Bernard Hinault (1978-'79, 1981-'82, 1985); De Das durfde zijn tanden ook in de klassiekers te laten zien

LUIK, 1 JULI. Als hij die aprildag door de ontvangstruimte bij Luik-Bastenaken-Luik loopt, schudt hij bijna alle aanwezigen een hand. Bernard Hinault (40) is nog altijd een populaire verschijning in de wielerwereld. In het iets te krappe groene colbert van zijn nieuwe werkgever, de Societé du Tour de France, oogt hij kleiner dan op de fiets. Als renner was hij snel aangebrand maar zeer gerespecteerd. Als pr-medewerker van de Tour is hij een vriendelijke en niet al te belangrijke kracht. Le Blaireau of De Das laat zijn tanden nog regelmatig zien, maar de verbeten trek heeft plaats gemaakt voor een gulle lach.

Hinault was een dragende figuur. Onder zijn leiding hielden de deelnemers een langzaam-aan-actie, werden voortvluchtige renners al dan niet teruggehaald en besloot zijn Colombiaanse rivaal Luis Herrera zich terug te laten zakken om de vermoeide Fransman een handje te helpen. Meestal reed hij op kop, nooit liet hij merken dat de gewenste vorm ontbrak. Hij camoufleerde een mindere dag door juist dan de aanval te kiezen. Hinault was de patron van het peloton.

In 1977 maakte het grote publiek voor het eerst kennis met het Bretonse talent. Frankrijk had een nieuwe Anquetil. In overleg met zijn ploegleider Cyrille Guimard besloot Hinault de Ronde van Frankrijk nog niet te rijden. “Ons grote doel was om de Tour meteen te winnen, net als Anquetil in '57. Ik reed in '77 al een aardig zwaar programma. Guimard vond dat de Tour op dat moment te veel van het goede zou zijn geweest. Ik was lang niet zeker dat ik toen al zou winnen. Je moet niet vergeten dat ik pas 22 jaar was.”

De ploegleider kreeg gelijk. Hinault zegevierde in '78 en '79 en leek het daaropvolgende jaar op weg naar de derde overwinning, tot hij bij een vlucht op de Noordfranse kasseien zijn knie overbelastte en een paar dagen later moest afstappen. Joop Zoetemelk kon door Hinaults kwetsuur de Ronde op zijn naam schrijven, hoewel de Fransman zich vijftien jaar later beleefd afvraagt of hij de Nederlander wel had kunnen verslaan.

In de twee daaropvolgende jaren was hij wederom de sterkste ronderenner van Frankrijk, maar de krachtsinspanningen hadden inmiddels hun tol geëist. Volgens sommige wieler-insiders had zijn knieblessure alles te maken met het zware verzet dat Hinault hanteerde, maar zelf ontkent hij deze oorzaak. “Mijn lichaam was daar goed tegen bestand.” In '83 bleef hij geblesseerd aan de kant, in '84 verloor hij eervol maar kansloos van zijn jonge landgenoot Laurent Fignon.

Pas in 1985 benaderde Hinault zijn oude vorm en won hij La Grande Boucle voor de vijfde keer. Een jaar later nam hij op 31-jarige leeftijd afscheid van de wielersport, zoals hij als aankomende kampioen al had voorspeld. Hij had op de televisie de teloorgang van Eddy Merckx aandachtig bekeken. “Merckx reed op zijn 34ste niet meer zo goed als daarvoor. Ik wilde zo'n terugval voor zijn.”

Z'n laatste Tour in 1986 was geruchtmakend. Na de overwinning van Hinault in het voorgaande jaar moest de Fransman dit keer zijn jonge ploeggenoot Greg Lemond aan de eindzege helpen. Als dank voor de geweldige steun die de Amerikaan in '85 had verleend. Maar de meesterknecht had geen vrede met die ondergeschikte positie. Het was in strijd met zijn winnaarsmentaliteit. Hij werkte Lemond zelfs tegen.

Bovendien duldde het chauvinistische Franse publiek geen bijrol van hun grote held. Hij reed Lemond meer in de wielen dan uit de wind. Om de inmiddels hoog opgelopen ruzie te verdoezelen, liet ploegleider Paul Köchli beide coureurs hand in hand de streep passeren in Alpe d'Huez. Maar natuurlijk drukte Hinault zijn voorwiel net iets eerder over de finishlijn. “C'était un grand plaisir.”

Negen jaar later legt de hoofdfiguur alle schuld naast zich neer. “Als men oorlog wil, dan krijgt men oorlog. Als hij openlijk had gezegd dat hij de Tour wilde winnen, oké. Dan hadden we strijd geleverd. We hadden in '85 afgesproken dat hij in dienst van mij zou rijden. Als er in '86 een bataille was geweest tussen ons, dan had hij niet gewonnen.”

Hinault was een strijdlustige renner, die altijd en overal de aanval koos. Wat vindt hij van de meer berekende rijstijl van de huidige wielergeneratie? “De Tour heeft behoefte aan een kapitein, aan een grand seigneur. Merckx en ik wonnen niet alleen tijdritten, ook bergetappes. Tegenwoordig wordt de Tour beslist in de tijdritten. Er is geen held meer, geen coureur die de wetten voorschrijft. Ze blijven schouder aan schouder zitten. Indurain toont helaas niet zijn ware kracht. Hij wint twee grote tijdritten en verder houdt hij zich rustig.”

