Albert Cuyp kon gemakkelijk thuis blijven; Altijd is het heet, altijd loom

Ze zeggen dat hij nooit uit het noorden weg is geweest. Albert Cuyp (1620-1691) was een honkvaste kunstenaar die van z'n wieg tot z'n graf in Dordrecht woonde en verre reizen aan anderen overliet. Cuyp vond dat er vlak om zich heen genoeg moois te zien was. Daarom schilderde hij, behalve de rijke opdrachtgevers van zijn stad, ook rivieren, moerassig laagland, vee in de wei, schepen op het water. De paar keer dat hij erop uit trok, waagde hij zich niet ver van huis: de kust van Zuid-Holland, de stad Utrecht, of stroomopwaarts de Rijn langs, Gelderland in.

Als typisch Hollands en typisch zeventiende-eeuws wordt Cuyps werk wel omschreven. Zijn landschappen zijn breed en 'open' en hebben van die imposante wolkenluchten die we ook van Ruysdael en Van Goyen kennen. Maar grijs en grauw, mistig, regenachtig en somber? Dat zijn Cuyps schilderijen - zijn latere 'rijpe' althans - nooit. De lucht is er blauw. Koeien, paarden, een bootje op een rivier, de contouren van een stad in de verte: alles wordt omspoeld door een goudgeel licht. In Cuyps wereld schijnt altijd de zon en is het heet, zo heet dat je alleen al door het kijken ernaar loom wordt.

Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam bezit zo'n riviergezicht waar de hitte vanaf zindert. Het is gemaakt in het midden van de jaren vijftig, na Cuyps reisje langs de Rijn, en toont een rivier met een zeilboot, koeien die hun dorst lessen in het water, een stadje links in de verte, en rechts een steile en donker beschaduwde bergrug, een reminiscentie waarschijnlijk aan de buitenlands aandoende heuvelruggetjes die Cuyp in de omgeving van Nijmegen en Arnhem aantrof.

In dit schilderij is het bovenste deel van de hemel blauw, met van die plukjes sluierwolken die in de loop van de dag nog zullen oplossen. Hoe meer je echter naar beneden afdaalt, naar het water toe, hoe geler Cuyps palet wordt. Die citroengele kleur, zegt men, heeft Cuyp afgekeken van Hollandse italianisanten zoals Jan Both, die wel de Alpen over reisde en vijf jaar in Italië bleef.

Maar sinds gisteren geloof ik dat niet meer. Rond een uur of elf 's morgens reed ik bij Culemborg de brug over de Lek over en daar zag ik Cuyps schilderij in de rivier staan. Een clubje bontgevlekte koeien, de meeste met hun hoeven nog droog op het zand. Maar de twee doortastendste hadden zich al in het water gewaagd. Dat kan nog in de Lek - die stroomopwaarts Nederrijn heet - want daar loopt het land nog naadloos over in het water. Er is geen beschoeiing, geen hoge oevers, geen stenen, helemaal niks.

De late, gele ochtenzon had al een fijn laagje waterdamp over de rivier gelegd. De zwart-bonte koe stond tot haar enkels in het water, de bruingekleurde tot haar buik. Allebei hadden ze hun kop stroomafwaarts gekeerd, zodat geen water in hun oog kon spetteren. Zo stonden ze onder het toeziend oog van de rest van de kudde te genieten. De zon scheen warm op het vel van hun rug en hun flanken, het water klotste fris tegen hun poten.

Nee, Cuyp hoefde helemaal niet naar Italië te reizen om zijn zuidelijke riviergezichten te schilderen. Dat zag ik meteen. Die dromende koeien bewezen heel simpel dat het ook in Nederland Italië kan zijn.

    • Lucette ter Borg