Catalogus als visitekaartje

De oudste universiteitsbibliotheek van de Noordelijke Nederlanden, die van Leiden, bestaat vierhonderd jaar. Bij de opening verscheen een catalogus met de naam Nomenclator. Een expositie en een facsimile-uitgave van die uitgave herdenken deze geleerde gebeurtenis.

Petrus Bertius: Nomenclator, the first printed catalogue of Leiden University Library (1595), 146 blz., ƒ 35.- Te bestellen bij de UB Leiden, dr. J.J. Witkam, tel: 071-272868. De begeleidende tentoonstelling 'De eerste jaren van de Leidse Universiteitsbibliotheek' duurt t/m 30 augustus. Adres: Witte Singel 27 Leiden.

Als beloning voor het trotseren van de Spanjaarden kreeg Leiden in 1575, een jaar na het ontzet, als eerste stad in de Noordelijke Nederlanden een universiteit. Dat was een politieke daad: aangezien Leuven geen protestantse theologen opleidde wilden de Staten van Holland een voorziening op eigen bodem. Tegelijk hoopten ze met de Leidse universiteit, die naast theologie ook andere faculteiten plaats bood, aan de weg te timmeren. In die opzet paste het aantrekken van de klassiek filoloog Scaliger, een van de grootste geleerden uit de renaissance.

Geen universiteit zonder bibliotheek. Bij de stichting had Willem van Oranje de sleutelstad een polyglotbijbel, de Biblia regia, cadeau gedaan (nog altijd te raadplegen) en om de collectie op te bouwen werd in een 'Sleutelordonnantie' uit 1587 een eenmalig budget van ƒ 8000,- ter beschikking gesteld, naar huidige maatstaven bijna een miljoen gulden. Daarnaast waren er legaten van stadsbestuurders en schenkingen van particulieren en het besef drong door dat het hoog tijd werd het academische boekenbezit in een bibliotheek te ordenen, ook al omdat de geleerden anders maar met de boeken thuis gingen zitten en er nooit een fatsoenlijke collectie van de grond zou komen.

Op 24 mei 1595 werd een nieuwe universiteitsbibliotheek in gebruik genomen: de hal van de Begijnkerk aan het Rapenburg, schuin tegenover het Academiegebouw. Bij die gelegenheid werd de Nomenclator gepresenteeerd, de eerste gedrukte catalogus van een Europese instituutsbibliotheek. Vierhonderd jaar na deze public-relations stunt is van dit boekje nu een facsimile-editie verschenen, uitgegeven door de Leidse universiteitsbibliotheek en met een inleiding door R.Breugelmans en een personenindex door J.J. Witkam. Beiden zijn als conservator (Westerse gedrukte werken respectievelijk Oosterse collecties) aan de huidige UB verbonden.

De originele Nomenclator verscheen in een oplage van 625 exemplaren. Voor het functioneren van de bibliotheek was hij niet van belang. Witkam: “Om de boeken te vinden was geen gedrukte catalogus nodig. Het ging maar om 338 titels, waaronder zes handschriften. De Nomenclator diende een ander doel: hij werd als visitekaartje naar alle windstreken gestuurd om te laten zien: dit zijn wij, de Leidse Universiteit, hier kun je studeren, hier bevindt zich een grote openbare boekverzameling die alle onderwerpen omvat en die voor het geleerde publiek beschikbaar is.”

Prestige was geen slechte zaak voor een land dat nog altijd in oorlog verkeerde.Tegelijk moedigde de catalogus door het vermelden van personen die de Leidse bibliotheek boeken cadeau hadden gedaan andere geletterde burgers aan eenzelfde sponsormentaliteit aan de dag te leggen. Daarbij moet bedacht worden dat tot ver in de zeventiende eeuw menig geleerde thuis meer boeken had staan dan in de hele universiteitsbibliotheek aanwezig waren.

