Nu weet ik, vent, dat je een boerenhufter bent; Maria-mirakel Beatrijs vertaald door Willem Wilmink

Van het middeleeuwse mirakel de Beatrijs verscheen onlangs een voorbeeldige teksteditie, met een hertaling van Willem Wilmink en verhelderend commentaar van Theo Meder. Maar er verschijnen ook nog steeds onzorgvuldige tekstedities, zegt neerlandica Marita Mathijsen. Daarom schreef zij 'Naar de letter', een handboek editiewetenschap. “Het beoogt een kritische houding bij de lezer te bevorderen. Hoe weet ik of ik een goeie tekst, zoals de auteur hem wilde, in handen heb?”

Beatrijs, een middeleeuws Maria-mirakel. Vert. Willem Wilmink. Inl. en teksteditie Theo Meder. Uitg. Prometheus, Bert Bakker, 112 blz. Prijs ƒ 24,90 en ƒ 45,- (geb.).

Het is eigenlijk nogal een mal verhaal dat ons in de Beatrijs verteld wordt, over een non die uit het klooster ontsnapt met een geliefde, veertien jaar later met schande beladen weer terugkeert en ontdekt dat Maria al die jaren haar plaats heeft ingenomen zodat niemand iets heeft gemerkt. (God wel natuurlijk, maar de wereld niet.) Een verhaal dat, zoals historisch letterkundigen dikwijls hebben uitgelegd, veel vragen oproept. Zoals de eenvoudige vraag waarom Maria zoveel moeite doet om Beatrijs openbare schande te besparen. De werkelijke schande, het feit dat ze haar religieuze belofte verbroken heeft en zich in de wereld aan een zondig leven heeft overgegeven, is toch oneindig veel groter en erger dan of haar kloosterzusters daar achter komen. Dus, zou je zeggen, dat kan er dan ook nog wel bij. Maar nee. In de Middeleeuwen werd er zo niet over gedacht, er zijn twee verschillende schandes, de wereldse en de religieuze, die alletwee belangrijk zijn. En Maria helpt Beatrijs zoals een middeleeuwse geholpen zou willen worden: door haar een van die schandes te besparen. Je zou zelfs kunnen denken dat er, onnadrukkelijk, mee gezegd wordt: God vergeeft, maar de mensen niet. Daarom moet de schande voor de mensen verborgen blijven en bij God geboet.

Elke vraag die tekstbezorgers stellen, en dikwijls ook beantwoorden, zij het niet allemaal steeds op dezelfde manier, maakt het verhaal minder mal. Het krijgt er logica van, het onthult een hele wereld van normen, waarden, zeden en hiërarchieën die verfijnd en interessant is. Het is daarom alleen al een genoegen om de Beatrijs-editie van Theo Meder te lezen, die in een heldere inleiding allerlei vragen opwerpt en beantwoordt en kort uiteenzet wat voor type tekst de Beatrijs is. Daarnaast verklaart hij moeilijke zinnen en woorden en licht hij ten overvloede sommige begrippen en gewoontes nog eens uitgebreid toe.

Hiermee zijn nog niet eens alle sterke punten van deze editie opgesomd. Want op de rechterbladzijden heeft Willem Wilmink nog een wonder verricht: een met de tekst meelopende vertaling die zowel getrouw als vrij is en die de meest verrukkelijke rijmvondsten bevat. Zoals bij voorbeeld op het punt waar de minnaar Beatrijs voorstelt om in het gras te gaan liggen: 'Laet ons spelen der minnen spel.' Beatrijs reageert woedend, zij noemt hem een 'dorper fel' ('lompe boer') dat hij haar, een vrouw van hoge afkomst, zoiets laags durft voor te stellen als zomaar buiten, op het gras... 'Alsic bi u ben al naect/ Op een bedde wel ghemaect/ soo doet al dat u ghenoegt,' zegt ze, want Beatrijs is niet preuts, maar wel netjes. Wilmink laat de minnaar luchtigjes zeggen ' 't is hier geschikt voor het minnespel,' waarop Beatrijs roept: 'Boerenkinkel (-) wat denk je wel' en als ze voortraast komt er het volgende prachtrijm uit haar mond: '(-)Nu weet ik, vent,/ dat je een boerenhufter bent.'

