Grabbeltaal

INEZ VAN EIJK: Het Totale Taalboek

256 blz., Balans 1995, ƒ 34,90

Als m'n tante een snor had... dan was ze m'n oom

264 blz., Contact 1995, ƒ 24,90

Het is allemaal begonnen met Turbotaal (1987) van Jan Kuitenbrouwer: een boek over modieus taalgebruik dat zomaar een bestseller werd. Het bewees dat er brede belangstelling bestond voor taal en zelfs voor een min of meer systematische aanpak van een taalkundig verschijnsel.

De gevolgen van deze ontdekking bleven niet uit. Het regent boeken en boekjes sindsdien. Over wielrennerstaal, visserstaal en thuistaal. Over sociolecten, dialecten en vakjargon. Over spreekwoorden, nieuwe woorden en scheldwoorden. In de vorm van woordenboeken, schrijfhulpen en taalvossen. In de krant, op radio en op tv: Lingo, Een tien voor taal en Het Groot Dictee. In de vorm van cadeauboekjes, kalenders en een serieus tijdschrift, Onze Taal, waarvan de oplage steeg tot rond de 40.000. En voor de liefhebber is er nu het WNT op cd-rom.

Taal is dus in. Zou taal ook weer uit kunnen raken? Het is zomaar een vraag die opkomt bij het lezen van Het Totale Taalboek van Inez van Eijk. De woordspelige titel wekt de indruk alsof alles nu wel gezegd is, alsof er een cyclus is afgerond: van turbotaal tot totale taal. Zelf ziet Van Eijk het wat minder definitief. Zij wil met dit boek vooral de lof zingen van de rijkdom van het Nederlands en haar 'taallust' botvieren. “Ik taal naar taal”, zo zegt ze in haar voorwoord. In de praktijk is haar boek een bloemlezing uit de vele taalboeken en -boekjes van de afgelopen jaren, ook van Van Eijk zelf. Eerder schreef zij al De taalhulp, De brievenhulp, De spreekhulp, De schrijfhulp en De sollicitatiehulp. Uit al deze hulpen is wel iets terug te vinden in Het Totale Taalboek. Onderwerpen als spelling, grammatica, spreek- en schrijftaal staan naast tientallen andere: het Opperlands, vergaderen, stijlfiguren en -fouten, voornamen, lezen, epo-, syno-, hypo- en homoniemen.

Zo is een bont boek ontstaan, nogal divers en wispelturig van karakter. Alle onderwerpen worden kort en niet al te diepgravend behandeld, op een welwillende, om niet te zeggen gezellige toon, als in een damesblad. Men moet er van houden: “Eenvoudig nietwaar, die zinsontleding?” De uitleg wordt afgewisseld met spelletjes en raadsels; de oplossingen staan achterin. De lezer krijgt een 'recept voor een doktersroman' en mag zelf limericks maken op leuke beginregels. Er zijn ook illustraties: bij het hoofdstuk over diergeluiden staat een tekening van een kraaiende haan. En er zijn handige tips, bijvoorbeeld voor wie werk zoekt: “Schrijf niet in het wilde weg op elke advertentie die u wat lijkt.”

Verder regeert de willekeur. Soms geeft Van Eijk uitleg, soms niet, soms veel te weinig. Wie niet weet wie de Tachtigers zijn, heeft niet veel aan deze toelichting: “de literaire stroming eind negentiende eeuw”. De leenwoorden en barbarismen moeten het met drie bladzijden doen, maar de invloed van het Latijn krijgt er opeens elf, waarvan er acht worden gevuld met een tamelijk uitputtende opsomming. Zodat de vraag rijst voor wie dit boek eigenlijk bedoeld is: voor lezers die nog niet weten wat zelfstandige naamwoorden zijn (“dat zijn woorden waar 'de', 'het' of 'een' voor passen”) of voor lezers die uit vier voorbeeldzinnen zelf mogen concluderen wat een oorzakelijk voorwerp is?

Feitjes

Slordig is Van Eijk vaak. Seneca leefde niet in de vierde eeuw voor Christus. Hemmerechts is geen Nederlandse auteur. 'Opportuun' betekent niet 'te vroeg'. Veel hinderlijker is haar slordige stijl, die wordt gekenmerkt door een hoogst curieus kommagebruik, lelijke beelden, een voorkeur voor clichés en modewoorden als oppikken en zich manifesteren en voor onthullingen van dit type: “mondelinge communicatie is een belangrijke bezigheid”, “meestal is iemands actieve woordenschat kleiner dan de passieve” en “correct formuleren vereist enig nadenken”. Men zou zich hieraan kunnen ergeren, maar dat is niet in de geest van het boek. “Zo ziet u maar weer, ergernis is betrekkelijk”, babbelt Van Eijk. Dat is waar, want na elke dooddoener volgt meestal wel weer een aardig feitje of weetje. Nooit geweten dat ons woord zolder is afgeleid van het Latijnse solarium en dat onze chocola teruggaat op het Azteekse chocolatl - wat ineens een historische dimensie aan het snoepen geeft.

Het Totale Taalboek bevat dus 'voor elk wat wils'. Het is een aardig bladerboek, allerminst totaal, maar eerder fragmentarisch, en dus erg geschikt voor op het toilet. Of: voor op de plee, de boutenbak, de doos waar ook de keizer te voet gaat, die bleke jongen met die bril op, villa Bruinzicht. Allemaal synoniemen, allemaal te vinden in een ander pas verschenen boek van Van Eijk: Als m'n tante een snor had... dan was ze m'n oom.

Het is een inventarisatie van meer dan 8.000 stoplappen, clichés en andere loze uitdrukkingen uit de omgangstaal, van het type 'mensen blijven mensen' en 'ik zeg maar zo, ik zeg maar niks'. Uit het verschijnen van zo'n boek zou je kunnen concluderen dat de taalboekjesmarkt inmiddels haar grenzen bereikt heeft. Maar misschien ook niet: dit is alweer de vierde, met tal van nieuwe nietszeggendheden uitgebreide druk.