Hoe kan ik nummer 34 verstaan? In Tervuren wordt de Afrikaanse kunst eindelijk zelfstandig

Het Afrikaanse kunstwerk verovert in het Westen zijn eigen plaats, ver van de schalen, bijlen en andere gebruiksvoorwerpen waarmee het zolang over een kam is geschoren. Ook in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in het Belgische Tervuren mogen de kunstvoorwerpen voor zichzelf spreken. Maar wat zeggen ze dan? En kunnen wij hen wel verstaan?

Verborgen schatten. Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Leuvensesteenweg 13, Tervuren, Brussel. Bereikbaar vanaf Brussel centraal station met metrolijn 1b tot Montgomerystation, vandaar tram 44 tot het eindpunt. T/m 26 nov. Di t/m zo 9-17u30. Catalogus 400 blz. Prijs 2000 BF.

Het wemelt van de borsten op de tentoonstelling Verborgen schatten. Vooral de Kongo en de Luba laten er een groot aantal zien: grote en kleine, appels en peren, slappe zakjes en harde puntjes. Sommige hebben iets te doen. Ze geven melk aan een kind dat op de gekruiste benen van de vrouw ligt. Andere hangen of staan alleen. Af en toe houdt een vrouw ze in haar handen, ondersteunt ze, biedt ze aan. De mooiste zijn van ivoor en behoren toe aan een dame met een grappige grijns die knielt op de top van een chefsstaf uit Neder-Zaïre. Ze zijn iets lager geplaatst dan in werkelijkheid misschien wenselijk is en ze hangen bijna, maar de zwaartekracht heeft de strijd nog niet gewonnen, de tepels wijzen naar voren.

Zulke borsten als nummer 34 heeft zijn mooi. Misschien gleed de bezitter van de staf vaak met zijn vingers over het gladde ivoor en liet hij het harde randje van de tepel tussen zijn nagel en wijsvingertop schuiven. De meeste gebeeldhouwde vrouwen in Tervuren hebben zulke borsten echter niet: zelfs niet die op de andere vijf vergelijkbare staven in de omgeving. Het zijn harde driehoekjes, misschien ook lekker om te strelen, maar niet om naar te kijken. Sommige lijken uit de sleutelbeenderen te groeien, zo hoog zijn ze geplaatst.

Nummer 34 is meestal niet te zien in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika; het ligt, samen met een kwart miljoen andere objecten, in de kelders van het museum. Sommige liggen daar al sinds het begin van deze eeuw, in de zalen worden maar 800 objecten getoond.

Het museum is een erfenis uit de koloniale periode van België, net als het Tropenmuseum in Amsterdam dat is van de Nederlandse. Het interieur van het Belgische museum lijkt alleen minder vaak gemoderniseerd dan dat van het Nederlandse instituut; een groot deel van de toonzalen in Tervuren is bijvoorbeeld gevuld met opgezette dieren, die in diorama's zijn ondergebracht. Alleen de olifant en de giraffe waren te groot om in een eigen landschapje te huisvesten. De etnografische stukken zijn ondergebracht in grote glazen kasten met opschriften als 'de jacht' en 'opschik en kledij'. Meer kreeg de bezoeker er nooit te zien; tijdelijke tentoonstellingen organiseerde het museum tot drie jaar geleden niet, noch uit eigen, noch uit andermans bezit. De vrouw met de mooie borsten is misschien een eeuw niet gekoesterd. Maar het roer is nu om in Tervuren; men wil de grote collectie nu ook voor het publiek toegankelijk maken door middel van exposities over één thema.

Het museum is ontstaan uit de tijdelijke tentoonstelling die Leopold II, koning van België en van Kongo-Vrijstaat, in 1897 in het park Tervuren liet inrichten om de Belgen warm te maken voor investeringen in zijn tweede koninkrijk. De trommel die nu als verborgen schat zijn tweede debuut maakt, was toen opgesteld in het Kongolese dorp dat bewoond werd door tweehonderd negers; geen koloniale expositie was immers compleet zonder het tonen van de 'natuurvolkeren' die de kolonie bewoonden, zij konden net als een trommel of een speer als exotica tentoongesteld worden.

