Avonturen ter zee (1)

In de zomer van 1982 of '83 verschenen Frits Müller en ik met onze plunjezakken aan de Borneokade in Amsterdam om ons in te schepen op het motorschip Sirius, een voormalig vaartuig van de kustwacht zoals nog te zien was aan een versteviging in het dek, de plaats waar destijds het kanon had gestaan. De Sirius hoorde nu tot de vloot van Greenpeace. Wij, een tekenaar en een journalist, zouden tot de opvarenden horen, niet om actie te voeren maar om van de eventuele vijandelijkheden tegen vervuilers een objectief verslag uit te brengen. We meldden ons bij de kapitein, Willem van Beek, een zachtaardige man van midden in de dertig, afgestudeerd aan de zeevaartschool en als hij geen kapitein was, klusjesman. Een opvarende bracht ons naar onze kooien, wees ons alle gemakken en ging zijns weegs.

Voorzover ik me kan herinneren duurde het toen niet lang meer voor de trossen werden losgemaakt en het schip door het Noordzeekanaal naar IJmuiden voer. De Hembrug stond er nog, voorgoed geopend, een groot brok roestig ijzer, te wachten op de slopers. Intussen hadden we kennis gemaakt met andere bemanningsleden. Die eerste dag werden we met beleefde achterdocht behandeld, niet als land-rotten maar omdat we afkomstig waren uit de gevestigde orde van de consumptiemaatschappij. Toen we een uurtje op volle zee hadden gevaren ging de motor kapot en onderwierp de zee het nog geen duizend ton metende scheepje aan een rustige slingering. Links lag de gele streep van Hollands kust, aan de andere kant en achter ons klonk het verre dreunen van grauwe supertankers, boven ons krijsten de meeuwen, de avond viel, we stonden aan de railing, gedompeld in een maritieme vrede.

De volgende ochtend voer de Sirius het Kanaal binnen. Het was intussen gaan waaien, windkracht vijf of zes, flinke golven met schuimkoppen, een blauwe hemel met stapelwolken en nog steeds, nu links en rechts de tankers en containerschepen, wit besnord, grommend, onverzettelijk. Hun olifantsgrijze rompen waren hier en daar met oranje menie bewerkt; roestige Panamezen en Liberianen droegen weer andere schakeringen in bruin en zwart en verder was de wereld blauw en wit. Was ik maar zeeschilder, dacht ik.

Intussen was de aanvankelijke achterdocht van de bemanning verdwenen, ik was vertrouwd geraakt met het complex van gangen en trappen en durfde een kijkje op de brug te nemen. De radio stond aan, afgestemd op een Britse popzender die van tijd tot tijd de files op de Britse snelwegen meldde. Daar zaten die mensen in hun vastgelopen blik, en ik stond aan dek met de wijdste wereld om me heen. Waar had ik het aan verdiend.

Laat in de middag meerden we af in Le Havre, geboorteplaats van Sartre en het voorlopig doel van de reis. In de Seinebaai verschenen iedere week een paar vierduizend ton metende onderlossers vol afval van het concern La Roche om hun lading in zee los te laten. De techniek daarbij is dat de bodem van het ruim zich over de volle lengte opent. Dat was al jaren zo doorgegaan, de visstand was aangetast en de vissen zelf ook: misvormd, met bulten, kromme ruggegraat, ziekelijke kleuren, onverkoopbaar. Protest van de talrijke vissers in de Normandische havens had niet geholpen.

Het had de aandacht van Greenpeace getrokken en zodoende lagen we nu met de Sirius daar aan de kade. Er kwamen een paar Fransen aan boord die La Roche hadden bestudeerd en alles wisten van de plaatselijke diepten en zeestromingen. De motoren van de rubberboten draaiden proef, zwemvesten werden nagekeken, het was te merken dat het vlug menens zou worden.

Eerst natuurlijk de verkenningen. Bij het krieken van de ochtend gingen we in de rubberboten, trokken een schuimspoor door de haven, bereikten open water, voeren kriskras en eindelijk: daar verscheen in de monding het silhouet van een zware scheepsromp dat door een Franse expert werd herkend. De onderlossers waren in aantocht, het hinderplan trad in werking. Wat daar allemaal aan vast zat sla ik nu over. Er was een demonstratie ter zee van Franse vissers, Frits Müller verfde spandoeken met teksten van protest, scheepstoeters loeiden, maar onverstoorbaar vervolgden de onderlossers hun weg naar de losplaats. Algemeen was men van mening dat er andere maatregelen moesten worden genomen.

De stuurman van de Sirius heette Ed Engel - een vrolijke man, begin veertig en voor geen kleintje vervaard. Het leek hem het beste als we een van de onderlossers zouden enteren. Zo gezegd zo gedaan. De Sirius koerste parallel aan de vijand, steeds dichter bij, zware autobanden en stootkussens werden aan de scheepswand gehangen, en toen - er was misschien nog een halve meter tussenruimte - werd er vastgemaakt. Dat staat hier eenvoudiger opgeschreven dan het toen in zijn werk ging. Meters hoog zwalpten de golven tussen de schepen, de manillatrossen kraakten, het rubber van de zware tractorbanden werd samengeperst tot de dikte van een zakbijbel.

En daar gebeurde het: een bemanningslid van de Sirius sprong aan boord van de onderlosser - en hoewel ik me voor een bescheiden mens houd, gebiedt de eerlijkheid me te zeggen dat ik meteen zijn voorbeeld heb gevolgd. Ik stond op het vijandelijk dek en ik dacht: zo, dat is dus enteren. Het was een eigenaardig gevoel. Het hoorde niet, zomaar op een ander schip springen, maar achteraf vind je in de vaderlandse geschiedenis je rechtvaardiging. De Fransen hadden zich teruggetrokken op de brug, in de stuurmanshut, achter glas, en keken verbaasd naar wat zich op hun dek afspeelde. Ik denk nu dat ze ons voor gek versleten hebben.

De eigenlijke actievoerders voegden zich nu bij ons. Eeuwig respect voor wat ze deden. Ze hadden duikerpakken aan en sprongen in de gifmodder om zo het lossen te verhinderen. De Fransen, niet minder hard, openden de losluiken op een betrekkelijke kier zodat de lading langzaam wegliep zonder dat de actievoerders door de zee werden verzwolgen. Tenslotte, na uren en uren, zaten ze op de bodem van het lege ruim. Daarmee was dit deel van de actie afgelopen. Ze werden uit hun benarde positie gehesen - hoe goed is zo'n woord, benard, als het eens op de goede plaats staat - en de Sirius voer naar de haven, van Saint Malo als ik het wel heb.

De Franse justitie heeft het er niet bij laten zitten. Het schip is aan de ketting gelegd, kapitein Willem van Beek werd gearresteerd en veroordeeld. Hij heeft nog een poosje in de gevangenis gezeten. Niet alle Franse vissers waren even ingenomen met de actie. Sommigen waren van mening dat op zo'n manier de aandacht werd gevestigd op hun vangsten die, als je niet op het vreemde uiterlijk van sommige vissen lette, nog uitstekend verkoopbaar en misschien ook eetbaar was.