Verkeerde gedachten

Lang geleden, toen alleen de radio nog geweld over het volk verspreidde, toen Ome Keessie de slimme Chinees Ito de robijnenkroon afhandig maakte en Paul Vlaanderen de Rambo der lage landen was, waren er al critici die verklaarden dat de jeugd zo op verkeerde gedachten werd gebracht, en was er een andere school die vond dat het zo'n vaart niet liep. Een van die vroege dwarsliggers was een cabaretier; naam vergeten. Hij had een versie van het populaire kleuterprogramma Het klokje van zeven uur in zijn répertoire. De held van het Klokje was Koning Kas Koes Kieleman. De cabaretier had ongeveer de volgende tekst: 'De torenklok sloeg middernacht. Toen de laatste slag was weggestorven, begon de deur van het schuurtje in de tuin akelig te piepen. Uit het binnenste klonk gegrom. Er kwam een zwarte gedaante tevoorschijn. Hij had de kroon van Koning Kas Koes Kieleman op zijn hoofd; maar was dat de koning zelf? Hij grijnsde, daar werden wolvetanden zichtbaar, die blikkerden in het maanlicht. Met kloppend hart volgde achter het raam van zijn kamertje Wimpie de gebeurtenissen. Koning Kas Koes Kieleman sloop naar het hok van Kareltje het Konijn. Opeens een sprong! Welterusten lieve kindertjes.' Het was een succesnummer.

In de oorlog hadden we Dick Bos en commissaris Bruinsma. Merkwaardig: de boosdoener uit een van de eerste deeltjes is opnieuw een Chinees: Li Hang. Bos en Bruinsma stonden aan de goede kant. Alfred Mazure heeft zijn schepping niet voor NSB- of nazipropaganda laten gebruiken, las ik onlangs. Niettemin waren er ouders en opvoeders die het geweld van de privé-detective ('Na zo'n nekslag zeggen ze gewoonlijk niet veel meer') verderfelijker voor de kinderen vonden dan de oorlog zelf. Intussen deden de kinderen de oorlog na. Ze vormden benden, gooiden elkaar met stenen en sloegen met stokken op elkaar in. Dat oorlog de kinderen inspireert zie je nog steeds op de journaals. Terwijl in 'het echt' het gruwelijkste van het gruwelijkste gebeurt, beschieten de kleine jongens elkaar met zelfgezaagde machinepistooltjes.

Toen kwamen uit Amerika de horror comics. Een bezorgde opvoeder en psycholoog uit die tijd, dr. Fredrick Wertham, heeft er een boek over geschreven, Seduction of the Innocent. Het zal omstreeks het einde van de jaren vijftig zijn geweest zodat degenen die toen werden gecorrumpeerd, nu hun midlife crisis achter de rug moeten hebben. Een gebrek van veel onderzoek naar het bederf van de jeugd door verkeerde lectuur vind ik dat het altijd gaat over de jeugd van nù en niet over de ouderen die het bederf van toen hebben ondergaan. Die moeten langzamerhand in staat zijn er objectief over te praten. Er waren horror comics die er niet om logen: necrofilie, nog meer toestanden, in het algemeen grensverleggend. Time heeft er nog een felle aanklacht aan gewijd. Over de comics hoor je niemand meer, hoewel ze er niet opbouwender op zijn geworden.

Een stap verder gingen de zombie-films, het nec plus ultra van dr. Frankenstein zou je hebben gedacht. Maar die films zijn allang ingehaald door wat er in de videotheken kan worden geleend. Acties tegen het bedenkelijkste worden, voor ze goed en wel zijn begonnen, alweer ingehaald door het aanbod op Internet. (Voor een goed overzicht, zie het essay van Tom Rooduijn, Welkom in jochiesland in deze krant van 20 mei). Uit dit betoog zowel als uit de geschiedenis ben je geneigd de conclusie te trekken dat iedere tijd zijn eigen horror heeft maar dat daaruit niets onomstotelijk valt te bewijzen.

Toch kan de leek in de psychologie het niet laten een paar kanttekeningen te maken.

1. Er zijn voorstellingen, fictie of werkelijkheid, waartegen je je verzet en die je niet graag aan je kinderen of kleinkinderen zou laten zien.

2. Het mag waar zijn dat kijken naar het ongewenste niet tot het ongewenste doen leidt. Maar daarmee verdwijnt een peiler onder de opvoeding die immers voor een belangrijk deel uit vóórdoen bestaat. Ook de reclame kan dan wel inpakken. En ik denk aan de door Menno ter Braak geciteerde Duitse bioscoopdirecteur die zei: Im Kino wird Appetit gemacht, zu Hause wird gegessen.

3. De smaak en de moraal van de beeldvervaardiging vallen niet te amputeren van de smaak en de moraal in de maatschappij. Filmmakers en grensverleggers op Internet verschuilen zich weleens achter de verklaring dat ze 'alleen weergeven wat in de maatschappij gebeurt.' De maatschappij krijgt de schuld en zij volgen hun creatief geweten. Dat is een leugenachtig excuus. Het gaat niet om de weergave maar om de gretigheid waarmee en om het geld.

4. Zet uit je hoofd dat keuringscommissies, het plakken van zegeltjes met alleen voor boven de zestien of censuur nog zouden helpen. De techniek en de industrie hebben alles voor iedereen toegankelijk gemaakt. Daar is niets meer aan te doen; het is een deel van de absolute postmoderne vrijheid.