Op de markt van de wereld is het kapitaal de vriend van de arbeid

De overgang naar open markten die zich wereldwijd voltrekt, betekent grotere kansen voor werknemers én hogere inkomens, zowel in ontwikkelingslanden als in de industrielanden. Dat is de conclusie van het eerste omvangrijke rapport van de Wereldbank over het fenomeen van de mondiale arbeidsmarkt. Maar voor bepaalde groepen zal het proces van economische omschakeling zeer pijnlijk zijn. En de verschillen nemen toe: over vijftien jaar verdient een Westduitse metaalarbeider zeventig keer zoveel als een textielarbeidster in Kenia. Niettemin stelt de belangrijkste auteur van het rapport dat 'kapitaal de vriend van de arbeid is'.

The World Bank: World Development Report 1995, Workers in an integrating World. Washington 1995. In Nederland verkrijgbaar bij distributeur De Lindeboom/InOr-publicaties, Postbus 202, 7480 AE Haaksbergen. 05427-40004 (telefoon)/05427-29296 (fax).

Proletariërs aller landen, verenigt U! Anderhalve eeuw nadat Karl Marx en Friedrich Engels in 1848 het Communistisch Manifest met deze oproep afsloten, is deze strijdkreet werkelijkheid geworden. Niet in de politieke zin zoals dat de grondleggers van het wetenschappelijke socialisme voor ogen stond, maar door de verwevenheid van de wereldeconomie, ook wel bekend als het proces van mondialisering. De werkers van de wereld zijn steeds nauwer met elkaar verbonden in een zich integrerende internatinale markteconomie.

In 1978 leefde een derde van de arbeidskrachten in de wereld in landen met een centraal geleide economie en nog eens een derde in landen die afgeschermd waren van de wereldeconomie door belemmeringen op handel en kapitaalverkeer. Door de reusachtige economische verschuivingen die plaats vinden in China en India, in de voormalige Sovjet-Unie en zijn voormalige satellietlanden en door de verregaande liberalisatie in Latijns Amerika zal tegen het einde van deze eeuw nog slechts tien procent van alle werknemers wonen in landen die volledig zijn afgezonderd van wat gemakshalve de wereldmarkt wordt genoemd.

“De overgang van centrale planning naar een markteconomie en van protectionisme naar open markten vormen de sleutel tot grotere kansen en hogere inkomens in ontwikkelings- overgangs én industrielanden”, schrijft de Wereldbank in het deze week verschenen rapport Workers in an integrating world. Het ideaal van Marx en Engels, maar dan in een kapitalistische wereldmarkt. Of, zoals Michael Walton, de hoofdauteur van het rapport, zegt: “Kapitaal is de vriend van arbeid.”

Het is voor het eerst dat de Wereldbank zich in een omvangrijke studie bezig houdt met de positie van werknemers alsmede met de rol van vakbonden. De conclusie is dat vrij verkeer van goederen, kapitaal en - in beperkte mate - van mensen wereldwijd meer positieve dan negatieve gevolgen heeft, hoewel de effecten voor specifieke groepen, zoals jongeren, ongeschoolde werknemers in industrielanden en werknemers in landen die een proces van economische omschakeling doormaken, buitengewoon pijnlijk zijn. Het rapport rekent af met een aantal ook in Nederland populaire 'mythes' zoals het begrip 'baanloze groei' en de stelling dat snelle bevolkingsgroei de oorzaak is van hoge werkloosheid. Als daarvan sprake is, dan ligt het aan starheden in de economie of de arbeidsmarkt.