Spijkerfetisjen

Toen Leopold de vrijstaat in 1908 aan België schonk, kwam ook het museum in bezit van de staat. Het museum, na de onafhankelijkheid van de Kongo in 1960 herdoopt in Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, ontwikkelde zich tot een belangrijk wetenschappelijk instituut op allerlei gebied, dat in de weldadig en soms ietwat potsierlijk ouderwetse museumzalen zijn neerslag vindt: zowel de minerale rijkdommen, het landschap, de dierenwereld en de etnografica komen er aan bod. Het museum verzamelt nu ook voorwerpen uit de rest van Afrika en uit Zuid-Amerika. Nog steeds is het nadrukkelijk geen kunstmuseum, maar het stelt deze zomer wel 250 voorwerpen uit de voormalige Belgische kolonie als kunstwerken ten toon: maskers en spijkerfetisjen (tegenwoordig wegens de negatieve klank van dat woord nkonde genoemd), koningsstaven en hoofdsteunen, voorouderfiguren en doodkisten, allemaal in hun eigen vitrine, beschenen door warm, zacht licht en voor de catalogus bijzonder fraai gefotografeerd door Roger Asselbergs. De voorwerpen in de rechtervleugel van het museum zijn deze zomer allemaal meesterwerken, dat hebben experts al vastgesteld; klassieke meesterwerken, want de collectie van Tervuren is niet alleen beroemd om haar omvang, maar ook om haar ouderdom. Veel stukken zijn, anders dan in de meeste volkenkundige musea, al aan het begin van deze eeuw verzameld, door wetenschappers van het museum, missionarissen en koloniale ambtenaren. Voor 1910 telde de etnografische collectie al meer dan 30.000 voorwerpen.

Nummer 34, de vrouw met de mooie borsten, werd in het museum ingeschreven in 1950. Wanneer ze gemaakt is weet niemand, het is in de archieven van het museum niet terug te vinden. Wie is zij? Waar komt ze vandaan? Door wie werd ze gemaakt? Waarom heeft zij wel mooie borsten en haar buren niet? Op het kaartje dat naast haar hangt staat alleen: 'Mvwala stafbekroning. Kongo. Neder-Zaïregebied. H. 34 cm.' Voor veel kunstliefhebbers zijn deze summiere gegevens een teken van emancipatie. Ze ligt niet meer in de kelder te niksen en ze hoeft in de vitrines van de vaste collectie geen illustratie meer te zijn van de leefwijze van een bepaald volk. Ze mag eindelijk voor zichzelf spreken, zoals het ook door het museum in Tervuren gebezigde cliché luidt. Maar wat zegt ze dan? Kan ik haar wel verstaan?

Kijken naar Afrikaanse kunst in een westers museum is verwarrend, ook al gebeurt dat, zoals in dit geval, in een volkenkundig museum. Het museum herbergt deze zomer twee manieren om naar Afrikaanse voorwerpen te kijken: de antropologische en de esthetische. In de linkervleugel, op de permanente tentoonstelling, liggen voorwerpen die met een bepaald onderwerp te maken hebben bij elkaar. Nummer 34 zou bijvoorbeeld in een vitrine over opschik of over machtsstructuren geplaatst kunnen worden. In de rechtervleugel, op de tijdelijke tentoonstelling, baadt elk voorwerp in zijn eigen licht; wat het voorstelt is niet meer zo belangrijk: het draait nu om de artistieke kwaliteiten. Op beide exposities is weinig verklarende tekst aanwezig, maar de tekst die er is, vertrekt van een heel ander uitgangspunt: op de permanente expositie verklaren voorwerpen de cultuur, op de tijdelijke tentoonstelling verklaart de cultuur de voorwerpen.

Een aantal voorwerpen is deze zomer daadwerkelijk van de ene naar de andere vleugel overgebracht, en het is moeilijk in deze reis geen vooruitgang te zien. Het kunstwerk verovert zijn eigen plaats, ver van de schalen, bijlen en andere gebruiksvoorwerpen waarmee het zolang over een kam is geschoren. De Afrikaanse kunst wordt eindelijk zelfstandig, de gelijke van de westerse kunst die in de negentiende en twintigste eeuw haar eigen plaats heeft bevochten. Maar is het wel een vooruitgang? De Zaïrese volken deelden hun voorwerpen niet in dezelfde categorieën in als westerlingen.

In de catalogus van Verborgen schatten beschrijft Alain Nicolas, directeur van een vooruitstrevend volkenkundig museum in Marseille, een aantal voorwerpen vanuit esthetisch oogpunt. Van het ene werk roemt hij de plastische weergave, van het andere de fijne behandeling van het materiaal. Borsten zijn bij hem onderdeel van 'een meesterlijke aaneenschakeling van curven en volumes'. Of ze mooi zijn, doet er niet toe; net zo als het er niet toe doet of de borsten van Les demoiselles d'Avignon mooi zijn.

