Zoek een leuk meisje, zei Lenin; Alan Isler debuteert met een tragikomedie over een joods rusthuis

Alan Isler: De prins van West End Avenue (The Prince of West End Avenue. Uitg. Jonathan Cape, 246 blz, ƒ 33,95.) Ned. vert. Barbara de Lange, Uitg. Balans, 235 blz. Prijs ƒ 34,90.

Een goede roman herken je doorgaans al aan de eerste paar bladzijden. Zo ook De prins van West End Avenue van de Brits-Amerikaanse schrijver Alan Isler. Na een nieuwsgierigmakende openingszin ('De afgelopen weken zijn niet gemakkelijk voor me geweest') stelt de bejaarde verteller zich voor en leidt hij de lezer het verhaal binnen. En voordat we drie bladzijden verder zijn, heeft hij niet alleen genoeg verwikkelingen opgeroepen om een heel boek mee te vullen, maar ook blijk gegeven van een subtiel gevoel voor humor.

Een paar dingen worden meteen duidelijk over Otto Korner, de hoofdpersoon van De prins van West End Avenue. Hij is 83, hij woont in een luxueus joods bejaardentehuis in de Newyorkse Upper West Side en hij speelt mee in een traditionele Shakespeare-produktie. Dit jaar is het Hamlet, vertelt hij; vorig jaar was het Romeo en Julia - een doorslaand succes, zelfs als je in aanmerking neemt dat de 78-jarige hoofdrolspeler op de première al lang voor zijn Liebestod op een brancard van het toneel moest worden gedragen.

Ook de Hamlet van dit jaar - het is 1978 - heeft zo zijn problemen. De regisseur en hoofdrolspeler stikt op een nacht in een suikerklontje en zijn opvolger wil het Deense koningsdrama wat minder aanstootgevend maken voor een orthodox-joods publiek. Zo rijst de vraag of Ophelia een joodse begrafenis moet krijgen, en wordt zelfs overwogen om Claudius in het derde toneel met tallith en tefillin te laten bidden.

Otto Korner ziet de repetities met lede ogen aan. Uiteindelijk, wanneer ook de tweede regisseur een snelle dood is gestorven, zal hij de regie overnemen en Hamlet laten spelen als het drama van de vernederde zoon dat het volgens hem is. Maar vooralsnog heeft hij andere dingen aan zijn hoofd. In het rusthuis is een nieuwe fysiotherapeute komen werken die een reïncarnatie lijkt van zijn grote liefde uit het Zürich van 1916, en tegelijkertijd wordt zijn liefste bezit gestolen: een lovende brief die Rainer Maria Rilke hem schreef toen hij als jong Duits dichter zijn eerste bundel had gepubliceerd. Beide gebeurtenissen rukken de kast van zijn geest open waarin hij naar eigen zeggen het verleden heeft weggeborgen; de inhoud tuimelt eruit, 'onbeheerst en onbeheersbaar'.

'Mijn lichaam is een huls,' schrijft de na de Tweede Wereldoorlog geëmigreerde Korner; 'een lege holte waarin wat rest van mijn leven rondfladdert als een vleermuis met een gebroken vleugel.' Stukje bij beetje wordt duidelijk wàt er in hem rondfladdert: zijn vie de bohème in Zürich tijdens de Eerste Wereldoorlog (waar hij zich bewoog in de revolutionaire kringen van Tristan Tzara en Hugo Ball en en passant de naam Dada bedacht); de frustraties over zijn gefnuikte dichterscarrière; en zijn schuldgevoelens ten opzichte van zijn in Auschwitz vermoorde vrouw en kind.

Korner is een overlevende van Auschwitz, maar De prins van West End Avenue is geen holocaustroman. Over zijn eigen kampervaringen spreekt Korner niet, en aanvankelijk doen alleen kleine aanwijzingen vermoeden welk verleden in nazi-Duitsland hij met zich meedraagt. Tot aan het moment dat Korner zijn laatste geheimen prijsgeeft, leest zijn 'eigen bescheiden poging à la recherche du temps perdu' als een vermakelijk verslag van enerzijds een verleden vol ontmoetingen met beroemdheden ('“Zoek een leuk meisje”, zei Lenin'), en anderzijds een heden dat wordt beheerst door roddels, ziektegeschiedenisssen, gekonkel en paleisrevoluties in een huis vol oude eigenwijze mensen.

Hoewel het verhaal genoeg (onderhuidse) spanning heeft om te blijven boeien, is het vooral de stijl van Alan Isler die de door flashbacks geregeerde memoires van Korner zo bijzonder maakt. Alleen al de droge humor en de melancholieke zelfspot van de ik-figuur hadden de roman kunnen dragen, maar die worden aangevuld met vileine dialogen, krachtige beschrijvingen en cynische, soms liefdevolle karakterschetsen. Over de Dada-voorman Ball schrijft Korner dat hij er 'met zijn pokdalige witte gezicht [uitzag] als een plakje Zwitserse kaas dat fladderde in de wind'. De zieke Hamlet-regisseur rilt 'als kalfspotengelei'. En als Korner de bloedige nasleep van de Eerste Wereldoorlog in Berlijn beschrijft, staat er plotseling, zonder dat je er op verdacht bent: 'Dat waren lichamen daar, menselijke lichamen die hun levensbloed op de kinderhoofdjes naar buiten pompten.'

Zijn scherpe pen en zijn Hamletse twijfels maken Korner, de man die er 'nooit in is geslaagd orde op zaken te stellen in zijn eigen leven', tot de ideale hoofdfiguur van een tragikomedie over het altijd weer opspelend verleden. Wie De prins van West End Avenue leest - in het Engels of in de uitstekende Nederlandse vertaling - zal moeilijk kunnen geloven dat Alan Isler geen routinier in de literatuur is, maar een 61-jarige debutant.