De Nomenclator is samengesteld door de theoloog Petrus Bertius, auteur van tientallen werken. Hij nam als bibliothecaris - destijds een baantje voor een hoogleraar - de honneurs waar van Janus Doeza, die op studie- en acquisitiereis in het buitenland vertoefde. In zijn voorwoord betreurt Bertius het verlies van zovele geschriften uit de Oudheid en over de gebrekkige aandacht die het overgebleven materiaal krijgt. Witkam: 'De bibliothecaris liet pas aangeschafte boeken in een speciale perkamenten band steken, voorzag platten en titelbladen van het Minerva-stempel, met in een boog het wapen van Leiden en Holland, en ook bracht hij de letters ACAD LVGD aan, ook op de snede. Auteursnaam en titel werden in inkt op de ruggen geschreven en een ex libris vermeldde soms de aanschafprijs.'

Boeken zijn er om geraadpleegd te worden. In de Leidse UB stonden ze in open kasten, de plutei. Die kasten werden aangeduid met letters, iedere faculteit zijn eigen schrift: Hebreeuws voor theologie, Romeinse kapitalen voor rechten, Romeins onderkast voor geneeskunde, cursief onderkast voor geschiedenis, Grieks voor filosofie, civilité kapitalen (Gothisch cursief) voor wiskunde en vet onderkast voor letteren. De volgorde waarin de boeken in de kasten stonden kwam overeen met de nummering in de Nomenclator. Het ruimst in de boeken zat theologie: 158 banden, onderverdeeld in bijbels, commentaren (in de volgorde van de bijbelboeken), kerkvaders en andere primaire auteurs en als laatste secundaire auteurs. Wiskunde was hekkesluiter met 15 banden.

De boeken stonden op hun kop in de kasten, de rug naar voren. Uitgeleend werd er niet. Dat kon ook moeilijk: in de onderzijde van de ruggen zaten lipjes geklonken met daaraan koperen kettingen (tegen roest) die via een ring aan een horizontale stang vastzaten. De gebruiker kon niet meer dan een boek uit de kast kantelen en op een schuine lezenaar leggen, om vervolgens aantekeningen te maken of de inhoud te memoriseren. Witkam: “Er zijn in de huidige collectie van de UB Leiden nog twee of drie stukken aanwezig waar de originele ketting nog aan vast zit. Natuurlijk waren die lipjes slecht voor de rug maar in die tijd had men nog geen idee van conservering of preservering. Als een band stuk was dan werd die eraf gehaald en vervangen door een nieuwe. Kort na 1650 zijn de kettingen afgeschaft.”

Er waren in de Begijnkerk ook ongeketende boeken, zoals die uit het legaat Scaliger van 1609. Deze geleerde liet zijn complete handschriftencollectie met unieke oriëntalia aan de bibliotheek na, terwijl een deel van zijn boekenbezit op een veiling werd gekocht. Er zaten schitterende uitgaven tussen.Op de kleine, fraaie tentoonstelling die in de UB Leiden ter gelegenheid van het uitbrengen van de facsimile-uitgave is ingericht is het legaat Scaliger dan ook ruim vertegenwoordigd. Zo ligt er een door Tycho Brahe,hofastronoom te Praag, persoonlijk gebonden luxe editie van zijn Astronomae Instauratae Mechanica uit 1598, voorzien van een opdracht aan Scaliger. Verder een zeldzaam handschrift op palmblad uit Java, door een koopman op de eerste Indië-reis van Cornelus Houtman meegenomen en door hem na lichte dwang aan de UB geschonken. Niemand in Leiden kon dat overigens lezen en een kritische editie verscheen pas in 1881. Uit de Nomenclator is onder andere aanwezig een zesdelig werk over Romeins recht van Bartholus van Saxoferrato, uitgegeven in Lyon in 1581. Er was 32 gulden voor betaaald - ook toen kostten geleerde boeken een vermogen.