Eddy Merckx (1969-'72, 1974); De Zwarte van Tervuren reed uitsluitend om te winnen

LUIK, 1 JULI. De Maaskade in Luik-Noord, de ochtend van 21 juni. Enkele honderden genodigden gaan aan boord van een rondvaartboot, die hen naar Hoei zal brengen. Onderweg zullen enige burgemeesters, provinciale afgevaardigden en politie-functionarissen het gezelschap informeren over de komst van de Tourkaravaan naar Wallonië, volgend weekeinde. Voor het schip van wal steekt heerst er even lichte nervositeit, omdat de belangrijkste gast nog op zich laat wachten. “Het sjiekste volk komt altijd het laatst”, grijnst een journalist, als Eddy Merckx eindelijk de loopplank nadert. Zwart pak, zwarte schoenen, zwart haar. Als De Zwarte van Tervuren in beeld komt, houdt het gekwetter van de aanwezigen op. Vol bewondering volgen alle ogen hem. Daar gaat de beste wielrenner aller tijden. Een enkeling heeft alle moed verzameld en stapt op de maestro af. “Proficiat, monsieur Merckx.” Of: “Van harte Eddy, ge ziet er nog goed uit, zunne.” Vier dagen tevoren vierde de Brusselaar zijn vijftigste verjaardag.

Merckx zag Abraham - het feest ging gepaard met een golf van publiciteit. De Belgische kranten stonden er vol van. En de BRT-televisie besteedde drie documentaires aan zijn onvergetelijke carrière. De aanvaller Merckx, de alles-winner: op de fiets had hij steeds een grimas op zijn gezicht. Of het de koninginnerit van de Tour betrof, een onbeduidende Belgische kermiskoers of de wedstrijd rondom de kerk van Made, altijd en overal wilde hij eerste zijn. Als beroepsrenner boekte hij 525 zeges. “Ik zou nooit zo berekenend en verdedigend hebben kunnen koersen als Indurain. Omdat zo'n aanpak zou botsen met mijn karakter”, vertelt Merckx op de Maas, waar we het ene treurige fabriekscomplex na het andere passeren. “Als iedereen te werk ging als Indurain, dan hoef je buiten de Tour geen andere wedstrijden meer te organiseren. De wielersport is toch méér dan alleen de Tour? Natuurlijk, het is zijn keuze en het is zijn volste recht om het zo te doen. Zeker en vast, Indurain kan de Tour zes of zelfs zeven keer winnen.”

Gaat de vlag dan halfstok, thuis op zijn Limburgse boerderij in Meise bij Brussel? Omdat hij dan onttroond is. “Welnee! Waarom?” Merckx zet zijn karakteristieke, grote ogen op. Zijn voorhoofd rimpelt. “Als ik mijn loopbaan geheel in functie van de Tour had opgebouwd, dan was dat wat anders geweest. Maar ik hechtte ook zeer aan tal van andere wedstrijden. Ik denk dat ge koerst om de beste te zijn. Ik heb nooit gereden om zeven keer Milaan-Sanremo te winnen, ik heb gereden om tien keer Milaan-Sanremo te winnen. Om elke keer te winnen. Ge rijdt niet met een getal in uw kop, ook niet in de Tour. Het komt zoals het komt. Ik heb niet ieder seizoen aan de Tour deelgenomen. Neem het jaar 1968, toen ik voor een Italiaanse firma reed. De manier waarop ik toen de Giro won, was heel overtuigend. Was ik dat jaar naar de Tour gegaan, dan had ik hem ook kunnen winnen.”

Merckx herinnert zich de uitgave van 1969 als zijn mooiste Tour-overwinning, “omdat het ook mijn eerste Ronde van Frankrijk was, mijn debuut”. “De eerste keer dat je wint, dat is als een droom die in vervulling gaat. Bovendien was het dertig jaar geleden dat een Belg, Sylvère Maes, de ronde op zijn naam had geschreven. Ik ben na '69 nooit meer dezelfde, nooit meer even sterk geweest als in dat jaar.” Desondanks stond hij ook in de Tours van '70, '71, '72 en '74 in Parijs op de hoogste trede van het erepodium.

In 1973 was Merckx absent in de Tour. Dat jaar startte (en won) hij wel in de Ronde van Spanje en de Giro d'Italia. “Er bestond toen een zekere animositeit tegenover mij bij Tourbaas Felix Lévitan. Omdat ik de Tour al vier keer achtereen had gewonnen. Lévitan meende dat er door mijn aanwezigheid niet genoeg spanning zou zijn in de Tour. Dat liet hij duidelijk blijken. Ik domineerde zo. Allez, door die houding van hem besloot ik om in de Tour weg te blijven. Als ze je niet graag zien komen, dan kan het ook flink misgaan. Ik had al iets lelijks meegemaakt in '69, in de Ronde van Italië. Ik zeg niet dat die Fransen zoiets ook van plan waren, maar uitgesloten was het niet.” Merckx was dat jaar superieur in de Giro - zijn grootste opponent Felice Gimondi was geen partij voor hem - tot hij bij een dopingcontrole positief werd bevonden. Hij omschrijft die tweede juni in Savona als “de zwartste dag in mijn carrière”.

