DR. SICCO LEENDERT MANSHOLT (1908 - 1995); De enige echt Europese Nederlander

Een internationalist pur sang, was de donderdag op 86-jarige leeftijd overleden dr. Sicco Leendert Mansholt in de eerste plaats. De eigenschap om voor alle relevante vraagstukken eerst in samenwerking met andere landen oplossingen na te streven en pas daarna het nationale belang te wegen, paarde hij aan radicale politieke inzichten.

De wereld; daar ging het bij Mansholt om. “Felix Rottenberg heb ik bezworen: jongen trek er op uit, ga naar Hongarije, ga naar Roemenië, ga naar Frankrijk, ga de wereld in. Maar hij en zijn maten doen alsof alles draait om wat hier in dit kleine land gebeurt”, aldus Mansholt in zijn laatste grote interview dat in maart van jaar in het weekblad De Groene verscheen.

De sociaal-democraat Mansholt, vooral bekend als pionier van de Europese landbouwpolitiek, bleef consequent vanuit een radicale opstelling denken en spreken. Bij hem trad niet het verschijnsel op van een zekere relativering en mildheid, dat veel politieke voormannen op een zekere leeftijd gaat kenmerken.

De commentaren die “de wijze kater uit Wapserveen” (zo werd hij in PvdA-kringen genoemd) vanuit zijn Overijsselse woonplaats tot op hoge leeftijd gaf, logen er niet om. Twee jaar geleden beklaagde hij zich in een uitvoerig vraaggesprek met deze krant nog over het niveau van de Tweede Kamer: “Het is een niveau van niets, twee derde is brandhout, ook bij de PvdA. Het is vreselijk. Je zit er met kromme tenen naar te luisteren. Als ik dat met vroeger vergelijk, toen er figuren als Romme, Oud, Schouten, Welter rondliepen...”

Als hij zich in het gesprek met De Groene in soortgelijke zin uitlaat waarschuwt interviewer en 'generatie-genoot' Louis Velleman hem voor het verwijt van ouwe-lullenpraat. “Nee, nee en nog eens nee”, antwoordtMansholt. “Dit is geen ouwelullen praat. Dit is de waarheid. Onze wereld en vooral het Nederlandse lijdt aan een verschrikkelijk gebrek aan grote mannen met visie. Kijk rond. Je ziet de armoe aan talent bijna elke dag op je televisiescherm.”

Het links-radicalisme was Mansholt aangeboren. Zijn grootvader was afkomstig uit Duitsland en vestigde zich als hereboer in Groningen, waarschijnlijk destijds de enige socialist in die beroepsgroep, rekende Domela Nieuwenhuis en Douwes Dekker tot zijn kennissenkring en richtte de Bond voor Grondnationalisatie op. Ook Mansholts ouders waren politiek zeer actief. Zijn vader, die veel contacten met Troelstra onderhield, bracht het tot gedeputeerde van Groningen. Als kleuter had de kleine Mansholt zijn moeder in 1912, in de tijd dat socialisten nog revolutionairen waren, bij een verkiezingscampagne zien opkomen als de kandidaat voor de SDAP.

Zijn kritische geest had hij dus niet van een vreemde. Geestverwanten in binnen- en buitenland moesten het in de kritiek van Mansholt vaak net zo hard ontgelden als de door hem vaak verguisde liberalen en christen-democraten.

De soms woedende reacties op zijn optreden waren te verklaren uit de scherpe tong van Mansholt, zijn licht ontvlambare noordelijke temperament en zijn vaak enigszins hautaine houding tegenover tegenstanders.

Toch stond Sicco Mansholt internationaal in zeer hoog aanzien, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de lange lijst onderscheidingen en eredoctoraten die hem door vrijwel alle Europese landen en nog enige daarbuiten werden verleend. Ook in Nederland is hem, ondanks incidenteel verzet tegen zijn landbouwplannen, veel waardering ten deel gevallen. Mansholt was de Nederlandse vertegenwoordiger in Brussel, maar op die zetel had hij Europese en dus een andere verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid, zo is door kabinetten van uiteenlopende signatuur in Den Haag steeds erkend.

