Ongebreidelde informatie, dat werkt pas afstompend

Vandaag gaat NRC Handelsblad op Internet. Waarom gebruikt een krant een medium dat tot dusverre het domein is van een avantgarde van optimisten? Omdat, zegt Hubert Smeets, ook op het beeldscherm behoefte is aan selectie en analyse.

Is er eigenlijk veel veranderd tussen Johannes Gutenberg (1394-1468) en Bill Gates (1955 tot heden)? Met de mens relatief weinig. Vanaf het moment dat de waarheid over de zonde ook buiten de kerk kon worden verspreid, is het menselijk tekort hét vraagstuk geweest en gebleven. Maar met de sociale omgeving is sinds de vijftiende eeuw des te meer gebeurd. Want sinds de uitvinding van de boekdrukkunst is de wereld per nieuwe vondst alleen maar kleiner geworden.

De gedrukte tekst verbond mensen die elkaar niet meer lopend konden bereiken. De telefoon maakte de communicatie op afstand persoonlijk. De radio voegde het geluid aan het collectief toe, waarneembaar voor mensen die elkaar niet meer per fiets konden bereiken. De televisie bracht het waarheidsverlangen op het niveau van de trein. De satelliet vervolgens maakte het vliegtuig overbodig. En nu is er dan Internet: een medium dat de hele wereld bestrijkt, collectief is maar ook strikt individueel. En hoe! Je kan, als je over een verlengsnoer en een modium beschikt, via Internet zelfs op de wc de hele wereld over.

Zoals altijd noemen zij, die het nieuwste instrumentarium beheersen en beheren, dat een revolutie. En zoals altijd, heeft dat begrip in den beginne een positieve klank. Nicholas Negroponte is een van de bekendste evangelisten van het optimisme waarmee Internet wordt bejubeld. In zijn boek Being digital predikt hij op zijn manier het einde van de geschiedenis. In het voetspoor van Daniel Bells theorie over de post-industriële samenleving, waarin voor de negentiende/twintigste-eeuwse politieke ideologie geen plaats meer zou zijn, en het axioma van Francis Fukuyama dat door de overwinning van de liberale idee de moderne historie ten einde is, spreekt hij over het “post-informatie tijdperk”. Volgens Negroponte is er nu eindelijk een medium waarop de eenzame mens zowel collectief als individueel kan communiceren, kortom, een medium dat drie dimensies in zich verenigt. “In de digitale wereld worden oplossingen levensvatbaar die vroeger onmogelijk waren. (..) Terwijl de politici vechten met hun historische bagage, is in het digitale landschap een nieuwe generatie in opkomst die vrij is van veel oude vooroordelen. Deze kids hebben zich losgemaakt van de beperkingen van de geografische nabijheid als de enige basis voor vriendschap, samenwerking, spelen en nabuurschap. De digitale technologie kan een natuurlijke kracht zijn om de mensen in een grotere wereldharmonie te trekken. (..) De beheersing van die digitale toekomst is meer dan ooit in handen van de jeugd. Niets kan me gelukkiger maken”, aldus Negroponte.

Het zou mooi zijn als het waar was. Maar waarschijnlijk is de toekomst van de kids toch iets gecompliceerder. Een medium is tot nu toe nooit louter en alleen de boodschap gebleken. Zeker, de vorm heeft vanaf Gutenberg altijd grote invloed op de inhoud gehad, maar de vorm heeft de inhoud nimmer eenduidig en nooit zonder slag of stoot kunnen domineren.

Zo is er altijd de neiging geweest om de nieuwe mogelijkheden te reguleren. Toen de boekdrukkunst glorieerde, varieerden de middelen van censuur en repressie tot een fiscale aanpak (het dagbladzegel). Op het moment dat de radio in de lucht kwam, werd de ether tot verboden gebied voor onbevoegden verklaard. Toen de televisie werd geïntroduceerd, verliep het niet anders. Die tijd is in technische zin voorbij. Maar dat wil niet zeggen dat de geesten de liberalisering van de media nu ook con amore omarmen. Het feit dat de discussie anno 1995 vooral gaat over de vraag wie de kabel, de telefoonnetten en de satellieten mag betalen en beheren, bewijst dat.

