Een filiaal van Moskou

GER VERRIPS: Dwars, Duivels en Dromend. De Geschiedenis van de CPN 1938-1991

580 blz., geïll., Balans 1995, ƒ 69,50

Dwars, duivels en dromend. Zo heet Verrips' vuistdikke, indrukwekkende geschiedenis van de CPN. Ook noemt hij de CPN'ers vaak wereldvreemd. Dat waren ze zeker. In de jaren vijftig kwam in Nederland de verkoop op gang van televisietoestellen. Ook arbeiders namen ze in toenemende mate af. Waarheid-redacteur Baruch wijdde er een commentaar aan. Hij noemde het misleidend nieuws, want een arbeider kon zich van zijn loon geen beeldbuis veroorloven. Wat m'n vader van dat commentaar vond, vroeg mijn moeder. “Zo is het toch”, was zijn antwoord. Zij bekeek hem meewarig. “Jullie kunnen ze niet kopen”, zei ze, “dat klopt. Maar de arbeiders? Die brengen wekelijks tweemaal zoveel thuis als een partijfunctionaris. Jullie weten niet hoe 't in de wereld toegaat.” Zij had gelijk. M'n vader, die CPN-bestuurder was en lid van de Amsterdamse gemeenteraad, de Provinciale Staten en de Tweede Kamer, verdubbelde zijn inkomen toen hij, uit de CPN gegooid, weer timmerman werd.

Hoe moeilijker de bronnen vindbaar zijn, des te taaier is het werk van de historicus. Soms echter zijn de goden hem welgezind. In de beginfase van zijn onderzoek naar de naoorlogse geschiedenis van de CPN moet Verrips weinig meer ter beschikking hebben gestaan dan eigen ervaring - hij was enige tijd CPN-bestuurder en Waarheid-redacteur - en de bereidwilligheid van CPN- en ex-CPN'ers hun herinneringen met hem te delen. Sovjet-Unie en Oost-Europa vertoonden geen enkele neiging hun archieven te openen voor nieuwsgierige buitenstaanders. De CPN zelf was nauwelijks scheutiger. Ook de dossiers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst waren een voornamelijk gesloten boek.

Ruzies

Sindsdien viel de Muur, ging het Oosteuropese reëel existerende socialisme teloor en werd de CPN opgeheven. Moskouse en Oosteuropese archieven werden geopend, de CPN-dossiers werden toegankelijk, zelfs de BVD begon inzage te verschaffen in zijn mappen en rapportages. Waarschijnlijk ook waren ex-CPN'ers, omdat 'de Partij' inmiddels voltooid verleden was, eerder dan voorheen bereid over hun ervaringen te spreken. Zo kreeg Verrips onnoemelijk veel meer materiaal ter beschikking dan hij zich, toen hij aan zijn project begon, gedroomd moet hebben.

Was dat voor de auteur een gelukkige ontwikkeling, ze moet hem meer tijd hebben gekost dan hij oorspronkelijk had uitgetrokken. Ook moet de onverwachts verkregen informatie de vorm van Verrips' boek hebben beïnvloed. De essayist Verrips had, ook met betrekkelijk weinig gegevens, de CPN-geschiedenis inzichtelijk kunnen maken. De archief-onderzoeker Verrips echter heeft de generalisatie geschuwd en vooral de feiten laten spreken. En omdat het onmogelijk was bij zijn zoektocht naar feiten steeds weer zijwegen in te slaan, heeft hij aspecten onbesproken gelaten die wellicht aan bod waren gekomen als hem minder archieven ter beschikking hadden gestaan. “In hoeverre (het CPN-optreden) effect heeft gesorteerd op de sociale verhoudingen”, schrijft hij bijvoorbeeld, “viel buiten het kader van dit onderzoek”.

Ook heeft de overvloed aan gegevens over de CPN-top en de daarmee vergeleken veel schaarser informatie over de 'gewone' CPN'ers Verrips verhinderd de 'geschiedenis van de CPN 1938-1991' te schrijven die de ondertitel belooft. Zijn boek is vooral een uitgebreide en zorgvuldige inventarisatie van de handel en wandel van de CPN-leiding, van haar ideeënontwikkeling en van haar kwaadaardig uitgevochten ruzies. De gestaalde kaders, zoals CPN-leider Paul de Groot zijn trouwe aanhang eens aanduidde, komen daardoor onvoldoende aan bod.

Is Verrips' benadering alleszins begrijpelijk, zij laat zich ook verdedigen met een verwijzing naar de strikt hiërarchische structuur van de CPN. Het centralisme was in die partij regel, democratie was non-existent en Moskouse richtlijnen golden er als waardevoller dan de alledaagse ervaringen van de leden. Bovendien is zijn feitenkennis zo overdonderend dat hij terecht mag veronderstellen dat “verdere openbaarmaking van gegevens in de toekomst” zijn “beeld van de geschiedenis van de CPN niet zal wijzigen”. Niet wezenlijk zal wijzigen althans, want al gaat Verrips uiterst zorgvuldig te werk, er blijven uiteraard details waarover men met hem van mening kan verschillen of die verheldering behoeven.

