Jacques Anquetil (1957, 1961-'64); Monsieur Chrono fietste alleen voor zijn portemonnee

ROTTERDAM, 1 JULI. Aan het einde van het wielerseizoen 1959 schafte Jacques Anquetil een dure plezierboot aan. Hij gaf het vaartuig de naam Sifflet '59 - Fluitconcert '59. De Fransman reageerde daarmee verbitterd op het gejoel dat hij en zijn collega's van de Franse nationale ploeg 's zomers aan het slot van de Tour in het Parc des Princes ten deel was gevallen. Het teleurgestelde publiek had hooggespannen verwachtingen van de formatie, die vier bekende kopmannen telde: Louison Bobet, Raphaël Géminiani, Roger Rivière en Anquetil. Het werd een fiasco, waaruit Anquetil lering trok. Nooit, riep hij, wilde hij het leiderschap van een team nog delen.

Twee jaar eerder had Anquetil de Ronde van Frankrijk op zijn naam geschreven. Als debutant. De kenners hadden in het midden van de jaren vijftig reeds voorspeld dat de Normandische tijdrit-expert een groot kampioen zou worden. Zo slaagde de jonge Anquetil er in 1956 in campionissimo Fausto Coppi het veertien seizoenen oude werelduurrecord af te nemen. Maar de insiders gaven toe dat de in Mont-Saint-Aignan geboren renner wel bijzonder eigenzinnig was. Privé - hij ging er tot schande van zijn ouders met de echtgenote van zijn arts vandoor - en als renner. Hij stoorde zich niet aan de voedingswetten en trainingsvoorschriften. Toen zijn ontdekker in de profwereld, de autoriteit Francis Pélissier, voor wie iedereen als de dood was, Anquetil vertelde welk oefenschema hij moest hanteren, zei hij volgens het blad Wielerrevue (1987): “Nee, mijnheer Francis, ik train niet zoals u het wilt.”

In de Tour van 1957 was de individualist Anquetil superieur. Gesteund door de Franse nationale ploeg - er reed ook een aantal regionale formaties mee - had hij aan het einde in Parijs een voorsprong van bijna een kwartier op de nummer twee, de Belg Marcel Janssens. Frankrijk had na de grote Bobet een nieuwe superman, die zakelijk, ambitieus maar nog onervaren was. Dat laatste bleek in de Tour van '58, toen Anquetil de oude Bobet als kopman naast zich moest dulden. Wielerrevue schreef daarover: “Voor de start van de beruchte Chautreuse-etappe, waarin Charly Gaul een onvergetelijke solo reed, had Anquetil de stommiteit begaan om een zijden trui aan te trekken. Dat zou beter zijn voor de ademhaling tijdens het klimmen, dacht hij (..) De hele dag viel er een ijskoude regen en binnen de kortste keren zat het natte truitje als een ijslaag aan zijn huid vastgeplakt. Hij werd door Gaul op meer dan twintig minuten gereden en na aankomst moest hij onmiddellijk naar het ziekenhuis worden gebracht. Hij voelde zich zo slecht dat hij dacht dat hij nooit meer zou kunnen fietsen.”

De aftocht deed zijn populariteit geen goed. Hij was toch al niet geliefd bij het Franse volk wegens vele van zijn uitspraken. Zo van: “Ik fiets niet voor het publiek, maar voor mijn portemonnee.” En: “Ik rij niet voor het spektakel en de show, maar om te winnen.”

Anquetil was een rekenaar. De Tour van 1960 sloeg hij over - als eerste Fransman won hij dat jaar de Giro d'Italia - om in 1961 ijzersterk terug te keren. De tijdrijder wilde zijn critici laten zien dat hij óók kon klimmen. Bij de start in Rouen had Monsieur Chrono zich voorgenomen de gele trui van het begin tot het einde te dragen. Het lukte, hetgeen een superprestatie mag heten van Anquetil en zijn ploeg. Maar de Tourdirectie was er niet blij mee. De oude Tourbaas Jacques Goddet, altijd een lange korte broek dragend, werd chagrijnig van de overheersing van de nationalen en had er in L'Equipe geen goed woord voor over.