Nicolas probeert de werken van Picasso in zijn beschrijving te vermijden, maar toch kan hij er niet onderuit één beeld, een clanmoederfiguur van de Suku, dat waarschijnlijk uit de negentiende eeuw dateert, met de grote schilder in verband te brengen: hij noemt het kubistisch.

Vloek van Picasso

De ontdekking van de Afrikaanse kunst door Picasso en de zijnen is voor de westerse kunst een zegen geweest, maar is voor de Afrikaanse kunstwerken in zekere zin een vloek. De werken lijken soms erg op elkaar, dat is zeker, maar kun je er ook op dezelfde manier naar kijken? Voor westerse kunstenaars was realisme de regel en dat is nog steeds van belang wanneer je naar een Picasso kijkt. Maar voor Afrikaanse kunstenaars geldt dat misschien helemaal niet. 'Het waarderen van Afrikaanse beeldhouwwerken om hun vervormingen betekent eigenlijk dat wij er niet in slagen hen überhaupt te waarderen. Wij zijn daarom waarschijnlijk helemaal niet in staat hen te begrijpen,' schreef de Amerikaanse filosoof Arthur Danto in 1990 in een essay.

Het lijkt er in ieder geval op dat de waardering van Afrikaanse kunst een afgeleide is van de veranderingen in de westerse kunst. Met de afname van het belang van realisme in de westerse kunst, neemt de waardering voor Afrikaanse kunst toe.

Ook andere stromingen dan het kubisme hebben voor een bredere waardering van Afrikaanse voorwerpen gezorgd. Ze hebben het aantal kunstwerken onder de voorwerpen steeds uitgebreid. Sinds het minimalisme en de arte povera komen bijvoorbeeld naast maskers en beelden ook andere voorwerpen in aanmerking voor de status van kunstwerk. Hoe misleidend de gelijkenis tussen moderne kunst en Afrikaanse voorwerpen kan zijn, bleek een paar jaar geleden op de didactische tentoonstelling Art/artifact in New York. Deze door het Center for African Arts georganiseerde expositie bestond voor een groot deel uit hetzelfde soort voorwerpen als de huidige tentoonstelling in Tervuren: een moeder met kind figuur van de Kongo, een masker van de Kuba, een nkonde van de Vili. Tussen deze eerbiedwaardige voorwerpen hadden de organisatoren voor de grap een opgerold vissersnet van de Zande als een minimalistisch kunstwerk gepresenteerd. Verscheidene verzamelaars belden naar het centrum op om te vragen waar ze zo'n prachtig net konden kopen.

De kunsthistorica/antropologe Sally Price legt in het boek Primitive Art in Civilized Places nog een ander, onverwacht, verband tussen westerse en Afrikaanse kunst. Veel collectioneurs van Afrikaanse voorwerpen zien hun rol bij het verzamelen als veel actiever dan bij het verzamelen van westerse kunst. Het zijn zij, en niet de makers van de objecten of hun gebruikers, die de voorwerpen tot kunst maken, juist door ze te verzamelen. Wat in Zaïre of Angola een gebruiks- of religieus voorwerp was, wordt in het westen kunst. 'In wezen vinden ze wat zij doen voor Afrikaanse sculptuur hetzelfde als wat Andy Warhol deed voor Brillo dozen', schrijft Price, 'of preciezer gezegd, Marcel Duchamp voor urinoirs.'

Antropomorf

De experts die de voorwerpen voor Verborgen schatten hebben geselecteerd, zijn geen kunsthistorici, maar antropologen. Zij kozen de voorwerpen ditmaal echter uitdrukkelijk ook om hun esthetische waarde. Misschien dat de expositie daarom een traditioneler beeld van de Afrikaanse kunst geeft dan bijvoorbeeld op Art/artifact het geval was. De antropologen kozen in ieder geval voor Afrikaanse voorwerpen die lijken op ouderwetse westerse kunst: veel maskers en menselijke figuren, die bovendien meestal van slechts één materiaal zijn vervaardigd. De paar gebruiksvoorwerpen die ze uitkozen zijn zonder uitzondering antropomorf.

Aan de andere kant laat het feit dat de antropologen aan een dergelijke expositie meewerken, zien dat de antropologische en de esthetische manier van kijken naar elkaar toe groeien. De reis van de linker- naar de rechtervleugel kan een voorwerp tegenwoordig zonder gezichtsverlies ook in de tegenovergestelde richting maken: en waarom zou een voorwerp ook niet voor verschillende doelen gebruikt kunnen worden, de ene keer geroemd worden om zijn artistieke kwaliteiten en de andere keer informatie verschaffen over een bepaalde cultuur? Het beste zou het zijn als het allebei tegelijk kon.