Aan de hand van voorbeelden maakt de Wereldbank duidelijk dat het dagelijkse bestaan van werknemers in de wereld steeds meer verweven raakt door internationale handel, kapitaalstromen en migratie. Dit vergroot de kansen voor verbetering van de levensstandaard. Maar het roept ook weerstanden op, uit angst dat internationale concurrentie en ongecontroleerde kapitaalbewegingen leiden tot het verlies van banen, tot aantasting van de levensstandaard en dat specifieke groepen werknemers of landen volledig buitengesloten raken. Niettemin, stelt de Wereldbank, tonen de ervaringen van de afgelopen decennia onomstotelijk aan dat markt-georiënteerde en op de wereldmarkt gerichte economieën een veel hogere groei opleveren dan afgeschermde of centrale- planeconomieën. In de export-georiënteerde Oostaziatische landen bijvoorbeeld is het salaris van werknemers in de industrie tussen 1970 en 1990 in reële termen (dwz gecorrigeerd voor inflatie) toegenomen met 170 procent terwijl de industriële werkgelegenheid met 400 procent is gestegen.

sier,tm,3 D e verschuivingen in de in ternationale arbeidsver houdingen die plaats vinden, zijn van een reusachtige omvang. De totale arbeidsbevolking in de wereld, nu 2,5 miljard mensen, zal de komende dertig jaar met 1,2 miljard mensen toenemen en 99 procent van die toename is geconcentreerd in de lage- en midden-inkomenslanden. Nog een paar cijfers: meer dan 1,5 miljard werknemers leven in arme landen met een inkomen per hoofd van de bevolking van minder dan 695 dollar per jaar, 660 miljoen werknemers leven in midden-inkomenslanden en 380 miljoen in landen met een inkomen per hoofd van meer dan 8.630 dollar per jaar. Zo'n 80 procent van de industriële werknemers in de wereld woont in lage- en midden-inkomenslanden.

Gemiddeld genomen zijn werknemers er wereldwijd materieel beter aan toe dan dertig jaar geleden. Tegelijkertijd is de ongelijkheid tussen de armste en rijkste werknemers in de wereld de afgelopen honderd jaar alleen maar toegenomen. Volgens de studie was het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking in de rijkste landen in 1870 elf keer zo groot als in de armste landen, een factor achtendertig in 1960 en een factor tweeënvijftig in 1985.

Divergentie, niet convergentie is de regel. Rekening houdend met het verschil in koopkracht van nationale munten verdienen de best betaalde werknemers ter wereld, die in de Duitse metaalindustrie, nu zesenvijftig keer zoveel als een ongeschoolde textielarbeidster in Kenia. Dat zal over vijftien jaar waarschijnlijk zijn uitgegroeid tot een verschil van zeventig keer.

De spagaat in welvaartsontwikkeling tussen ontwikkelingslanden onderling is volgens de Wereldbank verklaarbaar door de verschillen in hun macro-economische beleid. De studie onderscheidt daarbij drie patronen. Het eerste model is het succesverhaal van stijgende werkgelegenheid, vermindering van de armoede en afnemende inkomensongelijkheid in Oost-Azië, recentelijk aangevuld met China. Dit succes is gebaseerd op enorme investeringen in zowel machines als de opleiding van mensen. De kleinschalige familielandbouw wordt (weer) gekoesterd, een scherpe scheidslijn tussen de bevolking in de steden en op het platteland is voorkomen en de doorstroming van werknemers uit de landbouw naar de industrie en dienstensector wordt bevorderd. Het belangrijkste element is de oriëntatie op de export, de nadruk op concurrentie en op verbetering van de produktiviteit. Hoewel de invloed van vakbonden wordt onderdrukt, is dat niet de verklaring voor het Oostaziatische economische succes.

Het tweede patroon is het protectionistische model van de meeste landen in Afrika, Latijns Amerika, het Midden-Oosten en Zuid-Azië. Deze landen hebben in wisselende mate gekozen voor een naar binnen gerichte ontwikkeling. Bepaalde industriën genoten bijzondere bescherming en een voorkeursbehandeling in vergelijking met de landbouw. Landhervorming is achterwege gebleven. 'Insiders' - ambtenaren, kapitaalbezitters, grootgrondbezitters, werknemers in de beschermde industrieën en staatsbedrijven - profiteerden, maar de massa bleef buitengesloten. Het gevolg was trage groei, hoge werkloosheid en stagnerende inkomens.

