Verstandige samenleving koestert de jeugd

Nederland kent een traditie van schelden op de jeugd en de jeugd van tegenwoordig doet daar zelfs aan mee. Tom ter Bogt en Wim Meeus wijzen op de werkelijke problemen. De tegenstelling tussen kansarme en kansrijke jongeren neemt toe. Een beschaafde samenleving bestrijdt die tendens.

Minister Dijkstal van binnenlandse zaken hield vorige week een rede voor de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hij sprak ondermeer over 'jeugd' en verder viel het begrip “schandvlek voor onze beschaving”. Hij bedoelde niet dat de hedendaagse jeugd een schandvlek voor onze beschaving is. Nee, Dijkstal meende dat de wijze waarop 'wij' bepaalde groepen jongeren maatschappelijk buitenspel zetten schandalig is en impliceerde dat de problemen die daaruit voortvloeien onze eigen schuld zijn.

Deze keer werd er gebroken met wat in Nederland een traditie is: schelden op de jeugd. Van de 'maatschappelijk verwilderde jeugd' van de jaren vijftig en het 'langharig werkschuw tuig' van de jaren zestig en zeventig tot aan de 'nixers' van tegenwoordig loopt een historische lijn die altijd weer eindigt op de plek waar men de jeugd wel eens mores zal leren: het werkkamp.

Wie herinnert zich niet dat een andere autoriteit, (ex-)premier Lubbers, zich daarover minder dan twee jaar geleden lovend uitsprak. Had hij te veel gedronken? Misschien, zeker is dat er over de jeugd veel borrelpraat in omloop is. In de media neigt de berichtgeving over jongeren steevast naar het sensationele en de kwalificaties van hun activiteiten zijn over het algemeen negatief.

Het is geen verrassing dat uit recent onderzoek (Kwetsbare jongeren en hun toekomst van de socioloog prof.dr. C.J.M. Schuyt) naar voren komt dat volwassenen negatiever over jeugdigen denken dan over zichzelf. Dat het hier een stereotype betreft blijkt overigens uit het feit dat volwassenen over hun eigen kinderen positiever zijn dan over jongeren in het algemeen. Interessanter is dat de jeugd zelf aan dit stereotype gelooft. Zeiden jeugdigen in de jaren zestig nog “vertrouw niemand van boven de dertig”, jongeren nu hebben een negatief beeld van hun eigen generatie. Jongeren vinden zichzelf agressiever, luier en minder beschaafd dan volwassenen. Dit heet wel een 'omgekeerde generatiekloof'.

'Iedereen' weet dus dat de jeugd van vandaag niet meer wil werken, het liefst hele nachten onder de XTC in een danstent vertoeft, bewapend de straat onveilig maakt en ook nog eens met rechts-extremistische partijen flirt. Feit: jongeren gaan langer naar school dan ooit, zij hebben minder vrije tijd dan vijf jaar geleden. Ruim de helft van hen heeft bijbaantjes. Feit: niet meer dan enkele procenten van de jongeren slikt XTC, soft-drugs worden door niet meer dan 4 procent van de 17- en 18-jarigen maandelijks één keer of vaker gebruikt. (In het buitenland gelooft helemaal niemand dit.) Feit: de jeugdcriminaliteit is sinds 1983 op hetzelfde peil gebleven. Feit: vreemdelingenhaat is sinds 1970 niet toegenomen en jongeren zijn zeker niet meer etnocentrisch dan volwassenen. Het negatieve beeld over de jeugd is eenvoudigweg vals.

Dat wil niet zeggen dat alle jongeren zonder problemen door het leven gaan. Welke jongeren betreft het hier en hoe hangen hun problemen samen met de structuur van de hedendaagse jeugdperiode?

Sinds de Tweede Wereldoorlog is de jeugdperiode in twee opzichten ingrijpend veranderd: jongeren gaan langer naar school en zij experimenteren ook langer met relaties. Gingen jongeren in 1950 gemiddeld tot hun vijftiende jaar naar school, nu blijven zij studeren tot hun twintigste. De verlenging van de onderwijsdeelname in de afgelopen 45 jaar bedraagt dus zo'n vijf jaar.