Toen Anquetil in 1962 wéér Tourwinnaar werd, dankte hij veel aan zijn Nederlandse meesterknecht Ab Geldermans. De Beverwijker zegt nu dat hij in die Tour misschien zelf nummer één had kunnen worden, maar dat hij zich voor de beroemde Fransman wegcijferde. “Anquetil was een leider, maar bepaald geen aanvaller”, weet Geldermans nog. “Wij moesten hem in een etappe brengen en als wij op apegapen lagen, maakte hij het af. In de bergen volgde hij zijn concurrenten, in de tijdritten sloeg hij toe. Ja, à la Miguel Indurain tegenwoordig. Dat is ook zo'n type. Anquetil was een gentleman, die zijn financiële verplichtingen altijd keurig nakwam. Nee, populair was hij niet. Dat kwam omdat hij tamelijk koel was, onverschillig. En het publiek kiest graag de kant van de underdog, in die tijd Raymond Poulidor, net als Joop Zoetemelk een eeuwige tweede.”

Poulidor-Anquetil - onvergetelijk was hun duel op de Puy de Dôme, een jaar nadat Anquetil in 1963 zijn vierde Tourzege had binnengehaald. Anquetil was in '64 wederom de sterkste. Het was zijn laatste Tourtriomf. Anquetils lichaam had veel geleden, óók door het gebruik van stimulerende middelen. “Ik was de dopingcontrole altijd voor”, zei hij in 1978 in NRC Handelsblad toen hij de Tour per auto volgde. Anquetil zakte ook regelmatig door. “Hij was een groot kampioen en een levensgenieter”, herinnert Geldermans zich. “Bij een wedstrijd in Clermont Ferrand kon hij het met de organisator niet eens worden over zijn startgeld. Ze bleven daarover in een hotelbar debatteren, de hele avond. Wij gingen naar bed. Toen we 's ochtends om zes uur beneden kwamen, was de vrede gesloten. Ze zaten te kaarten, de fles op tafel. Om vier uur hadden ze een akkoord bereikt, lispelde Anquetil. Nog voor de middag was de start. Anquetil hield zich rustig, tot zestig kilometer voor het einde. Toen rukte hij op uit de achterhoede. Elliott, Everaert en ik zaten voorin, we moesten van ploegleider Géminiani op hem wachten. Hij kwam bij mij en riep: 'Straks ga ik weg Ab, ik ga winnen'. Dat gebeurde ook.”

In 1965 liet de 'oude' Anquetil een soortgelijk staaltje zien. Hij won 's middags de Dauphiné Libéré, nam 's avonds in Avignon het vliegtuig naar Bordeaux, waar hij om 1.30 uur 's nachts van start ging in de meer dan 500 kilometer (!) lange klassieke derny-koers Bordeaux-Parijs. In de regen begon hij zwak, wilde zelfs opgeven maar hij herstelde aan het einde en hij werd eerste. Dat jaar sloeg hij de Tour over. “De mensen hebben er genoeg van mij altijd te zien winnen, de renners ook”, gaf hij toen als verklaring. “Zou ik dit jaar de Tour winnen, dan had ik alleen nog maar vijanden langs de weg en in het peloton. Dat zou mijn leven ondraaglijk maken.”

In 1966 keerde hij nog éénmaal terug als Tourrenner. Niet om mee te dingen naar de hoofdprijs, maar om hand- en spandiensten te verrichten voor Lucien Aimar. Dankzij de tactische manoeuvres van Monsieur Chrono werd Aimar eerste en niet Jan Janssen. De Nederlandse professeur aux lunettes moest met het zilver genoegen nemen. Anquetil baarde in '67 nog opzien door het werelduurrecord van Rivière te verbeteren. In '68 was hij nog één keer op de fiets in de Tour te zien. Hij reed één uur voor de officiële karavaan uit en gaf dan zijn mening over de etappe. Toen pas kreeg de Normandiër alom enthousiast applaus van het publiek. De onvergetelijke Monsieur Chrono had dat veel eerder verdiend.