Proefschrift over vernieuwing in de bouwnijverheid; Bouw is een weinig innovatieve sector

HOEK VAN HOLLAND, 30 JUNI. In het college over innovatie houdt hij studenten steevast twee bakstenen voor: een kloostermop uit de 13e eeuw en een zogeheten Waalformaat baksteen uit de huidige tijd. “Tezamen markeren ze zeven eeuwen innovatie in de bouwnijverheid, waarbij de basistechniek, het stapelen van brokken gebakken klei, nog steeds dezelfde is”, constateert dr.ir. F. Pries, docent aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hoe kan het nu, vroeg hij zich af, dat in de bouw vernieuwing zo langzaam verloopt?

Pries, tevens manager Research & Development van bouwconcern NBM-Amstelland (omzet 1994 2,2 miljard, 5.000 werknemers), besloot die vraag uit te diepen. Dat resulteerde deze maand in een dissertatie getiteld: 'Innovatie in de bouwnijverheid'. Pries analyseerde vier casussen, onder meer over het gebruik van gietbouw en kalkzandsteen, en maakte uit 50 jaargangen van twee bouwvakbladen een inventarisatie van innovaties, ofwel: de daadwerkelijke invoering van iets nieuws.

Het innovatieproces in de bouwnijverheid wordt bepaald door drie factoren, licht Pries toe in een bouwkeet aan de mond van de Nieuwe Waterweg, waar NBM-Amstelland meebouwt aan de laatste grote stormvloedkering aan de Nederlandse kust. Allereerst is het produktieproces gefragmenteerd: er zijn veel partijen bij betrokken met elk een gescheiden verantwoordelijkheid voor ontwerp en uitvoering. Pries: “Elk gebouw is een prototype. Leereffecten en schaalvoordelen zijn gering”. Verder wordt in hoofdzaak op prijs geconcurreerd en is de invloed van de overheid zeer dominant: niet alleen door allerlei vormen van regelgeving - zowel technisch en financieel als op het gebied van ruimtelijke planning en het mededings-, vestigings-, en aanbestedingsbeleid - maar ook doordat de overheid in enkele sectoren (zoals infrastructuur) de grootste opdrachtgever is.

Omdat de kwaliteitsniveaus, opnieuw door de overheid, voor een groot deel zijn vastgelegd, kunnen bouwers zich daarop volgens hem nauwelijks onderscheiden. Wat overblijft is een hevige prijsconcurrentie. Innovatie is daardoor gericht op verbetering van de efficiency, voornamelijk kleinschalig van aard en relatief introvert, ofwel op het eigen bedrijf gericht. “Innovatie heeft stapsgewijs plaats. Het is daardoor moeilijk zichtbaar en lijkt weinig spectaculair”, zegt Pries. Die interne gerichtheid wordt naar zijn mening ook verklaard uit het feit dat 95 procent van het topmanagement in de bouw van huis uit ingenieur is.

Het lijkt alsof de bouw weinig aan succesvolle vernieuwing doet, doordat innovaties in de uitvoerende bouw een kleinschalig, procesmatig karakter hebben. Tegen het landelijk gemiddelde van 2 procent geeft de bouw 0,3 procent van de omzet uit aan onderzoek en ontwikkeling. Dit percentage geeft volgens Pries evenwel een vertekend beeld. Zo kopen grote bouwbedrijven zo'n 75 procent van hun omzet in (materialen, onderaannemers). Uitgedrukt op basis van de toegevoegde waarde stijgt dat percentage dus aanmerkelijk. Bij bouwbedrijven wordt naar Pries' berekeningen circa een kwart van de winst aan onderzoek en ontwikkeling uitgegeven.

“Het specifieke karakter van de produkten van de sector, een lange levensduur en hoge kapitaalintensiteit zorg er voor dat opdrachtgevers vernieuwing met enige argwaan benaderen”, ervaart Pries. “Ze voelen zich, omdat de constructies soms meer dan 100 jaar mee moeten, nauwelijks geroepen om naar hartelust met nieuwe materialen te experimenteren. Dat leidt tot conservatisme. Bouwbedrijven zelf opereren eveneens risicomijdend. Ze kampen met lage marges, gemiddeld 1 à 2 procent, en bouwden bovendien lang niet voor de uiteindelijke afnemer, maar om te voldoen aan de kaders die door de overheid worden bepaald. Marketing en dienstverlening zijn in het algemeen niet ècht noodzakelijk, zodat de bouw zich volkomen concentreert op de technologie van het bouwen en de organisatie van het bouwproces.”

Daarin is echter volgens Pries de laatste jaren een kentering zichtbaar. De bouwmarkt verandert thans ingrijpend: meer markt, minder overheid en regulatie, Europese harmonisering van onder meer de aanbestedingsregels, sterk toenemende vraag naar milieuvriendelijker bouwmethoden en invloed van informatietechnologie. Deze veranderingen vergen van bouwbedrijven een “ongehoorde cultuuromslag”. De eerste tekenen daarvan zijn volgens Pries al zichtbaar. Zo is de markt voor turn-key projecten - waarbij een bouwwerk onder de verantwoording van een partij gerealiseerd is en gebruiksklaar wordt opgeleverd - de afgelopen vier jaar met ruim 300 procent gestegen.

Afnemers, zowel particulieren als bedrijven, krijgen het een stuk makkelijker, stelt Pries vast. “Het bouwproces is voor hen een bron van onzekerheid. Tachtig procent van alle opdrachtgevers is ondeskundig en geeft heel incidenteel een opdracht. Die willen dus een kwaliteitsgarantie en dat kan alleen als je de opdracht aan één partij geeft, die voor het totaal verantwoordelijk is.”

Daarmee komt een einde aan situaties waar bij geconstateerde gebreken bijvoorbeeld de aannemer de schuld op de architect schuift en andersom. Bovendien is de tekortgeschoten partij alleen aansprakelijk voor zijn deel, want in de bouw geldt als stelregel: invloed is verantwoordelijkheid is aansprakelijkheid. “Als opdrachtgever had je met zoveel verschillende partijen te maken, dat je uiteindelijk meestal zelf verantwoordelijk bleef”, weet Pries.

Doordat de opdracht in één hand komt, ontstaat voor bouwbedrijven een grotere vrijheid naar eigen inzicht methoden te ontwikkelen en zich daarin te specialiseren. De toetredingsdrempel tot de bedrijfstak zal door de daarmee gepaard gaande toename van de kennisintensiteit en investeringen in onderzoek en materialen groter worden, denkt Pries. “Aan de bovenkant van de markt zet het proces van schaalvergroting door. Aan de onderkant fragmenteert deze in kleine, gespecialiseerde bedrijven. Verder onstaat een scheiding der geesten. Waar nu nog het merendeel van de bedrijven op prijs concurreert, treedt een verschuiving op. In plaats van innovatie te zien als een belangrijk wapen om het bouwproces goedkoop te houden, zal een snel toenemend aantal bouwers het gaan inzetten als middel om een onderscheidende positie te verwerven”.