De leeftijd waarop men voor het eerst met een ander naar bed gaat is tussen 1950 en 1995 gedaald van 22,5 naar 17,5 jaar. Ook de leeftijd waarop jongeren voor het eerst met een partner trouwen of samenwonen is gedaald. Had het huwelijk van 1950 een vast karakter, het samenwonen van tegenwoordig - dat eigentijdse proefhuwelijk - kenmerkt zich door instabiliteit: ongeveer de helft van deze relaties wordt binnen enkele jaren ontbonden. De moderne jeugd begint dus eerder aan (seksuele) relaties en experimenteert langer.

De verlengde jeugdfase houdt in dat jongeren op twee belangrijke domeinen later kunnen of moeten kiezen voordat zij zich vastleggen. Om die reden wordt de tegenwoordige jeugd wel een 'meerkeuzegeneratie' genoemd.

Onderwijssociologisch onderzoek laat zien dat deze keuzevrijheid deels schijn is: goed opgeleide ouders hebben vaak kinderen met een hoog scholingsniveau, laagopgeleiden zien hun kinderen verdwijnen in de lagere echelons van het onderwijssysteem. Wel is de invloed van het opleidingsniveau van ouders op dat van hun kinderen de laatste 30 jaar minder geworden.

Speelt het sociale milieu bij de verdeling van kansen op goed onderwijs een geringere rol, het omgekeerde geldt voor de keuze van een levensgezel. Nederlanders trouwen steeds meer met een partner uit eigen kring. Deze toename van de milieugebonden partnerkeuze kan juist goed het gevolg zijn van de verlenging van de onderwijsduur, en daarmee het feit dat jongeren steeds langer (experimenterend) optrekken met leeftijdsgenoten met het zelfde opleidingsniveau. Hoger opgeleiden zoeken elkaar als vriend of vriendin, net zoals laagopgeleiden dat doen.

Het opleidingsniveau van jongeren is bepalend voor hun latere maatschappelijke positie: hoger opgeleiden komen nog steeds in de betere beroepen terecht. De milieugebonden partnerkeuze heeft als consequentie dat de kans op een maatschappelijk tweedeling groter wordt: aan de ene kant gezinnen met twee hoog opgeleide ouders en een goede maatschappelijke positie, en aan de andere zijde de veel minder welvarende gezinnen met twee laag opgeleide ouders.

Het onderwijs vervult dus nog steeds een sleutelrol voor de latere verdeling van geld, zelfredzaamheid en macht, al is het niet meer het onderwijsniveau van de ouders dat allesbepalend is. De aan het onderwijsniveau gekoppelde partnerkeuze is een sterkere factor in dit krachtenveld geworden.

Wat heeft deze zichzelf versterkende tweedeling tussen kansrijken en kansarmen te maken met de problemen van de jeugd? Sociale positie en problemen hangen samen, zo blijkt met de regelmaat van de klok uit jeugdonderzoek. Kansarmen hebben meer psychische problemen en maken ook meer problemen voor anderen dan kansrijken. Dit laat zich het best duidelijk maken aan de hand van het voorbeeld van de groep jeugdigen die het sterkst gemarginaliseerd is: daklozen en zwerfjongeren. Niet alleen hebben ze geen baan en missen ze het perspectief daarop, ook missen ze de mogelijkheden en vaardigheden voor het aangaan van een intieme relatie. Werk en partner ontbreken. Overmatig alcohol- en druggebruik, depressie en crimineel gedrag veel minder.

Veel groter is de groep van jongeren met een etnische achtergrond die problemen heeft in het onderwijs, daarom moeilijk aan een baan komt en potentieel een probleem voor zichzelf en anderen vormt. De cijfers omtrent het eerste zijn dramatisch: zo verlaat 60 tot 70 procent van de jongeren met een Marokkaanse achtergrond het schoolsysteem met alleen een afgeronde basisschool-opleiding.