Twaalf jaar lang had Mansholt in Den Haag hard gewerkt aan het nationale landbouwbeleid, voor hij aan zijn Europese werk begon. Door premier Schermerhorn aangezocht als minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, werd hij in 1945 als 36-jarige de Benjamin van het eerste na-oorlogse kabinet.

Met zijn opleiding op de Koloniale landbouwschool in Deventer, zijn ervaring als theeplanter in Indië en als boer in Groningen en in de Wieringermeer was hij geknipt voor die baan. Maar in die begintijd van schaarste en distributie van levensmiddelen was de ervaring die hij had opgedaan met de voedselvoorziening tijdens de bezetting minstens zo belangrijk. Bovendien was hij als man van het verzet tijdens de oorlogsjaren in de Wieringermeer onomstreden.

De voedselvoorziening was de eerste zorg voor de jonge minister Mansholt. Hij moest veel voedsel in het buitenland aankopen en met collega's tot in Amerika toe overleggen om tijdelijke tekorten in de buurlanden die ook net bevrijd waren, het hoofd te kunnen bieden. Vervolgens ging zijn zorg uit naar de wederopbouw in de landbouw. Uit de crisisjaren stamde nog het stelsel van marktbeheersing voor landbouwprodukten dat de boeren bescherming bood en de voedselvoorziening reguleerde, waarbij de regering zich bediende van garanties en invoerheffingen.

Dat systeem is later door Mansholt met succes voor de gemeenschappelijke markt in Europa ingevoerd, al was hij de eerste om te erkennen dat het in de jaren zestig en zeventig uit hand liep toen er overschotten ontstonden. Maar daar moet bij vermeld worden dat de landbouwministers zich vaak door nationale belangen lieten leiden en de adviezen van commissaris Mansholt om tot snellere beperkingen te komen, in de wind sloegen.

De wederopbouw, het hardnekkige streven naar een verenigd Europa en de liquidatie van het Nederlandse koninkrijksdeel Indië waren hoofdpunten van beleid voor de eerste na-oorlogse kabinetten. Nauw betrokken was Mansholt bij de eerste twee; het derde beschouwde hij later als een zwarte bladzijde in zijn politieke loopbaan omdat het gepaard ging met het drama van de politiële acties. In De Crisis zei hij geen verontschuldiging maar slechts een verklaring voor zijn instemming met de kabinetsbesluiten te kunnen geven.

Hij had wel geprotesteerd, maar als jong minister had hij het Indonesische vraagstuk toch te veel op een afstand beschouwd en te veel toegegeven aan de neiging zich te conformeren “aan het oordeel van oudere en dus wijzere (?) collega's”.

Toen begin dit jaar de discussie over de Indonesie-politiek oplaaide, werd ook Mansholt als een van de nog weinig levende ministers uit die tijd om zijn mening gevraagd. “We zijn toen absoluut fout geweest. Maar achteraf kan ik gemakkelijk zeggen dat ik had moeten aftreden. Destijds heb ik een andere conclusie getrokken, al worstelde ik er wel mee”, zei hij. Volgens hem hadden “er geen Nederlanders in het voormalig Nederlands-Indië hoeven sterven als we beter naar de Indonesiërs hadden geluisterd”.

De internationalist Sicco Mansholt was zozeer gegrepen door het ideaal van de Europese eenwording dat hij in 1957, nadat het Verdrag van Rome tot stand was gekomen, aan zijn collega's in het laatste kabinet-Drees vroeg of hij het Nederlandse lid van de nieuw op te richten Europese Commisie mocht worden. Per 1 januari 1958 werd hij tot landbouwcommissaris benoemd. Bijna was hij zelfs de eerste voorzitter geworden. De Nederlander Alfred Mozer had namens de Partij van de Arbeid voor hem gepleit, maar de reactie van Adenauer was: “Wat? Een boer en dan nog socialist? Dat is me te bar”.

Opnieuw begon Mansholt aan een pionierswerkstuk, want de Commissie beschikte over niet meer dan enkele ambtelijke medewerkers en twee hotelkamers in Luxemburg, waar de eerste schreden gezet moesten worden. De commissarissen moesten zelf voor de aanschaf van de simpelste kantoorbehoeften zorgen.

