Olieman

De hoofdrolspelers in Geert Maks Een kleine geschiedenis van Amsterdam zijn niet de Bickers en de Van Beuningens uit de regentenrepubliek, maar de bankiers en de overige kleurrijke figuren uit het vooraanstaande geslacht Van Hall. Gijs en Walraven ('Wally') van Hall stellen zelfs Rembrandt verre in de schaduw. Rembrandt krijgt van Geert Mak het volle pond als de grootste schilder van zijn tijd, evenals tal van andere prominente Amsterdammers die hun stempel op de historie van de stad hebben gezet, maar de gebroeders Van Hall, ofwel 'de bankiers van het verzet' tegen de Duitse bezetting, zijn onmiskenbaar Maks favoriete helden uit de geschiedenis.

Dat is een sympathiek en verdedigbaar uitgangspunt, omdat het in het ene geval (Gijs) bijdraagt aan een rechtvaardiger beoordeling van een eminent maar verguisd man (wiens belangrijke verzetsrol niet meer telde toen hij als burgemeester werd gedumpt), in het andere geval (Walraven) stimuleert tot herontdekking van een te jong gestorven genie met een onwaardeerbare staat van dienst voor de Nederlandse samenleving in de bezettingsjaren.

Maks geschiedenis van Amsterdam is weliswaar geen biografie van de familie Van Hall - die trouwens al geschreven is (M.C. van Hall, Drie Eeuwen, de kroniek van een Nederlandse familie, Amsterdam, 1961) - maar de handelingen van deze talrijke clan vormen wel de rode draad in dit onderhoudende boek. Rood is ook de politieke kleur van deze familie, die in de achttiende eeuw sympathiseerde met de patriotten en in de eeuw daarna een zekere afstand bewaarde van de koningen (en al die jaren overwegend op de Herengracht woonde). Maar veruit de meest intrigerende Van Hall in Geert Maks Geschiedenis is de bij het grote publiek onbekende 'Wally'. De bladzijden die hij over hem schrijft schreeuwen als het ware om een afzonderlijke biografie.

Walraven van Hall was op en top bankier, maar een bankier met een tic voor techniek. Hij was een hoofdwerker die ook veel met zijn handen kon. Als de fondsen voor zijn vele netwerken (verzetsgroepen en onderduikers) in de oorlog op dreigden te raken, wist hij steeds weer nieuwe bronnen aan te boren. Hij had een onnavolgbare techniek in fundraising. Maar hij kon even goed een kaduuk kacheltje weer aan de praat krijgen.

Wally van Hall was ver van de familietraditie begonnen: op zee. Na een opleiding op de zeevaartschool op Terschelling behaalde hij de diploma's derde en tweede stuurman en hij zou het ongetwijfeld tot eerste stuurman op de Grote Vaart hebben gebracht als hij niet 'op grond van zijn ogen' zou zijn afgekeurd. In Wall Street, waar Gijs al werkte, deed hij zijn eerste bankervaring op. Na zijn terugkeer in Nederland werd hij benoemd tot mededirecteur van het bijkantoor Zutphen van het bankiershuis H. Oyens & Zn, waarvan zijn vader Adriaan Floris directeur was (Adriaan Floris en Floris Adriaan zijn de meest voorkomende namen in de familie, en de bekendste daarvan is F.A. van Hall, de minister van financiën die in 1843 de ontredderde staatsfinanciën saneerde en daarvoor de voormalige koning persoonlijk liet meebetalen).

Kort voor de inval van de Duitsers werd Wally van Hall als firmant opgenomen in een bankiers- en effectenfirma in Zaandam, waardoor hij toegang kreeg tot de Amsterdamse effectenbeurs. Ook als bankier en effectenmakelaar paste hij niet helemaal in de traditie: hij was een geldman met een politiek (vrijzinnig-democratisch) zintuig. Het Biografisch Woordenboek van Nederland vat deze in die kring ongebruikelijke gezindheid als volgt samen: “Hoewel niet aan een politieke partij verbonden, had Van Hall grote belangstelling voor de publieke zaak.”

Van Wally van Hall zijn niet meer dan fragmentarische berichten uit de illegaliteit bewaard gebleven. In brieven van zijn medewerkers uit die periode wordt hij getypeerd als een ongewoon groot organisatorisch talent, nu eens bijgenaamd 'de bankier', dan weer 'de olieman' van het verzet. Een duizendpoot die gelijktijdig verschillende grote operaties leidde, zoals Escape (die achter de linies verdwaalde Engelse piloten naar hun regimenten terugbracht), Zeemanspot (voor financiële ondersteuning van de familie van zeevarenden) en Nationaal Steunfonds (voor de financiering van heel de illegaliteit en de onderduikers). Maar ondanks zijn dagelijkse grote besognes had hij ook aandacht voor het kleine leed: “Direct na mijn thuiskomst (uit de gevangenis in Scheveningen) was Wally er, om mij als een der eersten de hand te drukken, terwijl hij een grote fruitmand torste.”

Uit de getuigenissen van degenen die in het verzet met hem hebben gewerkt, komt Wally van Hall (geb. 1906) als een groot karakter te voorschijn. Tegenover zijn mede-illegalen zelfverloochenend en onbaatzuchtig, altijd bereid “zeer gevaarlijke werkjes zelf te doen”, tegenover zijn ondervragers van de Sicherheitsdienst gesloten als een pot. Enkele maanden voor de bevrijding werd hij, doordat een mede-illegaal doorsloeg, gearresteerd en enkele weken later gefusilleerd. Wally van Hall (verzetsnaam: Van Tuyl, om zijn fluïde alomtegenwoordigheid ook wel genoemd de 'elusive pimpernel') kreeg een sober maar intens grafschrift: 'Nederland is hem groten dank verschuldigd'.