Breuk

Verrips' boek verveelt geen moment en fascineert voortdurend. Het laat de lezer ook met vragen zitten. Hoe is het mogelijk dat CPN-leiders, die toch hun inspiratie ontleenden aan een materialistische filosofie, zich vaak zo irrationeel gedroegen? Hoe konden communistische leiders het marxisme-leninisme blijven zien als feilloos kompas en steeds weer hun trouw betuigen aan de daarop gegrondveste Sovjet-Unie, terwijl het falen van de leer en de mislukking van het socialistische avontuur voor ieder ander allang duidelijk was? Verrips onderkent die vragen, maar ziet ervan af naar een antwoord te zoeken. “Hier ligt”, schrijft hij, “de grens van een beschrijving van de CPN - vanaf dit punt kunnen nog slechts beschrijvingen van de afzonderlijke personen antwoord verschaffen.”

Communisten waren, lijkt Verrips te willen zeggen, 'a suitable case for treatment'. Die mogelijkheid wil ik niet op voorhand uitsluiten. Maar van Verrips, die als CPN-bestuurder en Waarheid-redacteur persoonlijk bij het Nederlandse communisme betrokken is geweest, had ik toch graag ook een echte poging tot verklaring gezien. Hij had die kunnen zoeken in het doorwerken van de ervaringen die communisten eerder hadden opgedaan in hun strijd tegen het nationaal-socialisme, dat uiteindelijk vooral door de inspanningen van de Sovjet-Unie in het stof had gebeten. Een andere mogelijke verklaring ligt in de mogelijkheid een gevulgariseerd marxisme te gebruiken als sleutel tot begrip van een gecompliceerde werkelijkheid.

Maar het dichtst bij een antwoord komt de veronderstelling dat het voor de CPN'ers makkelijker was geweest hun sekte en het daarbij behorende geloof te omhelzen dan daarmee te breken. En gold dat niet te meer omdat veel communisten voor hun keuze dikwijls zulke persoonlijke offers brachten? De breuk met partij en/of bijbehorend geloof sloeg dan niet alleen de bodem weg onder eerder gekoesterde verwachtingen, maar ontnam tegelijkertijd de zin aan de gebrachte offers.

Die veronderstelling verklaart ook waarom zelfs geëxcommuniceerde CPN-leiders dikwijls hun geloof behielden en naar hun partij terugverlangden. Ze biedt bovendien inzicht in de machteloosheid en het gebrek aan inhoudelijke diepgang die Verrips terecht bij oppositionele CPN'ers onderkent. Hoewel vaak tot ketter verklaard weigerden zulke opposanten te breken met partij, marxisme-leninisme en Sovjet-Unie. Dat weer dwong ze hun verzet, dat vorm had moeten krijgen in kritiek op organisatie en inhoud, te verlengen tot aanvallen op de partijleider. Niemand wilde ketter zijn en omdat allen zich beriepen op leninistische organisatiebeginselen en catechismus werden deze geloofsartikelen eerder bevestigd dan aangetast.

Het Nederlandse communisme heeft nooit veel te betekenen gehad. Behalve onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog bleef de CPN, qua leden- en kiezerstal, altijd een kleine partij. Onder haar leden telde zij nauwelijks academici, wat meer (vooral beeldende) kunstenaars, enkele musici en een verdwaalde schrijver. Geschoolde arbeiders organiseerden zich politiek vooral in de SDAP (PvdA), de CPN verwierf buiten Amsterdam/Zaanstad en Oost-Groningen nooit reële aanhang. Pas in de laatste jaren van haar bestaan verwierf zij invloed in studentenkringen, maar de daaruit voortvloeiende aanwas joeg de 'gestaalde kaders' uit de partij.

Comintern

Als Verrips' boek niettemin meer betekent dan het in kaart brengen van een onaanzienlijk verschijnsel, dan komt dat doordat iedere communistische partij model staat voor al haar zusterpartijen: niet alleen in grote lijnen maar zelfs in detail. Zij maakten ooit deel uit van de Communistische Internationale (1919/'43), het communistische samenwerkingsverband dat al snel degenereerde tot verlengstuk van de buitenlandse politiek van de Sovjet-Unie. Die Comintern schreef de aangesloten partijen hun organisatievorm voor, gaf ze strikte politieke richtlijnen en verzekerde zo dat de een sterk leek op de ander. Toen Stalin de Comintern had opgeheven bleek de communistische horigheid aan Moskou voldoende verinnerlijkt om ook daarna de aanwijzingen van de Sovjetpartij als vanzelfsprekend te volgen.

De CPN was dus een filiaal van Moskou. Anti-communisten hadden dat altijd al bevroed, voor communisten was dat vanzelfsprekend omdat zij de Sovjet-Unie zagen als 'de natuurlijke bondgenoot van de Nederlandse arbeidersklasse' waarmee 'onverbrekelijke solidariteit' geboden was. Uitsluitend ex-CPN'ers uit de jongste lichtingen kunnen zich daarom onbehaaglijk voelen bij Verrips' onthulling dat de acties tegen de neutronenbom, zo niet in eerste instantie in Moskou bedacht, grotendeels vanuit de Sovjet-Unie gefinancierd en georkestreerd zijn. Want zij hielden zich voor communisten die onafhankelijk waren van andere partijen.

