Columbus als kapstok

E.M. JANSSEN PERIO: Een nieuwe wereld. Europese ontdekkingsreizen en renaissance rond 1500

504 blz., geïll., Ambo 1994, ƒ 79,-

Het ligt al weer enige tijd achter ons, maar in 1992 werd herdacht dat 500 jaar geleden Christoffel Columbus Amerika 'ontdekte'. De zondvloed van publikaties bij die gelegenheid heeft de historicus Janssen Perio niet weerhouden nog eens op het onderwerp terug te komen. Het is geen verlate feestrede geworden, want het métier en de tijdgeest staan de hartelijke huldiging van een koloniale verkenner in de weg. Toch is het boek naar eigen zeggen niet voor de wetenschappelijke tribune geschreven, maar voor algemeen gebruik.

In ruim honderd korte stukjes presenteert Janssen Perio voorvallen en figuren die in nauw of ver verband met Columbus gebracht kunnen worden. Dat verband bestaat uit 'de ontdekking van de wereld en de mens', want volgens de opvattingen van Jacob Burckhardt, voorganger en voorbeeld van Janssen Perio, is dat de quintessens van de Renaissance. Zo'n elastische noemer maakt het mogelijk van de wapenfeiten van collega-ontdekkers Vasco da Gama en Cabral over te springen naar de schanddaden van de pauselijke Borgia's, en van de humanistische vermaningen van Erasmus naar de perspectief-oefeningen van Piero della Francesca.

Een omtrekkende beweging is door meer schrijvers gebruikt tot beter begrip van Renaissance-figuren, en met goed recht. Vergeleken met de vaste tred waarmee de middeleeuwers langs de enkele gebaande wegen door het leven gingen, vertonen de zestiende-eeuwers een grote zwerflust, en een brutale nieuwsgierigheid. Het religieuze en feodale verband dat de samenleving tot dan bijeenhield is aan het loslaten, en ook binnen de persoonlijkheid tekenen zich de meest uiteenlopende verlangens en ideeën af.

Verslaggevers zijn dus geneigd geweest politiek en cultuur af te speuren naar alle mogelijke punten waarop zulke complexe persoonlijkheden als Columbus of de duivelskunstenaar Benvenuto Cellini zich georiënteerd kunnen hebben. En zo verschijnt in hun biografieën vaak een draaitoneel waarop tientallen personages en scènes de ronde doen. De auteurs nemen maar aan dat elk tafereel licht werpt op een volgend, maar het risico bestaat dat zonder een strakke regie het publiek alleen aangenaam duizelt bij het voorbijtrekken van de sensationele plaatjes. Want hoerenballetten in het Vaticaan en Indianenverhalen uit de West vormen hoe dan ook prettige lectuur.

Las Casas

Nu mankeert het Janssen Perio niet aan teneur, of zelfs tendens. De schrijver, die zijn afkeer van modieuze stromingen in de geschiedschrijving niet onder stoelen of banken steekt, sluit zich zonder voorbehoud aan bij de moderne anti-koloniale school. Hoewel bekend met het bestaan van de 'zwarte legende' - de lastercampagne van protestantse zijde tegen de Spanjaarden - onderschrijft hij onverkort de bloedige voorstelling van zaken die in dat kamp over het koloniale optreden van de Spanjaarden bestond. De voornaamste bron voor die aantijgingen was, en ís, het werk van de Mexicaanse bisschop Bartolomé de Las Casas, kort na het begin van de opstand der Nederlanden tegen Spanje vertaald als Seer cort Verhael van de destructie van d'Indien (1578).

Vreemd genoeg vermeldt Janssen Perio wel de recente kritiek van de amerikanisten Slicher van Bath en Ouweneel op deze partijdige weergave, net als het bestaan van de zwarte legende, maar verdisconteert hij haar niet in zijn argumentatie. Zijn bewondering voor de protestantse zaak is navenant. Tot twee maal verklaart hij dat in de vrome gezindheid van de Nederlanden de verklaring gezocht moet worden voor hun zelfopoffering, die ook de marteldood omwille van het geloof niet schuwde. Een hervormde schoolmeester had het de schrijver niet verbeterd.

Het boek spreidt bovendien een gratuite verontwaardiging over de vervolging van de joden en moren na de val van Granada in 1492 ten toon. Ook hier gaat het om een gram die al in vele toonaarden is uitgedragen (de schrijver had er Het mysterie van Spanje van de door hem zo bewonderde hispanist Johan Brouwer maar voor hoeven opslaan), en die bij het ontbreken van voldoende uitleg een indruk van noordelijke eigendunk wekt. Janssen Perio laat overigens wijselijk in het midden hoeveel hij gelooft van Simon Wiesenthals bewering dat Columbus een jood was, en dat de reis van 1492 naar een nieuw Beloofd Land ging.

De repeterende wrok over de lotgevallen van de Indianen en de joden is niet voldoende om de fragmentarische mise-en-scène lijn te verschaffen, en de 'leringh' bedraagt weinig meer dan de platitude dat het lang niet altijd een pretje is om tijdgenoot van een groot ontdekker te zijn.

Een goede redactie had een aantal fouten uit Een nieuwe wereld kunnen halen ('spaars', een contaminatie van schaars en spaarzaam, blz. 440), had het verwisselen van de oost- en westkust van Afrika weten te corrigeren (blz. 213), en had Shakespeare 'Romeo and Juliet' laten schrijven in plaats van Julia. De Noordafrikaanse stad Ceuta ligt níet tegenover Granada, en de suggestie die in een noot wordt gedaan dat de Nederlanders Japan pas bereikten na de 'openlegging' in de negentiende eeuw is onjuist. De stijl schommelt tussen familiair en plechtstatig ('nauwkeurigheid dan wel exactheid', blz. 61). Maar de verdienste blijft dat het boek een collectie sterke verhalen en mooie plaatjes biedt, die een soort intuïtie van het tijdvak prikkelen.