Verslaafd aan Griekse muziek; De liederen zijn een ziekte

Een Nederlandse dame die al bijna even lang in Griekenland woont als ik, hoorde ik laatst zeggen: “Ik kan niet tegen Griekse liederen, van welke soort dan ook.” Ze zag misschien dat ik huiverde en vervolgde: “Mijn Griekse kennissen begrijpen het niet. Ze vragen: hou je dan niet van muziek? En ik antwoord: wèl van muziek, niet van Griekse muziek.”

In mijn oren klonk het als: wèl van muziek, niet van Bach. Of: ik hou van Griekenland, niet van de zee. Net als de zee hoort muziek bij Griekenland, maakt er deel van uit. Het leven kan voor die dame niet makkelijk zijn. Maar voor mij is het dat ook niet. Ik ben namelijk haar tegenvoeter, ik ben aan Griekse muziek verslaafd. Ik kan niet meer zonder. Een restaurant zonder muziek vind ik maar saai, een taxirit zonder liederen het halve werk. Ik houd ook van zowat alle vormen: liturgisch en licht, bouzouki- en volksmuziek, Westers beïnvloede 'kantades' en Oosterse klaagzangen. (Bij de symphonische zet ik nog vraagtekens). Muziek maakt zowat de helft van het bestaan hier uit, erzonder zou ik in Griekenland niet kunnen leven.

Liederen scheppen een band, zeggen ze, maar mijn verslaafdheid bedreigt soms mijn sociale relaties. Ik hoor die Griekse muziek al van zeer verre. Er hoeft maar een geluidsbandje te spelen in een belendende zaal, in een taveernetuin twee trappetjes naar beneden, of ik drijf al weg van mijn gezelschap. “Moet je horen, Verraden Liefde van Theodorakis. Dat spelen ze de laatste tijd niet veel meer.” Mijn gezelschap kijkt me wat glazig aan, het lied is nauwelijks op te vangen en men vervolgt de conversatie.

De componist Stavros Xarchákos heeft op mijn verslaving een prachtig lied geschreven: 'De Liederen zijn een ziekte, waarvan je niet geneest'. Maria Dimitriádi zong het op de plaat 'Weerbericht', maar nu is het mijn vaste verzoeknummer bij de grote zanger Nikos Dimitrátos, die optreedt in de bouzoukitent Paliá Markíza.

Zo'n tien jaar geleden kreeg ik de indruk dat de Griekse muziek op de terugweg was. Er werden geen grote liederen meer geschreven, in het toeristenseizoen leek het net of zij voor de buitenlanders werden weggehouden, en de jeugd leek geheel uit te wijken naar rock en andere Westerse stijlen. De laatste twee jaar echter gaat het weer veel beter. Er zijn zeer geslaagde nieuwe hits, langs de eilandkaden klinkt in juli en augustus de bouzouki weer vrijmoedig, en wat misschien het belangrijkste is: de jeugd keert ertoe terug.

Dit hoor ik aan de radioprogramma's. Een discoganger ben ik niet, maar goede relaties die daar wèl komen bevestigen: aan het eind van elke avond, respectievelijk nacht, valt men steevast terug op puur Griekse klanken, hetzij de nisiótika, dartele eilandmuziek, hetzij de rebètika, de oersterke, onslijtbare liederen van de zelfkant van de stad. Jammer voor die dame, bemoedigend voor mij.

    • Frans van Hasselt