Huilend vertelde hij destijds voor de tv-camera's dat hij was “geflikt”. België schreeuwde moord en brand. Zelfs in het parlement stelde men vragen over de affaire. In enkele dagen kreeg Merckx 7.000 brieven en kaarten van supporters. Een aantal van hen bedronk zich en anderen riepen het volk op uit protest tegen “die vervloekte Italianen” geen spaghetti meer te eten. Merckx zou door een schorsing van een maand de Tour moeten missen, maar de internationale wielerunie (UCI) bracht de straf terug. Het was het begin van een ijzersterk, vier jaar durend Tour-optreden. “Ik was een beetje op eenzame hoogte”, weet Merckx nog. “Ja, Lévitan en de anderen hadden al een paar keer Luis Ocaña opgewaardeerd. Hem als mijn grote concurrent gespeeld. In '71 was gele-truidrager Ocaña spijtig genoeg gevallen, in '72 was-ie ziek geworden. Kon hij me ook niet bedreigen.”

Merckx zou naar zijn zeggen de Tour vaker dan vijf keer hebben gewonnen, als hij niet jarenlang de naweeën had gevoeld van een tuimeling in 1967, bij een derny-wedstrijd op de baan van Blois. Zijn gangmaker Wambst kwam daarbij om het leven, Merckx had alleen een hersenschudding. Maar later bleek dat ook zijn bekken was verschoven. “Mijn loopbaan is daardoor verkort. En ik kon er minder goed door klimmen.” Na zijn zege in de Tour van '74 werd de uitgave van '75 een drama. “Als ik in '75 was afgestapt in de Tour, had ik de Ronde in '76 waarschijnlijk nog een keer kunnen winnen. Maar in '75 pleegde ik roofbouw op mijn lichaam. Tien dagen ben ik voortgereden met een gebroken kaakbeen. Ik nam pijnstillers en zo. Ik heb verschrikkelijk geleden. Ik ging door, niet omdat ik me dat verplicht voelde tegenover het publiek, maar wel tegenover mijn ploegmaats. Er was natuurlijk heel wat geld voor ze te verdienen. Ik stond overal tweede: in het algemeen klassement, het bergklassement, het puntenklassement. Afstappen had voor hen te veel geldverlies tot gevolg.”

In '77 reed Merckx de Tour voor de laatste maal. “Als ge gedurende tien jaar aan de top hebt gestaan, denkt ge dat ge nog goed genoeg bent. In feite was het gedaan”, realiseerde de grootste renner aller tijden zich. Hij had al zijn voorgangers overtroffen. Wie is in zijn ogen de nummer twee, als het om 's wereld beste gaat? Hinault? Anquetil? “Pas op, je hebt ook nog ene Fausto Coppi gehad! Tegen Anquetil heb ik nog gereden, op het einde van diens loopbaan.” Dat gebeurde onder meer in Parijs-Nice, waar hij de befaamde Fransman in een klimtijdrit inliep. Daar kreeg Merckx de bijnaam De Kannibaal. De Belg haalt de schouders op: “Ik stond aan het begin van mijn loopbaan, Anquetil aan het einde. Je kunt dus geen vergelijking maken tussen ons. Ik was aan het slot van de jaren zeventig ook geen partij voor de opkomende ster Hinault.”

Stel dat Anquetil, Hinault, Indurain en u zelf in één Tour zouden kunnen samenrijden, wie zou er dan de sterkste zijn?

Merckx zegt het niet te weten. “Generaties kun je niet met elkaar vergelijken. Alles is zo veranderd! De rij-methoden, de techniek, de kleding, het materiaal. De sterkste van die vier zou trouwens niet per se hoeven te winnen. Het zou ook degene kunnen zijn met de meeste bravoure. Tja, en dan Indurain. Als je hem naast zijn voorganger Hinault zet, dan is-ie toch veel kleurlozer. Hinault is veel meer een winnaarstype.”

Wie wint de komende Tour?

“Indurain of Rominger. Veel zal afhangen van de vraag hoe Indurain het gebergte ingaat. En hoe hij de bergen doorkomt. De cols vormen toch zijn zwakste punt, door zijn grote gewicht. Rominger had de Tour twee jaar geleden mischien kunnen winnen. Hij was er toen sterk genoeg voor. Maar hij had toen door malheur een aantal minuten verloren in de ploegentijdrit. En hij reed ook nog eens plat in de individuele tijdrit. Hij heeft toen niet meer veel kunnen doen dan rijden voor de tweede plaats.”

De rondvaartboot zwenkt naar links, hij heeft Hoei bereikt. De Zwarte van Tervuren zet als een van de eersten voet aan wal. Merckx wordt meteen herkend, zodat handtekeningenjagers oprukken. De grootste renner aller tijden is er aan gewend.

    • Jaap Bloembergen
    • Guido de Vries