Afrika; Bejaardenclub voor ondemocratische leiders

NAIROBI, 1 JULI. Salim Ahmed Salim is het eindeloze en oeverloze geleuter binnen de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) beu. De Tanzaniaanse secretaris-generaal van de OAE wil de organisatie omvormen van een praatclub voor staatshoofden tot een organisatie met politieke bevoegdheden om in te grijpen in de aangelegendheden van lidstaten. Hij doet de panafrikaanse idealen die in 1963 de grondslag vormden voor de oprichting van de OAE herleven.

OAE-topconferenties behoren tot de meest slaapverwekkende evenementen van het jaar. De vergadering zijn een pijnlijk vertoon van de arrogantie van de macht in Afrika: presidenten houden saaie en voorspelbare redes waarin ze bovenal zichzelf en hun collega's prijzen. Discussies over ontwikkelingsstrategieën, economisch en politiek beleid leiden tot niets, want de lidstaten wijzen iedere invloed van de OAE op hun nationale beleid af. Speciale OAE-commissies, zoals die voor de mensenrechten, kunnen geen tanden laten zien want het ontbreekt hun aan bevoegdheden om in de lidstaten onafhankelijk schendingen te onderzoeken. Zo kreeg de OAE in Afrika het aanzien van een bejaardenclub voor ondemocratische leiders, een vakbond van staatshoofden.

Slechts enkele kleurrijke staatshoofden of driftige jonge presidenten konden de afgelopen jaren waarnemers en journalisten op OAE-bijeenkomsten nog uit hun slaap houden. De Libische leider Gaddafi bijvoorbeeld. Hij zorgde voor een spektakel wanneer hij zich met zijn groep vrouwelijke lijfwachten toegang tot de conferentieruimte probeerde te verschaffen. Veiligheidsagenten van het gastland weigerden de gewapende dames de toegang waarna deze steevast met hen op de vuist gingen. Sinds de excentrieke Gaddafi in 1982 het OAE-lidmaatschap werd ontzegd is hij de vergaderingen gaan boycotten en moet de OAE het zonder zijn folklore stellen.

In 1975 benoemden de staatshoofden de beruchte Oegandese president Idi Amin tot hun OAE-voorzitter en enkele jaren later Mengistu Haile Mariam, 'de Ethiopische Stalin'. Met hun gekeutel op de bijeenkomsten in de Oegandese en Ethiopische hoofdsteden toonden de OAE-lidstaten zich ongevoelig voor de misdaden die zich buiten de vergaderzaal afspeelden. Oeganda was het slachthuis van Afrika geworden en Ethiopië onderscheidde zich door honger en terreur, maar daarover werd met geen woord gerept. Toen jaren later de verzetsleiders van weleer - de Oegandese president Museveni, de Ethiopische Meles Zenawi en zijn Eritrese collega Issayas Aferworki - na hun kostbare militaire zeges eindelijk het spreekgestoelte mochten beklimmen op een OAE-top, spuwden zij hun woede over de hypocrisie van de verzamelde staatshoofden. Even was er sprake van vuurwerk.

Van deze nieuwe generatie Afrikaanse leiders moet Salim het hebben wil hij slagen bij zijn pogingen de OAE te hervormen. Zijn hoogste prioriteit vormt de oprichting van een Afrikaanse vredesmacht. Zo'n troepenmacht zou ook wanneer een lidstaat dit niet wenst, zoals nu in Burundi, bevoegdheden moeten hebben in te grijpen. Daarmee wordt het gevoeligste plekje van het traditionele Afrikaanse staatshoofd geraakt: zijn soevereiniteit, of beter zijn alleenheerschappij, komt in gevaar.

De rasdiplomaat Salim weet hoe omzichtig hij moet omgaan met zijn conservatieve staatshoofden. Een jaar na zijn benoeming als OAE-secretaris-generaal in 1989 begon hij hen al voor te bereiden op het idee. Op de top deze week van de OAE in Addis Abeba weigerden de staatshoofden hun goedkeuring te geven aan zijn voorstel voor een OAE-vredesmacht, maar ze beloofden troepen beschikbaar te stellen voor een Afrikaanse vredesmacht met een VN-mandaat. Salim is weer een stapje dichter bij zijn panafrikaanse doel. Vol zelfvertrouwen dreigde hij na de conferentie met eenzijdig militair ingrijpen in de burgeroorlog in Burundi. “Alles dat moet worden gedaan zal worden gedaan om een catastrofe, bloedbaden en genocide zoals in Rwanda te voorkomen”, aldus Salim.

Al sinds de oprichting van de OAE in 1963 zijn de staatshoofden verdeeld over welk karakter de organisatie moet hebben. Een groep onder leiding van de Ghanese leider Kwame Nkrumah wilde de OAE laten uitgroeien tot een continentale regering met een eigen leger. De francofone staatshoofden daarentegen zagen de OAE vooral als praatclub, hun aanhankelijkheid (en afhankelijkheid) lag vooral bij het voormalige koloniale moederland. Nog steeds hechten veel Franstalige landen meer belang aan de francophone topconferenties dan aan een OAE-bijeenkomst.

Onder druk van de omstandigheden zoekt Salim nu een realistische middenweg tussen de verschillende stromingen binnen de OAE. De Afrikaanse naties moeten collectief het lot van Afrika in handen nemen, want het rijke Westen weigert verder iedere verantwoordelijkheid voor het zwarte continent.