De centrale planeconomieën naar sovjet-model vormen het derde patroon. Dit heeft zich tientallen jaren gepresenteerd als de anti-these van het marktmodel. De werkgelegenheid in de gecollectiviseerde economie was verzekerd en gedurende een aantal jaren namen de inkomens toe. Net als in het Oostaziatische model was sprake van enorme investeringen in machines en onderwijs. De kleinschalige landbouw werd vernietigd en de bevolking werd gedwongen de overgang van de landbouw naar de industrie te maken. Het systeem was volkomen afgesloten van de wereldmarkt en van prijsprikkels. Steeds grotere misrekeningen bij grootschalige investeringen en een gebrek aan technologische dynamiek leidden uiteindelijk tot stagnerende inkomens, chronische tekorten aan vooral consumptiegoederen, een onderontwikkelde dienstensector en de ernstigste industriële vervuiling ter wereld.

sier,tm,3 T wee van deze drie ontwik kelingsmodellen zijn geëin digd in 'een onvermijdelijke doodlopende straat', aldus de Wereldbank. Veel werknemers in de voormalige planeconomieën of protectionistische landen zijn er nu slechter aan toe dan twintig of dertig jaar geleden. Ze worden geconfronteerd met de pijnlijke aanpassingsschokken van economieën die zich na jaren van afsluiting openstellen voor de wereldmarkt en prijsprikkels toelaten.

Markt-georiënteerde economieën hebben snellere groei opgeleverd dan zowel centraal geleide als protectionistische economieën. Economische groei, concludeert de Wereldbank, is goed voor werknemers. Het leidt tot hogere inkomens en bevordert werknemers om de overstap te maken naar beter betaalde banen met een hogere produktiviteit. Investeringen in machines en in de opleiding, gezondheidszorg en voeding van mensen vormen de sleutel tot groei en hogere produktiviteit. Maar machines en scholing alléén leiden niet automatische tot groei, zoals in het sovjet-model is gebleken. Daarvoor is een marktgerichte ontwikkeling nodig waarbij oriëntatie op de wereldmarkt, concurrentie en prijsprikkels zowel ondernemingen als huishoudens aanmoedigen om in hun toekomst te investeren.

De wereldwijde integratie, mogelijk door de revolutionaire verbeteringen in elektronische informatie-uitwisseling en steeds goedkoper internationaal vervoer van goederen en personen, vindt plaats langs drie kanalen: handel, investeringen en migratie.

Internationale handel is de drijfriem bij uitstek voor economische integratie. Het volume van de grensoverschrijdende handel in goederen en diensten neemt jaar na jaar drastisch toe. Ontwikkelingslanden nemen hiervan een groeiend aandeel voor hun rekening. Ze zijn niet langer hoofdzakelijk aangewezen op de export van grondstoffen of landbouwprodukten, maar van industriële goederen met een steeds hogere toegevoegde waarde. De Wereldbank-studie toont aan dat in landen die zich toeleggen op groei van de export, ook de inkomens stijgen.

Groeiende handel begunstigt de meeste, maar niet alle werknemers. Jongeren en ongeschoolde werknemers in de rijke landen ondervinden hiervan de grootste welvaartsdaling. Toch kan de toenemende concurrentie uit 'lage-lonenlanden' volgens de Wereldbank onmogelijk de hoge werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt in West-Europa of de dalende inkomens voor laaggeschoolden in de Verenigde Staten verklaren. Daarvoor is het aandeel van de import van industriële produkten uit ontwikkelingslanden veel te gering (ongeveer 2 procent van het bnp van de industrielanden in 1992). Bovendien is de handelsbalans van West-Europa met alle ontwikkelingslanden samen ruwweg in evenwicht. Daarbij doen zich natuurlijk wel ingrijpende verschuivingen voor: minder Afrikaanse grondstoffen bijvoorbeeld en meer Chinese industrieprodukten. Daarvan hebben de industrielanden meer last dan van cacao.

