elders zegt de man nog: “Ja, de duivel zal een schilderij anders kunnen bekijken dan op zijn kop” en hij noemt Buonaparte 'ijdel zoals alleen de duivel ijdel kan zijn'.

Vorige week schreef Hugo dat Vestdijks lange zinnen hem nooit stoorden. Op pagina 306 van dit boek vinden we echter een zin van 149 woorden met stukken tussen haakjes en gedachtenstrepen waar het onderwerp van de zin - Angelo Bottoni - pas na 114 woorden opduikt. Vermoedelijk is het, ofschoon hij spreekt over 113 woorden, deze zin naar aanleiding waarvan Anne Wadman opmerkte dat hij 'een wrede aanslag is op het leesgenoegen'. Daar ben ik het volledig mee eens. Misschien dat Hugo, onze kampioen van de korte zin, juist schrijvers bewondert die excelleren in lange zinnen, maar ik vind het jammer dat Vestdijk zijn (soms veel te) lange zinnen niet af en toe in tweeën of drieën knipte, en een zin van 149 woorden, met het onderwerp ergens in de staartgroep is doodgewoon een verschrikking. Die had hij nooit mogen laten staan.