De politiek verdwaald

G. VOERMAN (red.): Jaarboek documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen 1994

270 blz., Rijksuniversiteit Groningen 1995, ƒ 23,50

Beleid & Maatschappij, mei/juni. Themanummer over de toekomst van politieke partijen

76 blz., Boom 1995, ƒ 20,-

MARK BOVENS e.a.: De verplaatsing van de politiek

61 blz., Wiardi Beckman Stichting 1995, ƒ 17,50

Waar zijn ze toch, die machtige politici? Het is de koningin die waarschuwt voor het ontbinden van de samenleving, het is de milieu-organisatie Greenpeace die olie-multinational Shell ervan weerhoudt een olieplatform in zee te dumpen, het is de rechter die de malus-regeling in de WAO verbiedt, het zijn de burgers van Amsterdam en Rotterdam die over hun bestuurders heen door middel van een referendum massaal tegen het opdelen van hun stad stemmen.

Allemaal verschillende en onvergelijkbare grootheden. En toch is het niet moeilijk of geforceerd in al deze op zichzelf staande gebeurtenissen iets gemeenschappelijks te ontdekken. Want of het nu de koningin is die zich met haar oproep tot het volk richt, of de rechter die de weg wijst, allen maken op hun manier gebruik van het vacuüm dat blijkbaar ergens in het systeem is ontstaan.

De regering regeert; nog steeds. Het parlement controleert; nog steeds. Maar er zijn tegenwoordig zoveel anderen die ook meesturen. Het Binnenhof is steeds minder hèt machtscentrum, en steeds meer één van de vele machtscentra. De politiek, of de politieke partij is niet meer de vanzelfsprekende, niet te passeren factor in het maatschappelijk proces. De boodschap van de politieke leider, voor zover van een boodschap nog sprake is, wordt afgewogen tegen tal van andere opvattingen. En het politieke besluit wordt niet meer beschouwd als het ultieme besluit.

Het antwoord op de vraag of deze ontwikkeling moet worden betreurd, is politiek bepaald. Met een beetje goede wil valt bijvoorbeeld in deze tendens de door het CDA gepropageerde verantwoordelijke samenleving te ontdekken. Pas nu de christen-democraten uit de regering verdwenen zijn, krijgt het middenveld het pas werkelijk voor het zeggen, zo lijkt het wel. De door de paarse coalitie beloofde terugkeer van het 'primaat van de politiek' laat intussen op zich wachten. Vooralsnog is de politiek alleen nog maar voor de directe beoefenaars ervan aan het Binnenhof opgeleefd en is de 'paarse' vonk nog niet overgesprongen op de samenleving.

Tobberige instituten

De troosteloze positie waarin alle grote politieke partijen zich bevinden, is hiervan het bewijs. Als zij de verbindende schakel vormen tussen burger en staat - een opvatting waarover discussie mogelijk is - dan is er iets grondig mis. Want wat er ook wordt beweerd over herlevend dualisme dan wel de terugkeer van het politieke discours, aan de grote politieke partijen is het niet te merken. Stuk voor stuk zijn het tobberige instituten, die elk op hun manier op zoek zijn naar een reden van bestaan. De reeks zoekende geschriften die de afgelopen tijd is gepubliceerd, vormt een uitdrukking van de onzekerheid waarin de politiek in haar algemeenheid en politieke partijen in het bijzonder verkeren.

Twijfels zijn er zowel over de rol van de politiek als over de inhoud. Wetenschappers van de Partij van de Arbeid vragen zich af waar de cruciale beslissingen eigenlijk vallen, wetenschappers van de VVD proberen een politiek-liberaal antwoord te formuleren op de individualiseringstendens, terwijl binnen de strategische beraadsgroep van het CDA wordt gesproken over een herwaardering van de staat. Plaats en positie van de politieke partij is bij alle onderwerp van discussie.

Dat politiek niet inherent is aan politieke partijen is voor iedereen een vast gegeven. Waren het in de vorige eeuw de liberalen die hun principiële bezwaren hadden over politieke partijen, tegenwoordig is de twijfel veel breder. Typerend was de verontrusting die Tweede-Kamervoorzitter Deetman vorige week tijdens een symposium uitsprak over het feit dat politieke partijen een steeds dominantere plek innnemen tussen burgers en volksvertegenwoordigers. Het vaststellen van de kandidatenlijst wordt steeds meer een zaak van de centrale partij-organisatie, met als gevolg dat volksvertegenwoordigers zich in toenemende mate gaan gedragen naar de luimen van de partijtop.

