Werkman in opera fragmentarisch

Voorstelling: Ontstaan in grote nood van Jo Willems (libretto) en Gerard Ammerlaan (muziek) door het Noord Nederlands Orkest o.l.v. Roland Kieft m.m.v. Hubert Claessens, Frank van Aken, Irene Maessen, Jannie Pranger en Lucia Meeuwsen. Choreografie: Pieter de Ruiter; Decor: Vincent Sturkenboom, kostuums Aafje Horst; belichting Henk van der Geest; regie Jan Bouws. Gezien: 29/6 Stadsschouwburg Groningen. Herhaling: 2, 6, 8, 9/7.

Nog geen maand na Esmée, de Friese verzetsopera van Jan Blokker en Theo Loevendie waarmee het Holland Festival werd geopend, is er nu Ontstaan in grote nood, een opera over de Groningse drukker/kunstenaar die vijftig jaar geleden in de laatste oorlogsdagen door de Duitsers werd omgebracht. De opera is een onderdeel van een veel uitvoeriger eerbetoon in Groningen aan Werkman, die met zijn 'druksels' een unieke vorm van kunst produceerde.

Ontstaan in grote nood is een opera over een ander soort verzet dan Esmée. In Esmée was sprake van een echte verzetsgroep. Het titelpersonage werd vermoord door vriend en vijand tegelijk, de hele wereld keerde zich tegen haar.

In Ontstaan in grote nood is geen sprake van actief gewapend verzet - Werkmans wapens waren slechts papier en inkt, uitingen van de geest. Zijn makker vraagt zich af waarom ze in de cel zijn beland. 'Zijn wij voor hen echt zo belangrijk?' Het antwoord van Werkman is: 'De drukken die ik vervaardig ademen kennelijk een geest, te eenvoudig en zachtmoedig voor hun brute heerserskoppen.'

Werkmans verzet was van geestelijke aard en Jo Willems' libretto voor Ontstaan in grote nood doet daar recht aan door hem veel tekst te geven. Een handeling is er niet, het enige dat we Werkman - naast het vervaardigen van zijn druksels - zien doen is het omleggen van een fietsketting. 'Klaar, dit karretje rolt als vanzelf.'

Drama, onderlinge confrontaties en conflicten in de conventionele zin zijn geheel afwezig. Het decor is van een smetteloze esthetiek. Werkman sterft aan het slot op abstracte manier: hij zakt ineen voor een rij Duitsers. Alleen de naturalistische scène met een razzia roept beklemming op, maar Werkman staat dan niet op het podium.

De dialogen van Werkman richten zich tot een vriend en - in slechts één scene - tot drie vrouwen. Ze worden aangeduid met 1, 2 en 3 en hebben een complexe maar hoogst onduidelijke functie. Zijn ze Werkmans muzen? Of zijn ze schikgodinnen, Nornen, heksen of de Groningse equivalenten van Wagners Rheintöchter, de Zuiderdiepdochters?

Soms onderling ruziënd becommentariëren ze Werkman en ze zingen Werkmans eulogie: 'Wat had men van jou nou te vrezen, wat verf, wat vormen en kleuren? - Het was een waarheid zwaar te verdragen, die door jouw kunstwerken heen scheen.' Verder is er nog een koor - een van de leden is de plaatselijke muziekrecensent Paul Herruer (tenor).

Verschillende elementen herinneren aan andere opera's: La bohème (het koude atelier onder het schuine raam), de Franse operastijl (gedanste intermezzi, waarvan de thematiek is ontleend aan Werkmans kunst) en Theo Loevendie's Naima (het optreden van improviserende musici en een vrolijk Latijns-Amerikaans orkestje).

Librettist Willems, componist Ammerlaan, decorontwerper Sturkenboom en regisseur Bouws zijn gezamenlijk gekomen tot een merkwaardig hybride soort van opera - zoiets als een geënsceneerde vorm van het muzikaal luisterspel, zoals de radio die in de jaren vijftig en zestig wel produceerde.

Ammerlaan hanteert in zijn muziek voor uitgebreid symfonieorkest en improviserende musici een veelheid aan stijlen en referenties, soms modernistisch (veel slagwerk) en jazzy (quasi-big band) en volksmuziek (accordeon). Hij combineert dat met een aan de serieuze laat twintigste-eeuwse opera ontleend 'Sprechgesang' met kleine intervallen die leiden tot een akelige monotonie. Hubert Claessens (Werkman), Frank van Aken (vriend), en de drie vrouwen Irene Maessen, Jannie Pranger en Lucia Meeuwsen) doen hun best, maar ze weten weinig profiel te geven aan hun rollen.

Een deel van de tekst is goed te verstaan, een ander deel ook helemaal niet. Het draagt allemaal bij tot de constatering dat Ontstaan in grote nood bij gebrek aan een duidelijke visie op Werkman als operapersonage voortdurend aan alle kanten uiteenvalt in losse fragmenten, die bij elkaar geen beeld opleveren waarbij men meeleeft met de lotgevallen van een interessante tragische persoonlijkheid. Het Groningse publiek reageerde na afloop met een langdurig en waarderend applaus.