Schokkend voor bijna alle ex-communisten is ongetwijfeld Verrips' informatie over Moskous geldelijke steun aan de CPN, waarvan zelfs in de CPN-top slechts weinigen op de hoogte waren. De goedgeefsheid van gewone leden, die noodzakelijk leek voor het behoud van de partij en van de communistische pers, blijkt dekmantel geweest te zijn voor het geld dat de partij uit het buitenland ontving.

Verrips' mededelingen over de financiële steun vóór de oorlog lijken tamelijk volledig, onder anderen de Nederlandse Comintern-agent Daan Goulooze sluisde het geld uit Moskou naar Nederland door. Maar over de naoorlogse periode blijft ook Verrips' informatie schaars: enkele gegevens uit de SED-archieven en de aan Volkogonovs Lenin-biografie ontleende mededeling dat CPN-leider De Groot Moskou in 1948 verliet met 50.000 dollar op zak; een fors bedrag als men dat naar de huidige waarde omrekent.

Moskou had de organisatievorm voorgeschreven en leverde ideeën en richtlijnen, die de CPN als vanzelfsprekend navolgde. Dat kwam misschien vanwege de geldelijke steun, maar zeker omdat Lenins partij in de Revolutie had gezegevierd en daarom haar alleenrecht op de waarheid opeiste. Dat betekent niet dat Russische koerswendingen en manoeuvres in de Nederlandse partij nooit verwarring veroorzaakten en dat De Groot zich nimmer ruimte voor eigenzinnig handelen wist te verschaffen. Verrips wekt de indruk dat Moskou niet echt verheugd was met De Groots verkiezing tot algemeen secretaris in 1938; tegen het einde van de jaren dertig en tijdens de Tweede Wereldoorlog varieerde De Groots relatie met Comintern-agent Goulooze van onvriendelijk tot vijandig, in de jaren zestig lukte het De Groot zelfs, profiterend van de conflicten tussen Russen en Chinezen, enige afstand te scheppen tot de Sovjet-Unie. Wat precies de oorzaak was van De Groots tijdelijke breuk met de Russen laat Verrips onbesproken en ook of dat gevolgen had voor de Oosteuropese financiële steun aan de CPN heeft hij blijkbaar niet kunnen achterhalen. Uit eigen onderzoek weet ik dat de SED haar (altijd bescheiden) geldelijke bijdragen tot vrijwel nihil terugschroefde.

Paul de Groot

De verhouding van CPN tot Comintern en CPSU, de repercussies daarvan op de CPN-leiding en de daarmee meestal parallel lopende of soms erop variërende onderlinge conflicten worden in Verrips' boek minutieus gevolgd. Zijn uitgebreide, vaak dramatische verhandelingen over de rol van de CPN tijdens de Tweede Wereldoorlog doet niets af aan de dapperheid waarmee veel communisten de strijd met de bezetter aanbonden, maar relativeert het al te ondubbelzinnig-helfhaftige zelfbeeld waarmee de partij, na de oorlog, de buitenwereld tegemoet trad. Verrips neemt De Groot, door zijn tegenstanders na de Tweede Wereldoorlog wel van desertie beschuldigd, in bescherming (meer dan hij verdient, meen ik overigens, maar ik ben in dezen partijdig), maar ridiculiseert ten minste evenzeer diens pogingen zich achteraf als verzetsheld bij uitstek te afficheren. En tenslotte beent Verrips de naoorlogse partijontwikkelingen tot het bot uit. Ook wie niets afweet van de CPN-geschidenis zal Verrips' relaas, met z'n vele illustraties van de communistische zeden en gewoonten, ademloos lezen. Mij verging het niet anders, al kostte het me soms moeite, hoewel 'nourri dans le sérail', de vaak over elkaar tuimelende geschiedenissen voldoende te ontrafelen om ze op hun waarde te kunnen schatten.

De enkele bezwaren tegen het boek die ik hierboven al aanstipte, zijn niet m'n enige. Verrips' taalgebruik, elders geprezen als bewonderenswaardig afstandelijk voor een ex-CPN'er, is mij vaak niet neutraal genoeg. Soms laat hij informatie weg: waarom niet gemeld dat anonieme brieven over een in 1957 ontluikend partijconflict inderdaad van de BVD afkomstig waren? Op details beschik ik over andere informatie: Sem Davids heeft mij eens verteld dat hij en Alex de Leeuw, anders dan Verrips vermeldt, mr. J. Huyts hebben afgeraden in de oorlog hoofdredacteur te worden van de NRC. Maar zulke bezwaren doen niets af aan mijn oordeel dat Verrips' jarenlang volgehouden miere-ijver een buitengewoon waardevol boek heeft opgeleverd.