Linkerschoen

In de buurt van de Mulberry en de Grandstreet ben ik vrijdagavond 16 juni mijn linkerschoen verloren. Hoewel ik niet volledig uitsluit dat het ook in een taxi gebeurd kan zijn. Ik ontdekte het de volgende middag toen ik mijn schoenen wilde aantrekken. Het ging om een Italiaans paar dat ik ooit in Venetië had gekocht en dat ik net had laten verzolen. Bij een Marokkaanse schoenmaker die me een speciale prijs had gerekend omdat zijn vrouw een kind had gekregen de dag dat ik de schoenen kwam brengen.

Nog diezelfde dag ging ik terug naar de Mulberrystreet. Eerst naar Café Roma waar ik geregeld een iced cappuccino drink en waar ik ook de avond daarvoor was geweest. Ik vond het wel zo beleefd om niet plompverloren naar mijn schoen te informeren, maar eerst een koffie te bestellen. Bij het betalen zei ik tegen de serveerster, “mag ik u wat vragen? Ik heb hier gisteravond waarschijnlijk een linkerschoen verloren, heeft u die misschien gevonden?”

“Bij het schoonmaken” voegde ik er nog aan toe, want ze liet een stilte vallen die mij een onbehaaglijk gevoel gaf. Toen keek ze naar mijn voeten. Aan iedere voet zat een schoen. “Nee,” zei ik, “dit zijn andere schoenen.” Ik had er gelukkig aan gedacht de rechterschoen mee te nemen. “Het was zo'n schoen,” zei ik, “alleen dan een linker.”

Ze draaide zich om en liep naar de keuken. Blijkbaar had ze mijn boodschap niet helemaal correct overgebracht, want haar moeder, de bazin, kwam op me af en vroeg, “is er iets niet naar wens? Zijn er klachten?”

“Totaal niet.” Ik legde nog een keer uit waarvoor ik kwam. Daarop liet ze me een doos zien met alle spullen die gasten hadden laten liggen. Ik zag kettinkjes, een horloge, portemonnaies. Iemand had zelfs zijn elektronische tandenborstel in café Roma vergeten, maar een linkerschoen zat er niet bij.

Ik bedankte voor de hulp. Maar toen ik de zaak verliet merkte ik toch dat de bazin enigszins wantrouwend naar mijn voeten keek.

Het café ernaast was al open. Ik ging aan de bar zitten en bestelde bier. Ik had gisteravond een Italiaanse priester ontmoet. Wij waren aan de praat geraakt en hadden elkaar vervolgens zes uur lang niet meer uit het oog verloren. Hij heette Brother Louis en hij had mij verteld dat de paus binnenkort New York zou bezoeken en een openluchtmis zou geven in het Central Park. Eigenlijk was deze mis alleen voor katholieken, maar voor mij wilde hij wel een uitzondering maken. Hij vroeg mijn adres, zodat hij mij de kaarten zou kunnen opsturen. Ik kon me nauwelijks voorstellen dat Brother Louis mij een linkerschoen afhandig zou hebben gemaakt. “Ik ben hier gisteravond geweest,” zei ik tegen de barkeeper. Ik bracht mijn hoofd iets dichter bij het zijne. Ik wilde niet dat andere gasten het zouden horen. “Ik ben mijn linkerschoen hier gisteravond kwijtgeraakt.”

Hij week iets achteruit toen hij deze mededeling hoorde. Misschien was het ook mijn adem.

“Weet je zeker dat het hier is gebeurd?” vroeg hij. “En alleen je linkerschoen?”

Ik knikte. Hij boog zich over de bar om mijn voeten te bekijken en voor de tweede keer legde ik uit, “dit zijn andere schoenen.” Uit de plastic tas haalde ik de rechterschoen en zette die op de bar.

Hij bekeek de schoen. “Dat is een mooi exemplaar.”

“Italiaans,” fluisterde ik.

Hij zette zijn bril af en zei zacht, “ik ben wel eens op een bruiloft geweest waar we champagne hebben gedronken uit de schoenen van de bruid. Weet je zeker dat jou zoiets niet is overkomen gisteravond?”

Ik kon niet met absolute zekerheid zeggen dat Brother Louis en ik geen bier hadden gedronken uit mijn linkerschoen, maar het leek me vrij onwaarschijnlijk.

“Ik denk het niet.” Voor de zekerheid vroeg ik nog wel of het misschien gebruikelijk was bij Italiaanse priesters om uit elkaars schoenen te drinken om zo de broederschap te vieren. Hij fluisterde in mijn oor, “ik ben Italiaan, maar wat Italiaanse priesters doen, daar wil ik van afwezen.”

Hij zette een borrel voor me neer. “Van het huis.”

“Heb je misschien iets uitgetrokken,” vroeg hij. Het geval leek hem wel te interesseren.

“Ik kan het me niet herinneren. Ik heb wel gedanst. Er kwam een schele harmonikaspeler binnen.”

“Frederico. Pas maar op voor Frederico. Die pikt je vrouw af waar je bij zit.”

Een vrouw had ik gisteravond niet bij me gehad. “En schoenen?” Hij schudde zijn hoofd.

“Ik zou het maar opgeven,” zei hij. “Die vind je nooit meer.” “Ik heb ze in Venetië gekocht,” legde ik uit, “er zat een herinnering aan.”

“Voor herinneringen heb je geen schoenen nodig,” zei hij. “Ik wel” zei ik.

Voor de zekerheid keek ik nog onder de tafel waar we hadden gezeten en in de wc, maar alles was opgeruimd. “Hij zoekt zijn schoen,” hoorde ik de barkeeper zeggen.

“Brother Louis, die naam zegt u niets,” probeerde ik nog. “Niets. Ik onthoud alleen gezichten, geen namen.”

Een man die de hele tijd naar een baseballwedstrijd op de televisie had gekeken zei, “altijd als ik een enkele schoen op straat vond dacht ik dat er een moord was gebeurd, maar nu weet ik hoe die daar komen.”

“Precies,” zei ik, “nu weet u het, weer een raadsel minder.”

“Vergeet het niet,” riep de barkeeper me nog na, “drink champagne uit de schoen van de bruid. Dat brengt geluk.” Ik ben nog een paar keer de Mulberrystraat op en neer gelopen. Ten slotte heb ik mijn rechterschoen ergens bij een lantaarnpaal neergelegd, in de hoop dat degene die mijn linkerschoen heeft nu ook mijn rechter zal vinden.