Holland Festival profileerde zich vooral met dans

AMSTERDAM, 1 JULI. Het thema van het Holland Festival 1995 was 'kunst en verzet' maar dat bleef avond aan avond onopgemerkt. Daarentegen viel drie programma's, dat wil zeggen vijftien avonden lang, op dat dit Holland Festival had gekozen voor een retrospectief op het werk van de Duitse choreografe Pina Bausch en haar Tanzteater Wuppertal. Voor de derde maal verzorgde het Festival een retrospectief programma ter ere van klassiek geworden werk van een moderne choreograaf. Om de ontwikkeling van een carrière te markeren worden op speciaal verzoek al lang door de tijd verzwolgen balletten opnieuw ingestudeerd.

Ook Bausch bleek, na respectievelijk Hans van Manen en Anne Teresa de Keersmaeker, goed te zijn voor wild enthousiasme, of dat nu een roerend weerzien gold of een eerste kennismaking. De 'centrale choreograaf' is een instituut van Europese allure geworden, iets dat het Festival een gezicht geeft en een meer dan vluchtig belang. Nog even en legendarische choreografen verdringen zich om te worden uitgenodigd. Volgend jaar zal de in Frankfurt werkende Amerikaan William Forsythe de eer te beurt vallen. Het is te hopen dat het jaar daarna de opvolger van festivaldirecteur Jan van Vlijmen de traditie zal voortzetten.

Amsterdam is eigenlijk te groot voor het Holland Festival. De stad beschikt over voortreffelijke concert- en theaterzalen. Maar die zalen liggen zeer verspreid door de stad. Er is geen centraal gelegen café waar iedereen gemakkelijk na afloop nog even binnenloopt, er is geen plek waar musici, acteurs en dansers elkaar en het publiek kunnen ontmoeten.

De organisatie lijkt uitsluitend oog te hebben voor de voorstellingen zelf. Dat is goed, maar concerten en theater- en dansvoorstellingen zijn er genoeg in Amsterdam. Een interessante voorstelling als Faust van De Trust is goed voor wat rumoer maar zou er ook zonder het Holland Festival wel gekomen zijn. Het Nederlands Dans Theater en de Nederlandse Opera (met een prachtige opvoering van Der Meistersinger von Nürnberg) hebben een eigen programmering, die voor de gelegenheid onder de paraplu van het Holland Festival valt. En ook het Concertgebouworkest is in deze tijd van het jaar nog niet met vakantie.

Het uitnodigen van buitenlandse toneelvoorstellingen voegde wel iets cruciaals toe aan het aanbod van het Holland Festival en van het toneel in Nederland: de twee voorstellingen van het Deutsches Schauspielhaus in Hamburg onder regie van Christoph Marthaler (Canetti's Hochzeit en Faust naar Fernando Pessoa) vertegenwoordigden een hier nooit geziene vorm van teder muziektheater, die zich ook nog eens direct in verband liet brengen met het beste werk van Pina Bausch. Maar op het gebied van de muziek is het Holland Festival zelfs nauwelijks nog een aanvulling.

Amsterdam is te groot, of je zou kunnen zeggen, het Holland Festival is te klein voor Amsterdam. Wie in de programmafolder de verspreide blauwe blokjes in een groot, leeg vlak ziet die in het van-dag-tot-dag overzicht de concerten aangeven, de rode balletjes voor het toneel, of de zwarte sterretjes voor de dans begrijpt meteen dat het met zo'n relatief klein aanbod bijna onmogelijk is om iets van een festival-sfeer te creeren. Het publiek hoeft niet van theaterzaal naar concertzaal te rennen om alles te hebben meegemaakt. Het Holland Festival zou, met de huidige programmering, niet langer dan twee weken hoeven duren.

De kwantitatieve verschraling in het aanbod leidt overigens niet tot een vermindering van de kwaliteit. Het Stockhausen-retrospectief leverde bijvoorbeeld een aantal belangwekkende concerten op, met schitterende uitvoeringen van werken die richting hebben gegeven aan de naoorlogse muziekgeschiedenis en die over het algemeen zelden in de concertzaal te horen zijn. Het organiseren van een reeks concerten rondom een levende componist, liefst met enkele wereldpremières, is een voortreffelijk idee. Het werk van deze componist kan in de rest van het programma mooi in perspectief worden geplaatst (liefst ook met werk van Nederlandse componisten, want die ontbraken dit jaar met uitzondering van Loevendie helemaal).

Intussen was aan het Stockhausen-retrospectief goed af te lezen, waar het in het Holland Festival aan ontbreekt. De grootste fascinatie bestond voor het Helikopter-Streichquartett. Muzikaal was dat zeker niet het hoogtepunt van de Stockhausen-concerten, maar het gaf je het gevoel erbij geweest te moeten zijn.

Zo'n sfeer had ook kunnen ontstaan bij de Londense symfonieën van Haydn door Frans Brüggen en zijn Orkest van de Achttiende Eeuw: bijzondere uitvoeringen, zes dagen achtereen op een gekke tijd. Maar deze concerten waren geheel losgezongen van de rest van het programma. Het hele festijn veranderde daardoor in een reeks korte uitvoeringen op een onhandig moment van de dag, waarbij het publiek even voor elven binnenstormde om na afloop zo snel mogelijk huiswaarts te keren.

De voorkeur van Jan van Vlijmen voor muziektheater kwam dit jaar niet erg uit de verf. Zo kan het uitnodigen van de Zuidafrikaanse musical Mama! van Mbongi Ngema slechts worden beschouwd als een grote vergissing. Het blijft de vraag of de concentratie op muziektheater voor het Holland Festival een verstandige keuze is. Want opera heeft één groot nadeel: het is de allerduurste podiumkunst. Moet een festival dat zelfs bezuinigt op de boventiteling bij Esmée, zich wel toeleggen op operaprodukties? Overigens betekent dat niet, dat Esmée niet thuishoort in het Holland Festival. Het is een groot nieuw werk van een belangrijke Nederlandse componist; het zou ook een mooie aanleiding kunnen zijn geweest voor een Loevendie-retrospectief. Dat de voorstelling tegenviel, doet niet ter zake. Dat is het risico. Maar zonder risico's kan een festival niet leven.