Wel vaker heeft Wilmink zulk heerlijk rijm, waardoor de vertaling veel meer is dan alleen een handig hulpmiddel bij moeilijke passages. Daar voldoen de verklarende aantekeningen trouwens beter, want Wilmink heeft wel zoveel mogelijk één op één vertaald, maar zag zich soms toch gedwongen om zelf iets te verzinnen, of regels om te draaien als hem dat beter uitkwam. Zijn vertaling is wel echt een vertaling, geen navertelling en gelukkig geheel gespeend van vlotte anachronismen.

Soe kleine trouwe

Wie Wilminks tekst leest heeft de Beatrijs gelezen - maar natuurlijk toch ook weer niet. Want ach, Beatrijs is zo mooi van zichzelf, met zulke schitterende regels erin, ongetwijfeld vaak nog extra schitterend omdat ze op Nederlands lijken maar het net niet zijn, waardoor de moderne lezer in zijn onnozelheid rijkdom kan zien in gewone uitdrukkingen. 'Lief, ic hebbe u soe vercoren,' dat klinkt toch heel wat verliefder en overgegevener dan: 'Liefste, ik heb jou uitverkoren'. Het is het prettige bedrog van de afstand in de tijd, maar waarom zou je jezelf soms niet een beetje laten bedriegen. 'Die werelt hout soe cleine trouwe' - zo'n mooie, beetje bittere waarheid. Wie moet lezen: 'De wereld is slecht te vertrouwen,' ziet voornamelijk een platitude.

Nog afgezien van de schoonheid van de tekst, is er ook aan het verhaal en wat ermee gezegd wordt veel te beleven. Beatrijs en haar minnaar leven gelukkig en rijk met hun twee kinderen, maar na zeven jaar is het geld op. Dan blijkt dat ze geen van tweeën iets kunnen om de kost te verdienen want in zoiets is in hun adelijke opvoeding niet voorzien. De minnaar, die ooit dure eden van trouw zwoer, gaat er van door: 'Zij moest het met haar wondermooie/ twee kinderen maar zien te rooien.' Beatrijs kiest dan voor de prostitutie om de twee wondermooie kinderen in leven te houden. Als ze na zeven jaar berouw krijgt houdt ze daarmee op en gaat bedelen. Waarom, vraagt de lezer dan, is ze niet meteen gaan bedelen? Dat doet ze niet, legt Meder in zijn inleiding uit, omdat bedelen een schande is voor een edelvrouwe. Prostitutie natuurlijk ook wel - en dat is bovendien een zonde in de ogen van de kerk, in tegenstelling tot bedelen - maar hoererij kan men verborgen houden, bedelen niet. Beatrijs laat zich dus leiden door de waarden van de wereld. Als ze berouw krijgt - een berouw dat God in haar hart uitstort - houdt ze meteen op met zondigen en gaat doen wat van de kerk wel mag.

Daar komt nog bij, zegt Meder snugger, dat het hier om fictie gaat en dat het voor het verhaal vanzelf veel dramatischer is als de non hoer wordt dan als ze meteen braaf gaat bedelen. De anonieme auteur is natuurlijk uit op een maximale tegenstelling tussen reinheid en kwaad, zonde en boete. In de dertiende of veertiende eeuw (precieze datering van de Beatrijs is niet mogelijk) wisten ze heus wel van spanningsopbouw: 'God moet mi onnen/ Dat ic die poente wel geraken/ Ende een goet ende daer af maken'. (“moge God mijn geest verlichten, want ik moet hoofd- en bijzaak scheiden/ en dit tot een goed einde leiden') Dat is dus gelukt, zowel in het origineel, als in de vertaling.