De statistieken voor Turkse, Surinaamse en vooral Antilliaanse jongeren zijn beter, maar ook hun scholingsniveau blijft achter bij dat van autochtone jongeren. Overigens verlaat van deze laatste groep nog altijd zo'n 20 procent het onderwijs zonder enig diploma. Omdat deze groep in absolute aantallen groter is dan die van de allochtone jeugd, moeten wij deze jongeren niet vergeten. Ook voor hen geldt dat zij in een economie die hoge kwalificatie-eisen stelt moeilijk hun plaats vinden. Dat dat op termijn moeilijkheden oplevert is evident.

Jongeren zijn niet naïef. Zij begrijpen zelf ook wel hoe goed of slecht hun maatschappelijke kansen zijn. Deze inschatting gebeurt aan de hand van het eigen opleidingsniveau en beïnvloedt hun welbevinden.

De overheid kan niets doen aan partnerkeuze-patronen van jongeren, maar dat betekent niet dat zij geen enkel middel heeft om een verscherpte tweedeling in onze samenleving tegen te gaan. Dijkstal maakt in ieder geval een start door te erkennen dat 'wij' bepaalde groepen jongeren veronachtzamen en dat daar iets aan gedaan moet worden.

Eén zaak is duidelijk uit deze analyse: om de tweedeling tussen kansarme en kansrijke jongeren niet nog groter te maken is het ongewenst de sleutelrol van het onderwijs te versterken. Meer voor de hand ligt de volgende strategie: herwaardeer de positie van de beroepen die weinig opleiding vragen, maar maatschappelijk waardevol zijn. Een dergelijke herwaardering kan maar op één manier echt gestalte krijgen: door opwaardering van het loon. (Overigens, wanneer de sleutelrol van het onderwijs verkleind moet worden dan is invoering van een tempobeurs voor de toch al kansrijke studenten niet zo'n ramp.)

Niemand in Nederland is gebaat bij de verdere marginalisering van bepaalde groepen jeugd en als gevolg daarvan, de stabilisering van het verschijnsel onderklasse. De betreffende jeugd niet, maar ook niet de burgers die zich tegen een onderklasse met alle criminele randverschijnselen teweer zullen moeten stellen.

Een op de betreffende groep toegesneden actieplan is kostbaar. Toch: grofweg bestaan er twee opties. Laten wij die voor het gemak de 'liberale' en de 'klassiek sociaal-democratische' noemen. Binnen de liberale optie houden belastingbetalers hun geld in hun zak, besteden het naar eigen inzicht en verantwoordelijkheid aan de beveiliging van eigen huis en haard. De Verenigde Staten bewijzen dat dit goed gaat al bestaat er een zeker risico op opstanden, rellen en plundering.

De klassiek sociaal-democratische optie behelst een grotere toewijzing van middelen aan het onderwijs (om basis-kwalificaties van leerlingen zeker te stellen) en vooral aan projecten die werk opleveren. Want werk is het sleutelwoord, omdat - hoe simpel ook - een zinvolle betaalde baan de beste garantie is voor maatschappelijke integratie.

Dat het moeite kost op dit punt in dit land een consensus te krijgen is inderdaad, zoals Dijkstal ietwat barok aangaf, “een schandvlek op onze beschaving”. Politici en burgers zouden zich moeten schamen over het feit dat er op basisscholen nog steeds klassen van dertig of meer leerlingen bestaan, waarin van individuele aandacht voor problematische leerlingen geen sprake kan zijn. Uitval beperken en het scheppen van zinvolle, redelijk betaalde banen lijkt ons het devies voor een beschaafde samenleving. En wie daar niet aan wil, wie dat alles te veel naar staatsbemoeienis klinkt, bedenke dat deze strategie uiteindelijk ook eigenbelang is.