Hoewel de eerste lidstaten het eens waren over de noodzaak van een gemeenschappelijke landbouwpolitiek duurde het tot 1962 eer Mansholt de eerste voorstellen kon doen voor harmonisatie van de uiteenlopende regels voor de sociale positie van de boeren. Er waren te veel agrariërs met te kleine bedrijven en dientengevolge leden veel van hen een kwijnend bestaan.

Maar de tijd bleek nog niet rijp voor snelle concretisering. Pas in 1969 kon het Plan-Mansholt in de Europese ministerraad gelanceerd worden. Dat behelsde een concreet programma voor schaalvergroting door samenwerking van bedrijven, compleet met goedkope kredieten en subsidies en omscholingsmaatregelen voor boeren die de wijk moesten nemen naar andere beroepen. De Commissie had zich door Mansholt laten overtuigen dat binnen tien jaar de helft van de agrariërs een ander beroep moest kiezen en dat vijf miljoen hectare landbouwgrond een andere bestemming moest krijgen.

Ongeduld en ergernis over de houding van de landbouwministers en de organisaties van het groene front speelden Mansholt parten in de besprekingen die daarop volgden. Hij vond ze kortzichtig omdat ze meer aandacht hadden voor een zo hoog mogelijke prijs van landbouwprodukten dan voor de noodzakelijke hervormingen en de dreigende overproduktie. Intussen reisde hij West-Europa af om overal de boeren zelf van de noodzaak tot ingrijpende veranderingen te overtuigen. Hij kon daarbij uitdagen en provoceren, maar gaf later toe dat er in die discussies ook zwakke punten van zijn plan naar voren waren gekomen.

In Ierland werd hij eens onthaald door een groep betogers met een spandoek: “One Cromwell is enough”. In Beieren werd nog feller geageerd. “Mansholt Bauernkiller”, heette het daar op de plakkaten. Het deed de commissaris niets; hij hield de opstandige landbouwers voor dat hun beroepsgroep in West-Europa binnen één generatie met acht miljoen ondernemers moest worden ingekrompen. Het kostte felle strijd en menige vergadermarathon in Brussel eer het in 1972 kwam tot een gemeenschappelijk EG-landbouwbeleid.

Dat jaar deed hij ook op ander terrein flink van zich spreken, want nog kort tevoren was hij in de ban geraakt van de problemen die de Club van Rome had geschetst, en van het rapport Grenzen aan de groei van Dennis en Donella Meadows. In het vraaggesprek van twee jaar geleden met deze krant zei hij hierover: “Ik was ervan onderste boven en schreef meteen een verontruste brief aan Malfatti, de voorzitter van de Europese Commissie, waarin ik aandrong op een herziening van het economische beleid. Die brief werd eerst verdonkeremaand, maar toen ik later zelf voorzitter werd, is hij alsnog behandeld. Er was geen enkel begrip voor. Spinelli, een Italiaanse communist, zei meewarig: 'Sicco, ben je een hippie geworden?' Daarmee was de kous af - maar het probleem heeft mij tot aan de dag van vandaag volledig in beslag genomen en mijn politieke koers bepaald.”

Bij zijn collega's in de Europese Commissie registreerde Mansholt weinig meer dan lippendienst aan de noodzaak om deze toekomstproblemen snel aan te pakken, maar zelf trok hij vergaande conclusies. Een kapitalistische maatschappij kon volgens hem geen oplosing meer bieden voor de armoede in de Derde Wereld, het tekort aan hulpbronnen, overbevolking en te grote rijkdom in het Westen. Dat kon alleen met behulp van een 'nieuwe Marx', meende hij. Dwingende internationale regelgeving, nationalisatie van energiebedrijven en andere belangrijke industriebronnen zag Mansholt als onvermijdelijk. Later is hij daarvan teruggekomen. “Ik geloof niet meer in een dirigistisch geleide maatschappij. Dat inzicht heeft bij mij geleid tot een veranderde benadering van het socialisme. Waarbij natuurlijk ook de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie een rol hebben gespeeld”, zei hij twee jaar geleden. “Ik heb geleerd dat voor een overheid de besturingsmogelijkheden van bovenaf zeer beperkt zijn. Je kunt alleen globaal wat bijsturen op bijvoorbeeld monetair en sociaal terrein, maar je moet niet met allerlei fijnmazige regelingen werken. Die worden toch maar ontdoken, want de mensen zijn slim. Daarom is er nu zoveel vastgelopen in de verzorgingsstaat.”