“Als men Indurain kwijt wil raken, moet iedereen tegen Indurain rijden. En ieder moet om de beurt aanvallen. Als iedereen naar elkaar blijft kijken, raakt hij nooit in de problemen. Ik heb nooit begrepen dat Rominger twee jaar geleden niet méér geprobeerd heeft. Hij was een groot deel van de Tour sterker dan Indurain, maar hij vergat te winnen. In de bergen reed hij steeds op kop met Indurain aan zijn wiel. Om te winnen had hij zich moeten laten terugvallen en vervolgens moeten aanvallen. Chiappucci en Bugno hadden ook moeten aanvallen. Dan was Indurain verplicht geweest te werken, dan had hij de Tour verloren.”

“Vorig jaar was Rominger ziek en toen zal hij zich hebben afgevraagd waarom hij in '93 niet anders heeft gekoerst. Rominger verloor toen zijn mooiste kans om de Tour te winnen. Nu is hij 34, weer een jaartje ouder. Vergeleken met jongeren als Bobrik en Berzin is hij toch in het nadeel. Die twee Russen moet je niet onderschatten. Jalabert? Nee, die kan de Tour nooit winnen. Hij komt tekort in de grote tijdritten en in de hoge bergen. Hij komt tekort tegen de rouleurs. Jalabert heeft er geen lichaam voor. Impossible.”

Een andere Franse hoop in bange dagen is Richard Virenque, die vorig jaar de chauvinistische Fransen in extase bracht met zijn aanvallende rijstijl en zijn vijfde plaats in de eindrangschikking. Hinault is gedecideerd. “Hij kan niet tijdrijden. Hij zou tien minuten moeten pakken in de bergen op Indurain en dat is onmogelijk. De tijden van Bahamontes en Gaul zijn voorbij. Die grootheden gingen op de trappers staan en tjak, weg waren ze. Maar renners die in de bergen zomaar konden wegspringen, ze zijn er niet meer. Dat is niet jammer, dat is de wet van het wielrennen. Het is het gevolg van de fysieke kwaliteiten. Heel misschien kan Pantani wat proberen, als Rominger en Indurain elkaar beloeren, op elkaar wachten. Dan kan hij misschien toeslaan.

“De klimmers worden door het hoge tempo op het vlakke gedeelte zo moe gemaakt, dat ze bergop minder explosief zijn. Om de Tour te winnen moet je een complete renner zijn. Dan moet je kunnen tijdrijden, kunnen klimmen en meekunnen op het vlakke. Ik zou het een slecht idee vinden om de tijdritten af te schaffen. Oké, ik vind wel dat er een tijdrit bergop inhoort. Om de klimmers een plezier te doen.”

Hoewel Hinault zijn opvolger Indurain gebrek aan aanvalslust verwijt, heeft hij alle begrip voor de specifieke voorbereiding van de Spanjaard. Indurain richt zich elk seizoen op de Ronde van Frankrijk en beschouwt de andere wedstrijden als een trainingsrit. “Indurain is niet lui. Als zijn sponsors hem niet verplichten veel te rijden, dan heeft hij gelijk. Zijn baas is al content als hij de Tour wint. Maar het is wel jammer voor de wielersport. En slecht voor zijn imago. Ik liet mijn kop in de klassiekers zien, omdat mijn sponsors dat eisten. En daar ben ik niet slechter van geworden. Ik ben trots op wat ik allemaal heb kunnen laten zien.”

Net als Anquetil, Merckx en Indurain legde Hinault de basis voor zijn succes in de tijdrit. Op de vraag wie volgens Hinault de grootste kampioen was, hoeft hij maar heel kort na te denken. “Merckx was de grootste aller tijden. Hij won de tijdritten, hij won de bergritten, hij kon een sprint winnen, hij won overal. Merckx was een absolute winnaar. Ik was minder compleet.”

Een andere coureur die hij altijd heeft bewonderd is Sergej Soekoroetsjenko, bijgenaamd Soeko. De Rus won in '78 en '79 met groot gemak de Tour de l'Avenir en in '79 en '84 de zware Vredeskoers. Maar als toenmalig staatsamateur mocht Soeko niet deelnemen aan de Tour de France. Hinault: “Il était un grand seigneur du vélo. Als de Russen in mijn tijd hadden meegedaan, zou ik de Tour nooit vijf keer hebben gewonnen.” Hij lacht, misschien wel om zijn valse bescheidenheid.

Als veelvoudig miljonair gaat het Hinault voor de wind. Hij is hereboer in Bretagne, waar dertig koeien voor een extra zakcentje zorgen. In de Tour leidt hij hoge gasten rond. Zijn functie als technisch adviseur heeft hij moeten inleveren, omdat hij niet zo goed kon organiseren. Maar Hinault ontkent de kritiek op zijn vroegere functioneren.

“Mijn technische kennis hebben ze niet meer nodig. Met Jean-Marie Leblanc hebben ze een oud-coureur als directeur. Hij is kundig genoeg. Leblanc heeft de Tour weer beschermd tegen negatieve invloeden. Natuurlijk is de Tour veranderd, veel commerciëler geworden. Maar Leblanc heeft het allemaal goed in de hand, maakt u zich daarover maar geen zorgen.”