Maar volgens de Wereldbank kan de handel met ontwikkelingslanden maximaal dertig procent van de werkloosheidsproblemen aan de onderkant van de Europese arbeidsmarkt verklaren. De Wereldbank stelt wel vast dat sprake is van extra banenverlies door arbeidsbesparende maatregelen van ondernemingen die zich indekken tegen de dreigende concurrentie uit lage-lonenlanden. Aan de andere kant levert de import uit lage-lonenlanden voordelen op voor de consumenten in West-Europa terwijl de toenemende koopkracht van die landen leidt tot een grotere vraag naar diensten en hoogwaardige industriële produkten uit de rijke landen. Zoals Michael Walton, de auteur van de studie zegt: “China exporteert niet alleen maar het importeert ook.”

sier,tm,3 D e internationale kapitaal stromen vormen het twee de kanaal voor integratie. De toestroom van kapitaal bevordert investeringen en handel, maar kapitaal is een mes met twee kanten. De wereldwijde kapitaalmarkten maken onderscheid tussen 'winaars' en 'verliezers', tussen landen met een gezond macro-economisch beleid en landen die er niet in slagen kapitaal aan te trekken, alleen maar groter. De spectaculaire groei van de particuliere kapitaalstroom (in 1994 netto 175 miljard dollar, vier keer zoveel als in 1989 en ruim drie keer zoveel als alle ontwikkelingshulp) beperkt zich tot een tiental succesvolle opkomende landen en laat grote delen van de Derde wereld over aan de officiële ontwikkelingshulp.

Door de opheffing van beperkingen op het kapitaalverkeer en de grotere inwisselbaarheid van munten kunnen kapitaalstromen plotseling van richting veranderen. En aangezien kapitaal veel mobieler is dan arbeid, draaien de werknemers die achterblijven, eenzijdig op voor de kosten van de aanpassingen. Mexico heeft begin dit jaar laten zien tot welke ellende dat kan leiden.

Aan de andere kant ontkracht de Wereldbank de vrees dat een gelegenheidscoalitie van mobiel kapitaal uit de rijke landen en goedkope arbeid uit de arme landen de levensstandaard van de bevolking in de industrielanden ondermijnt. Investeringen in ontwikkelingslanden zijn gunstig vanuit het perspectief van besparingen voor pensioenvoorzieningen.

De derde manier van internationale integratie bestaat uit migratie. Hier laat de Wereldbank zijn standpunt van vrij toegankelijke markten dat het hanteert ten aanzien van goederen en kapitaal, varen. Hoewel migratie op zichzelf gunstige economische effecten heeft - migranten zijn produktiever, verminderen de arbeidskosten en maken omvangrijke bedragen over naar hun land van herkomst - bepleit de Wereldbank een sturing van migratiestromen op grond van sociale en economische overwegingen. De economische kosten voor ongeschoolden in het ontvangende land en culturele weerstanden vereisen dat migratie gereguleerd wordt omdat de onbeperkte toestroom van migranten tot onhoudbare spanningen kan leiden.

sier,tm,3 O ndanks de integrerende werking van de handels stromen en kapitaalmarkten zal de kloof tussen rijk en arm de komende jaren toenemen. In een aantal bevolkingsrijke ontwikkelingslanden zal de welvaart weliswaar spectaculair toenemen, maar de stagnatie in Latijns Amerika en de ex-communistische landen en de verarming in Afrika zullen hierbij des te schrijnender afsteken. De internationale verschillen in inkomens zullen zelfs onder de gunstigste omstandigheden nauwelijks kleiner worden omdat ook de inkomens in de rijke industrielanden blijven toenemen.

De beste bijdrage die industrielanden kunnen leveren om verder uiteenlopende inkomensverschillen te beperken, aldus de Werelbank, bestaat uit het open houden van markten voor internationale handel en uit beperking van de overheidstekorten om daarmee kapitaal vrij te maken voor investeringen in opkomende landen. Een stabiel macro-economisch beleid en weerstand tegen de druk om protectionistische maatregelen te treffen ter bescherming van bedreigde banen, zijn in het belang van alle landen. Tegelijkertijd moeten landen een binnenlands beleid voeren dat economische groei en de vraag naar arbeid bevordert. “De juiste keuze bestaat uit het gebruik van markten om kansen te scheppen, uit bescherming van de kwetsbaren en uit de mogelijkheid voor werknemers om hun baan te kunnen kiezen, in vrijheid te kunnen onderhandelen over hun arbeidsvoorwaarden en om gebruik te kunnen maken van betere onderwijskansen voor hun kinderen.”

    • Roel Janssen