Voor Mansholt was dat aanleiding te pleiten voor een forse sanering van het sociale zekerheidsstelsel. Mansholt in 1993: “Als ik die hele zaak zie van bijstand, WAO, AOW, dan zeg ik: onzin, ruim op die troep. Er moet een ministelsel komen met een basisinkomen en verder moet iedereen zich maar bijverzekeren. Voor dat basisinkomen heb ik al twintig jaar lang gepleit in de PvdA, maar behalve de Voedingsbond wil niemand eraan. Kok heeft beloofd dat de verzorgingsstaat op de helling gaat - ik ben teleurgesteld dat het nog steeds niet gebeurd is en dat men stapje voor stapje corrigeert.” Het kon hem niets schelen dat dit rechts klonk. “Dat rechts en links, daar kom ik ook van terug. Wat is rechts? Iemand meer verantwoordelijkheden geven? Ik wil best rechten geven als er plichten tegenover staan. Het misbruik van sociale voorzieningen en het zwart-werken heb ik al veel eerder geconstateerd. Als je op het land leeft, zie je het om je heen. De helft van het werk in huizen gebeurt zwart. Linkse mensen hebben dat totaal onderschat.”

Na de aanvaarding van zijn landbouwplan in 1972 viel hem de eer te beurt van zijn benoeming tot voorzitter van de Europese Commissie, de hoogste functie in Brussel, die hij vervulde tot hij het jaar daarop met pensioen ging.

Maar dat betekende nog lang niet het einde van zijn dadendrift. Mansholt was al lid van een commissie die de linkse partijen (de PvdA durfde zich daar toen nog zonder aarzeling toe te rekenen) adviseerde over een nieuw gezamenlijk verkiezingsprogramma, hij werd voorzitter van de Atlantische Commissie en lid van een VN-commissie die een onderzoek instelde naar de praktijken van multi-nationale ondernemeningen.

Op 73-jarige leeftijd ging voor Mansholt nog een droom in vervulling: een zeiltocht van bijna een jaar naar Midden- en Zuid-Amerika met als vertrek- en aankomsthaven Lauwersoog, op een steenworp van de Groningse plek waar hij geboren was.

Het Europese gemeenschappelijke landbouwbeleid, bleef Mansholt tot het eind van zijn leven bezig houden. Hij maakte zich zorgen over de aanhoudende overproduktie, over de in omvang sterk toenemende fraude. Een nieuw, robuust en helder beleid is nodig, meende de inmiddels ver in de tachtig zijnde Mansholt. Slechts op hoofdlijnen zou de boer economisch moeten worden geprikkeld. Drie jaar geleden leek volgens Mansholt de ommekeer daar te zijn. Na tientallen jaren ondersteuning van de markt koos Brussel met de zogeheten MacSharry-regeling voor een (beperkte) ontkoppeling van produktie en inkomen van de boer. Ongebreidelde steun aan de landbouw leek ten einde en vrije concurrentie op agrarische markten leek nabij. Maar het bleek een misvatting, aldus zwaar bejaarde Mansholt, die met de hoogleraren landbouweconomie Jan de Veer, Gert van Dijk, Cees Veerman een alternatief ontwikkelde: de hectare-toeslag als directe inkomenssteun voor boeren in plaats van het huidige stelsel van garantieprijzen dat overproduktie in de hand werkt. En opnieuw werd naar Masholt geluisterd. Met hun plan 'Ten past green' wordt rekening gehouden en ten dele opgepikt door de socialisten. Maar de eventuele realisering van dat plan heeft hij niet meer kunnen meemaken.