Volksvertegenwoordiger of partijvertegenwoordiger, het is een verschil dat veel meer dan academisch is. Het gaat hier om de vraag of de politieke partij, conform de in de jaren vijftig ontwikkelde theorie van de Duitse staatsrechtdeskundige Leibholz, het instrument is waarmee de democratische volkswil tot uitdrukking wordt gebracht. Het zou betekenen dat de staat slechts het verlengde is van de partijen en dat de burger geheel in de partij zou dienen op te gaan.

In zijn bijdrage aan het jaarboek 1994 van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen gaat de Groningse hoogleraar theoretische geschiedenis F.R. Ankersmit uitgebreid in op het politiek-filosofische debat dat aan de plaats van partijen in het staatsbestel ten grondslag ligt. Ervan uitgaande dat de politieke partij het intermediair is tussen burger en staat, waar dient dan het accent te worden gelegd? De partij kan de oren laten hangen naar de burger dan wel naar de staat. Continuïteit tussen burger en partij lijkt uit democratisch oogpunt te verkiezen.

Risico's

Ankersmit wijst er echter op dat het niet zo gemakkelijk ligt. Want democratische besluitvorming behelst het gehele traject tussen de burger en de staat. “Tegen die achtergrond laat het zich voorstellen dat wie de democratische banden tussen de burger en de partij aanhaalt, daarmee juist die tegen burger en staat kan verzwakken. Bijvoorbeeld omdat daarmee de onderhandelingspositie van de partij ten opzichte van de staat en ten opzichte van andere partijen verzwakt wordt; de staat kan daarmee losgemaakt worden van de burger in een mate die zich nu juist helemaal niet verdraagt met onze idealen van democratische controle.”

In zekere zin kan het verhaal van Ankersmit worden beschouwd als kritiek 'avant la lettre' op de later dan het jaarboek verschenen bijdrage van CDA-wetenschapper C.J. Klop aan het themanummer van het blad Beleid & Maatschappij over de toekomst van politieke partijen. Want waar Ankersmit wijst op de risico's van een al te stringente band tussen burger en partij, ziet Klop in een versteviging van deze relatie juist de oplossing van de huidige problemen waar politieke partijen mee kampen.

Volgens hem is er tussen de traditionele massapartij en de moderne kaderpartij een derde optie mogelijk: de moderne democratische partij. Klop acht het mogelijk dat acht procent van de kiezers lid wordt van een politieke partij, bijna drie keer zoveel als nu. Hij komt op dit aantal met de curieuze vuistregel dat op elk verjaardagsfeestje ten minste twee gasten weten om welke afwegingen het in de politiek werkelijk gaat. Dat zijn volgens hem dus potentiële partijleden. Klop: “Zo een kwantitatief doel is vergelijkbaar met andere targets die het politieke systeem zich stelt. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de inactieven/actieven-verhouding in de Wet Koppeling met Afwijkingsmogelijkheden, of aan de streefdoelen in het verkeersveiligheidsbeleid.”

Een voorwaarde voor de hogere organisatiegraad is een verandering van het type leiderschap en een herstel van de functies van politieke partijen. Het leiderschap van politieke partijen zal, aldus Klop, moeten bestaan uit 'transformational leadership'. Het gaat daarbij om substantiële in plaats van procedurele doelstellingen. “Kiezers en leden zullen geworven moeten worden op basis van de waarden die de partij centraal stelt in het politieke leven.”

Interessant, vooral in het licht van de waarschuwingen van Ankersmit, is de reeks aanbevelingen die Klop doet om partijen weer een zinvolle functie te geven. Zodra het gaat om maatschappelijke besluitvormingsprocessen waar de overheid aan te pas komt, moeten politieke partijen een centrale rol spelen, meent hij. Actiegroepen die bezuinigingen op collectieve arrangementen bestrijden, moeten niet met een beetje “toegeeflijkheid worden geapaiseerd” door de minister of het openbaar bestuur, maar “keihard doorverwezen naar de politieke partijen”. Iets dergelijks bepleit Klop voor inspraakprocedures die volgens hem vaak uitmonden in beslissingen van politieke fracties in de Tweede Kamer en hun ministers.

