Onder professoren behoeft nu al commentaar; Marita Mathijsen over het belang van goede tekstedities

Marita Mathijsen: Naar de Letter. Handboek Editiewetenschap. Uitg. Van Gorcum, 460 blz. Prijs ƒ 69,50.

'Wanneer zij, op een avondpartijtje bij haar vader of soms 's zomers als het snik heet was, een lager uitgesneden japon droeg, bleef hij naar haar hals kijken, en dacht over de borsten; hij oefende er zich in haar kin en keel zóo te bekijken, dat hij de behoefte kreeg om ze te bevoelen en ze te zoenen en te likken...' schreef Lodewijk van Deyssel in een willekeurige passage van zijn beroemde roman Een Liefde. De publikatie van dit werk riep in 1887 zoveel geschokte reacties op dat Van Deyssel voor een tweede druk een gekuiste versie maakte. 'Voelen, zoenen en likken' verandert hij in het neutralere 'betasten', de borsten worden als het maar even kan geschrapt, en 'geil' wordt steevast vervangen door 'verlangen'.

De uitgever die niet weet voor welke druk hij moet kiezen als hij een nieuwe uitgave van Een Liefde op de markt wil brengen - de door de auteur verworpen, maar sensationele eerste druk, of de geautoriseerde en gekuiste tweede druk - kan nu raad vinden in Naar de letter, het onlangs verschenen Handboek Editiewetenschap, geschreven door Marita Mathijsen, werkzaam aan de vakgroep Moderne Nederlandse letterkunde van de Universiteit van Amsterdam. Het is een boek voor studenten, wetenschappers en uitgevers die zich met historische teksten bezig houden, maar ook voor de geïnteresseerde lezer. “Naar de Letter is ook bedoeld als een soort beoordelingsgids,” vertelt Mathijsen. “Het beoogt een kritische houding bij de lezer te bevorderen. Hoe weet ik of ik een goeie tekst, zoals de auteur hem wilde, in handen heb? Hoe weet ik dat ik niet word bedonderd?”

Want dat het in Nederland een chaos is op editiegebied, met zetters die zich vergissen, onachtzame correctoren, luie uitgevers en onnadenkende editeurs, signaleerde Marita Mathijsen al in een geruchtmakende lezing in 1983. “Aan de universiteit probeerden we toen belangstelling voor de negentiende eeuw te wekken. Daardoor merkten we dat er ontzettend weinig teksten beschikbaar waren. En als ze er waren, betrof het amateuristische uitgaves waarin het ego van de editeur de tekst bijna overschaduwde. Of het waren sloddervos-edities, die met een goedkoop bandje voor een paar gulden op de markt werden gezet. Inmiddels is er wel wat veranderd, maar nog steeds leveren sommige uitgevers haastwerk af, heb ik collega's die het nut van een goede editie niet inzien, en mogen studenten klungel-edities op hun lijst zetten. Er wordt nog vaak geciteerd uit verouderde uitgaven die toevallig in de kast staan. Wat dat betreft moeten er nog heel wat klappen worden uitgedeeld.”

Het 'hertalen' (het omzetten in hedendaags Nederlands) van klassiekers uit onze letterkunde ziet zij als een van de mogelijkheden om vergeten teksten onder de aandacht van de lezer te brengen. Dat kan alleen op een verantwoorde manier als er een goede teksteditie als basis ligt, als de lezer erop kan vertrouwen dat zijn moderne versie op controleerbare wijze is afgeleid van de oorspronkelijke formuleringen. “In Nederland zijn we ten onrechte niet trots op onze eigen cultuur. Misschien moeten we de lezers ook wat meer tegemoet komen met hertalingen. Dante, Tolstoj en Stendhal lezen we per slot ook in modern, fris Nederlands. Vinden we ze dáárom mooier dan Vondel, Couperus en Bilderdijk?” vraagt Mathijsen zich af. “Ik ga binnenkort de proef op de som nemen met een hertaling van de brieven van Bilderdijk, om te zien of je dan een vergelijkbaar effect krijgt als bij de brieven van Stendhal in de Privédomein-reeks.”

Tikfouten

De afgelopen tien jaar lijkt er bij het uitgeven van Nederlandse klassieken toch al heel wat verbeterd te zijn. Zo werd in 1983 op instigatie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen het Constantijn Huygens Instituut voor tekstedities en intellectuele geschiedenis opgericht. Hier wordt gewerkt aan de totstandkoming van wetenschappelijk verantwoorde tekstedities, bijvoorbeeld van de Max Havelaar, in de prestigieuze reeks Monumenta Literaria Neerlandica, op basis waarvan gelukkig ook fraaie leesedities gemaakt worden. Ditzelfde Constantijn Huygens Instituut gaf Marita Mathijsen de opdracht tot het schrijven van het handboek. Maar vóór dit standaardwerk verscheen zijn verschillende uitgevers reeksen begonnen met serieuze heruitgaven van het Nederlandse erfgoed. Behalve de eerder genoemde Monumenta-reeks, maakt de Amsterdam University Press de Alfa-reeks en verschijnt bij uitgeverij Prometheus de serie Nederlandse Klassieken. Op stapel staat nóg een Klassieken-reeks, gesubsidieerd ditmaal, waarbij uitgevers mogen intekenen op de titels die hen interesseren.