Dat had en heeft uiteraard te maken met de schaarste van de middelen. Een radio- en/of televisiezender was ooit duur. Een kabel door de stad trekken vergt nu eveneens ontzagwekkende investeringen, om van het lanceren van een volledig opgetuigde satelliet maar te zwijgen.

Het heeft echter niet alleen daarmee te maken. Ook de ideologische potenties die men nieuwe media pleegt toe te dichten, spelen een rol. Het patroon van de angst voor de nieuwe media is bijna altijd hetzelfde. Eerst ziet men alleen anarchie en subversief gedrag. Het is nog maar veertig jaar geleden dat de sociaal-democraat Joop den Uyl een rechtstreeks verband vermoedde tussen bioscoopbezoek en communistische agitatie. Maar alras blijken de mogelijkheden, die de media bieden tot maatschappelijke disciplinering, toch veel interessanter te zijn. Men hoeft niet onmiddellijk in Orwelliaanse angstvisioenen over een soort bovenaardse controle te vervallen of meteen over totalitaire dictaturen te beginnen om dat te illustreren. Dichter bij huis biedt de geschiedenis van het Nederlandse omroepbestel veel realistischer voorbeelden voor dit systeem van maatschappelijke sanctie en beloning.

Dat verzuilde systeem mag nu dan aan zijn terminale fase zijn begonnen, de opkomst van een ongekend aantal nieuwe radio en televisiezenders heeft opmerkelijk genoeg niet geleid tot een navenante kwalitatieve variëteit. Wie zich een weg baant door radio en televisie, wordt geconfronteerd met een opmerkelijke eenduidigheid. Sinds CNN zich “wereldleider” in de nieuwsvoorziening noemt en daarbij expliciet de verwachting uitspreekt dat informatie een effectief wapen tegen oorlog en onrecht zal zijn, is het spectrum waarin het nieuws wordt geïnterpreteerd qua vorm geconvergeerd. CNN heeft dus inderdaad een nieuw nieuwsbeeld geschapen. Net zoals MTV dat met muziek heeft gedaan. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar die zijn slechts in de uithoeken te vinden.

De reden daarvoor berust vermoedelijk bij de mens, die zich sinds Gutenberg maar niet echt heeft willen aanpassen. Als de techniek de mogelijkheden biedt voor relatief grenzeloze informatie en communicatie, pleegt de mens zich op te sluiten in een omgeving die zekerheid tegen de verwarring biedt. Juist als de chaos op het oog toeneemt, ontstaat er bij de inmiddels mondiale dorpspomp behoefte aan een helder verhaal over het goede tegen het slechte. Conformisme bevordert immers vaak de nachtrust.

Internet is vooralsnog niet aan deze vorm van conformisme toe. Het 'net' staat in zijn kinderschoenen en is daarom nu nog het domein van een avantgarde. Vandaar dat menigeen, die smacht naar een subculturele werkelijkheid, zich op dit netwerk-aller-netwerken heeft gestort. Velen doen dat met een drift die kenmerkend is voor optimisten. Negroponte noemt hen niet voor niets 'bitniks' en 'cybraians'. Hun “sociale mobiliteit strekt zich uit over de hele wereld” in aantocht”, aldus Negroponte.

Misschien dat daarom een richting in die globale beweging niet is waar te nemen. Het postmodernisme (volgens de definitie van Umberto Eco, namelijk dat het postmodernisme het historische materiaal slechts op eclectische wijze tot bron neemt zonder het verlangen te hebben daaruit een kernwaarheid te destilleren) viert er hoogtij. Er wordt, net als elders, vooral gesampeld.

