Vrijdag 30; Kovandijken

Toen hij stierf, in 1978, heette Ko van Dijk in deze krant 'een magisch en onontkoombaar toneeltalent'. Maar zijn roem is snel verbleekt. Voor veel jongere acteurs, die hem niet meer hebben gezien, is zijn naam een werkwoord geworden. Als een regisseur hen aanzet tot iets meer expressie, ligt hen al gauw de tegenwerping 'ja zeg, ik ga daar een beetje staan kovandijken' op de lippen. En vorige week stond nog in de krant te lezen, dat in het Nederlandse toneel van tegenwoordig gelukkig nergens meer wordt geacteerd 'op die ouderwetse, galmende, Ko van Dijk-achtige manier.'

Ouderwets? Galmend?

Ik zal nooit vergeten hoe Ko van Dijk en Paul Steenbergen in 1971 bij de Haagse Comedie de hoofdrollen speelden in Mooi weer vandaag van David Storey. Twee heertjes aan een tafeltje, die manhaftig de schijn van een conversatie op niveau trachtten op te houden. Ze spraken in zinnetjes die op papier weinig te beduiden hebben. 'O jee,' bijvoorbeeld. Of: 'Ja, ja.' En: 'Net wat ik dacht.' Maar door de manier waarop Van Dijk en Steenbergen die twee mannen gestalte gaven - met opperste zelfbeheersing en uiterste sensibiliteit - gingen de woorden een lied zingen waarin hun tragiek meetrilde als een rietpluim in een herfstig briesje.

Ik herinner me Ko van Dijk ook, in datzelfde jaar, als Pancras Duif in Schakels van Heijermans. Hij torende boven de rest van het gezelschap uit, zeker, maar niet door te galmen. Hij was de tragische hoofdpersoon, verwikkeld in een hopeloos gevecht. Hij ademde de adem van die man.

Ko van Dijk kon een kolossaal orgel zijn, die desgewenst alle registers opentrok in een koddige radiostrip als Mimoza of Koek en ei of Biels & Co, of schaamteloos stond te schmieren in een voorstelling die hem verveelde. Hij was ook een onbedaarlijke komediant, die begin jaren zestig in De man, de vrouw, de moord van André Roussin genietend stond te ping-pongen met Mary Dresselhuys als zijn ideale tegenspeelster. Maar toen zij elkaar in 1977 weer troffen in het verstilde Herfst in Riga van A. Arbusow, speelde hij zijn imposante postuur weg en fluisterde het orgel de breekbare tonen die alleen een heel geraffineerd toucher naar boven kan brengen.

De manier waarop hij zich met hart en ziel - en eerder intuïtief dan koel analyserend - uitleverde aan zijn rollen, is na zijn dood afgewezen door een spraakmakende voorhoede die pleitte voor afstand tussen de acteur en diens personage. Ko van Dijk is daarbij, als prominent vertegenwoordiger van de vorige stroming, een onverdiend etiket opgeplakt. De ongekende expressie in zijn stem en zijn talent voor robuust komediantenspel is verward met het flamboyante misbaar van veel toneelspelers vóór zijn tijd. Hij is het symbool geworden van een speelstijl (ouderwets, galmend) die hij niet beoefende. Hij was, als de regisseur dat van hem vroeg, veel beter dan in de huidige repetitielokalen wordt gedacht. En ook veel moderner.