Klop meent dat het meer voor de hand ligt inspraak uit de bestuurlijke sfeer te halen en onder te brengen bij de politieke partijen. Voorts zou volgens hem kritisch gekeken moeten worden naar de bestaande rechtsbescherming. Want de burger hoeft zich niet meer in zijn politieke partij zorgen te maken over het gemeentelijk bestemmingsplan, maar “wacht gewoon af tot zijn overbuurman gaat bouwen en dient dan een bezwaarschrift in”. Functieherstel voor de politieke partijen dus. Klop: “Zij mogen dat niet welwillend overlaten aan anderen, want uiteindelijk komen zowel de burger als de partij op de blaren te zitten van een verkokerde en dus slechts functionerende democratie.”

Verantwoordelijkheid

De vraag bij de oplossing van Klop blijft natuurlijk wat in het huidige geïndividualiseerde tijdsgewricht voor de burger het meest profijtelijk is. Indirecte en onvoorspelbare invloed via een partij, of de gok van directe invloed op het bestuur via actiegroep of inspraakprocedure. Klop appelleert aan het verantwoordelijkheidsgevoel en wil dat met zijn functieherstel voor partijen dwingend opleggen. Maar kan dat nog? Moeten de huidige ontwikkelingen waarbij mensen kiezen voor het rechtstreeks zaken doen met de juiste mensen op de juiste plek, niet als gegeven worden geaccepteerd?

Ja, zeggen de de PvdA-wetenschappers Mark Bovens, Wim Derksen, Willem Witteveen, Frans Becker en Paul Kalma in het door henzelf als 'pamflet' aangeduide boekwerkje De verplaatsing van de politiek. Zij redeneren precies de andere kant op als Klop. Net als hun CDA-collega bepleiten zij een opvoering van de “normatieve en ideologische pretenties” van de politiek. Maar waar Klop het takenpakket van de politieke partijen als voertuigen van de besluitvorming wil uitbreiden, hebben de PvdA-denkers het juist over een bescheiden rol van de politiek als het gaat om de vormgeving van het algemeen belang. Want, zo schrijven zij, “politiek is niet meer de Grote Probleem Oplosser, maar stimuleert met zachte en desnoods met minder zachte hand, het probleemoplossend vermogen van de maatschappij”. Indien de politiek zich verplaatst van de traditionele instituties naar andere arena's, dan dienen het maatschappelijk debat en de vraag om publieke rekenschap mee te verhuizen, is de centrale stelling in hun geschrift. Het is een interessante verschuiving in het denken over besturingsmechanismen: de PvdA zet een stap opzij en het CDA doet een stap naar voren.

Versplintering

De auteurs van 'De plaats van de politiek' willen veel debat, dat is wel duidelijk: door middel van stadsgesprekken, publieke discussies en nationale (tv)-debatten. Daarnaast opperen zij de mogelijkheid van ronde-tafelgesprekken van politici, belangengroepen, betrokken burgers en deskundigen. Als ander middel noemen zij nog de “informele raadpleging” van burgers via bijvoorbeeld enquêtes, kwaliteits-panels en tweeweg-informatiesystemen.

Wat al deze nu reeds bestaande instrumenten gemeen hebben is de vrijblijvendheid. Dat is zelfs de charme ervan, maar die verdwijnt onmiddellijk als de politiek zich er over gaat ontfermen. En dat zal onherroepelijk het geval zijn als met de geconstateerde verplaatsing van het politieke debat ook de publieke verantwoording op deze wijze verschuift zoals Bovens c.s. voorstellen. Zodra bekend is dat de uitkomst van het debat wordt vastgelegd in een convenant, is het gedaan met de vrijblijvendheid en is belangenstrijd net zo aanwezig als in bijvoorbeeld de gemeenteraad. Er is dan niet zozeer sprake van verplaatsing van de politiek, maar veel meer van versplintering.

Hebben politieke partijen nog toekomst? Weliswaar met behulp van de nodige aanpassingen zien de auteurs van de verschillende boekwerken allemaal op hun manier nog mogelijkheden. Verwonderlijk is dat niet, het gaat immers in veel gevallen om hun eigen toekomst. Daarvoor zijn zij bereid veel overhoop te halen.

Te veel wellicht. En dat terwijl de echte oplossing misschien zo dicht bij ligt. Het was de Leidse politicoloog R. Koole die deze oplossing vorige week tijdens het eerder genoemde symposium over de toekomst van de partijen nog maar eens naar voren bracht. Gaat het niet gewoon om goede mensen en goede ideeën, zo vroeg Koole zich af. Hij zou wel eens gelijk kunnen hebben.

    • Mark Kranenburg