Maar wat niet is, zal komen. Naarmate er meer personal computers en modems worden verkocht - in Nederland werden er vorig jaar 25 procent meer pc's verkocht dan in 1993, een expansie die de laatste maanden zelfs is opgelopen tot bijna 40 procent - en er meer 'sites' worden opgezet, zal de druk tot regulering toenemen. Al was het maar omdat de commerciële belangen, die met de digitale infrastructuur gemoeid zijn, daartoe nopen.

Komt die ordening in Internet tot stand, dan pas zal duidelijk worden of er sprake is van een echte communicatierevolutie. En blijkt Internet inderdaad een revolutionair moment, dan dient zich onmiddellijk het volgende probleem aan. Want als de prognose van Negroponte, dat in 2000 ruim één miljard mensen via Internet communiceert, bewaarheid wordt dan heeft de wereld er een ongekend integratievraagstuk bij.

In welke mate is nog onduidelijk. Maar dat de integratieproblemen zich op zowel cultureel als sociaal-politiek niveau zullen voordoen, is bijna onvermijdelijk. Twee voorbeelden.

Toen ik afgelopen zaterdag met een zestienjarige Russische jongen naar de film Die Hard, with a vengeance ging, hebben we tijdens de voorstelling geamuseerd zitten kijken om vervolgens thuis ruzie te krijgen over de vraag waarom de Russische zwarte baretten de zaak in Tsjetsjenië en Boedjonnovsk niet op dezelfde manier hadden aangepakt als Bruce Willis in de film. Het feit dat het daglad Izvestia dezelfde dag op papier had uitgelegd dat de gewapende interventie in het gegijzelde ziekenhuis schipbreuk had geleden omdat de slachtoffers van de Tsjetsjeense actie zich anders hadden gedragen dan was voorzien, maakte op hem geen indruk. De pers, zo zei de zestienjarige, is immers “leugenachtig” en bovenal “schadelijk”. De ironisering van geweld in Pulp Fiction heeft kennelijk een hoger waarheidsgehalte dan menig cultuur-criticus veronderstelt. Als in die film de bokser (niet toevallig ook Bruce Willis) de boef (John Travolta) op de WC met een riotgun neerknalt, ondertussen een boterham roosterend, is dat geloofwaardiger dan de nauwgezette beschrijving van het ongeregisseerde en echt smerige geweld in de Kaukasus. Met andere woorden, het fictieve of gemanipuleerde beeld concurreert steeds nadrukkelijker met de werkelijkheid en dus al helemaal met de beschreven realiteit.

Volgens de digitale optimisten is dat allemaal overgangscultuur en zal het post-informatie-tijdperk uiteindelijk leiden tot een nieuwe vorm van democratie, een democratie die voor het eerst sinds millennia weer wat weg zal hebben van de Atheense agora. Tot nu toe waren we in de industriële massa-maatschappij immers subject van al die politieke partijen, die de concrete (deel)belangen van het volk laten verzuipen in compromissen die ze voor hun eigen organisatorische voortbestaan nodig hebben. Maar een soort digitale referendum-democratie, die spoort met het ja-nee karakter van de binaire computertaal, zal met de traditionele politicus korte metten maken omdat de burger via e-mail en electronisch netwerk eindelijk object kan worden.

Een wat minder lineaire kijk op het digitale zijn is echter evenzeer mogelijk. “Aber die Verhältnisse, sie sind nicht so”, zong Wolf Biermann twintig jaar geleden reeds. Ongebreidelde informatie is namelijk net zo afstompend als gebreidelde informatie. Als de recente vlucht van de televisie iets illustreert, dan is het wel dat nieuws en entertainment moeten convergeren. Zo niet, dan slikt de consument het niet. De avantgarde en elite willen op gezette tijden wel een beetje verwarring verwerken. De meeste mensen daarentegen willen hun referentiekader bevestigd zien. Anders zou het een zootje worden.

Dat kader verschuift en verandert uiteraard, maar veel coherenter dan alle individuen in het schema van Negroponte vermoeden. Het zijn dan ook de grote netwerken, die zich van de digitale wereld meester zullen maken. Moeten maken ook. Want zonder financiële injecties zal er van de voorspelde globalisering van personalistische informatie onvoldoende terecht komen.