Mathijsen: “Ik ben in geen van de commissies gaan zitten die zich met deze projecten bezighouden, om neutraal aan mijn handboek te kunnen werken. Het aanbod nu overziend denk ik dat een paar van deze reeksen iets te snel, iets te ondoordacht van start zijn gegaan. Verzen van Kloos uit de serieus ogende Alfa-reeks blijkt bijvoorbeeld een bloemlezing te zijn, terwijl dat uit de titel niet blijkt. Verzen, zo heeft Kloos zijn bundel zelf genoemd. In de verantwoording staat dat de uitgave 'een indruk wil geven van de oorspronkelijke uitgave, en dat daarbij twee principes zijn gehanteerd: kwaliteit en representativiteit.' Dat zijn toch uiterst subjectieve uitgangspunten, waarbij je als lezer totaal van de smaak van de editeur afhankelijk bent?” foetert Mathijsen.

“Wat me bij de Prometheus-reeks verbijstert is dat je binnen één reeks totaal verschillende criteria voor tekstuitgave ziet. Zo ontbreken in de verantwoording van Een nagelaten bekentenis van Emants de meest essentiële dingen: waarom voor een bepaalde editie werd gekozen, wat er is gemoderniseerd, welke tikfouten stilzwijgend gecorrigeerd zijn. In mijn ogen is dat een onbruikbare editie. Maar ze hebben wel weer een voorbeeldige uitgave van de Beatrijs in hun fonds.”

Mathijsen spreekt in het voorwoord van Naar de Letter de angst uit dat haar handboek als een soort wetboek voor editeurs gezien gaat worden. “Bij iedere tekst van iedere auteur zal de editeur opnieuw een eigen afweging moeten maken. Maar de problemen die dat met zich meebrengt, staan nu met de belangrijkste literatuur erover bij elkaar.” In Naar de Letter komen in zestien hoofdstukken zaken als drukgeschiedenis, de verschillende typen edities, de specifieke problemen bij het uitgeven van brieven en dagboeken en de rol van het commentaar aan de orde, gelardeerd met sappige voorbeelden en een overvloed aan illustraties.

Zelfcensuur

Eén van de kwesties die per auteur verschillen is de keuze voor de basistekst: omdat sommige schrijvers hun werk nooit voltooid vinden, zijn er nogal eens meerdere versies van bekend. Kiest de editeur dan automatisch voor de laatste, door de schrijver goedgekeurde versie? Er zijn redenen om dat niet te doen, meent Mathijsen. Zoals in het eerder genoemde voorbeeld van de roman Een Liefde, die Van Deyssel aan zelfcensuur onderwierp. Of in het geval van Marsman, die bepaalde dat alleen de gedichten die hij zelf opnam in zijn Verzameld Werk van 1938 later opnieuw uitgegeven mochten worden. “Je zou toch niet willen dat zo'n verbod wordt nageleefd,” meent Mathijsen. “Hij had eenvoudigweg ongelijk. De auteur is nu eenmaal niet altijd de beste beoordelaar van zijn eigen werk.”

“Voor het overleveren van versies kan het eind van de twintigste eeuw trouwens een heel arme tijd worden,” zegt Mathijsen. “Als schrijvers alleen nog op hun computer werken, veranderingen direct doorvoeren en uiteindelijk een floppy bij de uitgever inleveren, dan heb je geen versies meer. De kans bestaat dat variantenedities helemaal zullen verdwijnen.” Toch verwacht Mathijsen niet dat de editeur daarmee zal uitsterven. Misschien zal zijn vak wel een ander karakter krijgen. In een snel veranderende maatschappij zal de behoefte aan toelichting op ouder werk alleen maar toenemen. Mathijsen: “Welke anti-autoritair opgevoede, milieubewuste, a-religieuze student begrijpt nog zonder toelichting een willekeurige negentiende-eeuwse tekst waarin het geloof de richtlijn is voor al het handelen, en de natuur als een bedreiging wordt ervaren? Literatuur is sterk geworteld in het tijdvak waarin het geschreven werd. Goede literatuur, zoals de Beatrijs, overleeft de eeuwen omdat het een kern heeft die direct tot het hart spreekt. Maar er gaan dan wel veel betekenislagen van zo'n tekst verloren. Neem Onder professoren van Willem Frederik Hermans. Dat boek staat bol van de referenties aan gebeurtenissen in de jaren zestig. Daar moet je nù al bijna een commentaar bij schrijven. En wie begrijpt er over twintig jaar nog iets van de boeken van Joost Zwagerman?”