Ruimteflirt is zeker nog geen ruimtestation

“Een officieel huwelijk” - zo omschreef Daniel Goldin, de hoogste man van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA, de geslaagde koppeling van het Amerikaanse ruimteveer Atlantis en het Russische ruimtestation Mir, gistermiddag boven de grens van Rusland en Mongolië. In werkelijkheid is de 'historische' koppeling vooralsnog niet meer dan een flirt. Wat daarna komt is zeer de vraag: ware liefde, een verstandshuwelijk, of misschien wel niets.

De koppeling zou de eerste stap moeten worden naar de bouw van een internationaal ruimtestation. De hoofdmoot van dit station, dat Alpha moet heten, wordt geleverd door de VS en Rusland; kleinere bijdragen zouden moeten komen van Europa, Canada en Japan. De bouw zou eind 1997 moeten beginnen en vijf jaar later gereed kunnen zijn, maar de financiële armslag van alle partners belemmert de hooggestemde idealen.

Tijdens de Koude Oorlog ontwikkelden de VS en de Sovjet-Unie onafhankelijk van elkaar plannen voor de bouw van een eigen ruimtestation dat ook militaire doelen zou dienen. Maar in de jaren daarna schroefden beide zijden hun budgetten daarvoor drastisch terug. In 1993 besloten de presidenten Clinton en Jeltsin hun financieel sterk verzwakte ruimtevaartkrachten te bundelen en hun plannen voor een ruimtestation samen te voegen. In de komende twee jaar zullen er nog zes Space Shuttle-vluchten naar het Mir-station gaan om te oefenen voor de latere assemblage van het ruimtestation Alpha. De NASA betaalt de Russen 400 miljoen dollar voor het 'gebruik' van het Mir-station tijdens deze oefenvluchten.

Vele ruimtevaart-deskundigen vinden het echter onverstandig dat het voortbestaan van het geplande ruimtestation nu afhankelijk is gemaakt van de Russen. Hoewel niemand twijfelt aan de deskundigheid van de Russische wetenschappers, blijven de economische en politieke situatie in dit land voorlopig zeer onzekere factoren. Komen de Russen hun verplichtingen niet na, dan komt het gehele project op losse schroeven te staan. Ook de NASA heeft geldzorgen. En bij de andere, kleinere partners - alle in het bezit van relatief succesvolle onbemande-raketprogramma's - is de bereidheid om veel geld in de bemande ruimtevaart te steken eveneens een stuk kleiner geworden. In oktober zullen de Europese landen een nieuw besluit nemen over de grootte van hun bijdrage aan het ruimtestation.