Dat is natuurlijk niet per definitie ondemocratisch. Maar de vraag rijst wel welke middelen een post-informationele samenleving nog heeft om de sociale lagen te bereiken die zich thuis op de WC niet maatschappelijk kunnen verheffen. Hier dient zich het tweede voorbeeld aan. In de Verenigde Staten heeft 15 procent van de bevolking geen telefoon- of kabelaansluiting. Dat zijn mensen die straks niet eens thuis 'electronisch garnalen kunnen pellen'. Zij staan nog lager op de sociale ladder dan zij die, alleen en eenzaam in de woonkamer, op afroep administratieve klusjes moeten doen voor de grote bedrijven die alleen nog maar echte professionals over de werkvloer willen hebben. Vijftien procent is weliswaar een duidelijke minderheid - in Afrika, Latijns-Amerika, delen van Azië en het voormalige sovjetblok liggen de percentages wel iets anders - maar ook minderheden spelen een rol in een democratische samenleving. Waar de telewerkers nog per e-mail aan de nieuwe referendumdemocratie kunnen meedoen, juist omdat er voor hen geen materiële reden is om in grotere sociale verbanden aan het maatschappelijke proces deel te nemen, kan deze vijftien procent alleen via de klassieke representatieve politieke democratie van zich laten horen. Als informatie nog altijd kennis is en kennis nog steeds macht, dan doemt hier een sociale stratificatie op die zo breed uitwaaiert dat die noch via het klassieke algemeen kiesrecht noch via referenda geruisloos is te integreren.

Dit laatste perspectief hoeft niet per definitie tot somberheid te leiden. Het plaatst in ieder geval het revolutionaire élan van Negroponte in een wat maatschappelijker omgeving. Het kan bovendien ruimte bieden aan de journalistiek in de klassieke zin van het woord. Want als het op de electronische snelwegen tot een botsing van waarden en normen komt - en waarom niet, via de drukpers, de radio en de krant is dat ook gebeurd - dan is er wellicht ook behoefte aan een digitale dorpspomp waar omheen deze sociaal-culturele verschillen en conflicten zich kunnen uitkristalliseren. Dan is er behoefte aan selectie en normering. Staatsburgerschap is tenslotte geen vrijblijvende potpourri.

En dat is iets waarmee bij uitstek een krant zich altijd heeft bemoeid, ooit alleen op papier en sinds kort ook op andere manieren. Her en der in de wereld proberen kranten inmiddels via het 'net' de brij aan gegevens te ordenen. Want los van alle andere doelstellingen (een krant maken levert meestal geld op en is bovenal heel leuk) mag ook een liberale krant de tolerantie en betrokkenheid, waarop ze zich baseert, nog altijd niet 'for granted' nemen. Een liberale levens- en geesteshouding is dan ook niet voor bange en onverschillige mensen weggelegd. Ze vereist de notie dat burgers deel zijn van een groter verband en daarom moeten kunnen bijdragen aan de fundamenten waarop de rechtsstaat is gebouwd en verder wordt opgetrokken. Een krant, als focus van selectie en analyse, is daarbij een onontbeerlijk instrument. Dat hoeft niet altijd op papier te zijn, via het beeldscherm kan het ook. En vermoedelijk niet slechter, al was het maar omdat de journalistiek zich dan niet opsluit achter een muur waarover steeds meer Negropontisten niet meer willen heenkijken. Vorm en inhoud horen nu eenmaal bij elkaar.

“In een tijd dat allerlei irrationele verschijnselen weer de kop opsteken en op modieus applaus kunnen rekenen, menen wij hier een functie te verrichten die nog zin heeft”, aldus het hoofdartikel van 1 oktober 1970 waarmee NRC Handelsblad 25 jaar geleden zijn bestaan begon.

Daar is geen woord van gelogen. Sterker, het geldt nog steeds.