Toch is de tegenstelling nog niet helemaal overbrugd: na de inleiding van Nicolas nemen de antropologen het roer in de catalogus over. In het persbericht wordt over die catalogus geschreven: 'Bedoeling was om ook, via een catalogus, de verborgen dimensie te verklaren naast de louter esthetische dimensie. Kortom, om de echte reden van het bestaan van de werken toe te lichten.'

In de catalogus komen we dus eindelijk meer te weten over nummer 34. Het is een ingewikkeld verhaal, maar het komt erop neer dat de staf werd gebruikt in de rituelen van de Kongo die verwezen naar de stichtingsmythe van het koninkrijk van dit volk in de (westerse) Middeleeuwen. De vrouw op de staf stelt de stammoeder van een clan voor. Ramona Austin bespreekt uitvoerig de ruitmotieven van de lidtekentatoeages op de buik van nummer 34. Ze verwijzen naar de vruchtbaarheid. De schrijfstijl van de antropologen is over het algemeen gortdroog, maar ook Austin moet getroffen zijn door de uitzonderlijke borsten van nr. 34, want als ze dit detail bespreekt, wordt ze opeens lyrisch: 'Ze heeft de volle, ronde borsten van een gezonde vruchtbare vrouw in de bloei van haar leven: borsten vol voedsel voor haar kind.' Maar waarom de borsten van de clanmoeders op de andere staven er heel anders uitzien, beschrijft ze niet, helaas niet. Ook in de rest van de catalogus wordt over de vorm van de borsten niet geschreven. Over de navel, die op veel beelden een prominente rol speelt, zowel bij mannen als bij vrouwen, wordt evenmin veel informatie gegeven.

Misschien is dergelijke informatie zo basaal dat hij in een antropologische tekst niet genoemd hoeft te worden. En zoals gezegd vinden we er bij de kunsthistorici ook niets over; die schrijven immers ook niet over de borsten van Venus van Botticelli. Bovendien riekt de roep om dergelijke informatie al snel naar ongepaste vragen over rassenkenmerken. In de negentiende eeuw verschenen daarover rijk met foto's geïllustreerde boeken als Das Weib bei den naturvölkern en Die Rassenschönheit des Weibes. Ze werden goed verkocht, niet zozeer om hun vermeende wetenschappelijke als wel om hun erotische waarde. Hoe zwarter de huid, hoe meer naakt er van de Europse censuur was toegestaan. Toch kunnen foto's ons misschien dichterbij de Afrikaanse kunst brengen. Of misschien is het beter om te zeggen: op gepaste afstand houden. In een catalogus van het Berlijnse museum voor Volkenkunde uit 1990 vond ik een foto van een Chokwe meisje, in 1930 genomen tijdens een wetenschappelijke expeditie. In het onderschrift staat onder andere: 'Dit Chokwe meisje belichaamt hun schoonheidsidealen in haar kapsel, tonggebaar, gevijlde tanden, halsketting en littekentatoeages.' Het is ongebruikelijk dat zo'n foto in een kunstcatalogus staat. Nog ongebruikelijker is de volgende zin van het onderschrift: 'Dezelfde kenmerken zijn gevangen in de vrouwelijke figuur (ca. no. 31) die bijna vijftig jaar voordat deze foto werd genomen, werd verzameld.' Maar het is wel relevant. Om het beeld te kunnen waarderen, is het van belang te weten dat de Chokwe gevijlde tanden als een teken van schoonheid beschouwden. Over borsten wordt in het onderschift niets gezegd, maar ook hier kan sprake zijn van een andere werkelijkheid en van een ander schoonheidsideaal dan in het Westen. Als dat zo is, slaat Austin de plank mis met haar opmerking over de borsten van nummer 34. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat de kunst van Afrika realistisch is. Maar het geeft wel aan waar het in de westerse belangstelling voor Afrikaanse kunst nog steeds aan ontbreekt: oog voor de esthetica van de Afrikanen zelf. Dat veel Afrikaanse volken geen apart woord voor kunst hebben, betekent niet dat ze bepaalde voorwerpen niet op een esthetische manier waarderen. Over het 'kubistische' beeld van de Suku zegt Nicolas bijvoorbeeld dat het beeld onderaan wat zwakke punten vertoont: de benen staan te ver uit elkaar en de voeten zijn aan de kleine kant. Maar wie weet vonden de Suku beelden met kleine voeten wel veel geslaagder dan beelden met grote voeten: noch hun kijk op voeten noch hun kijk op de harmonieuze verhoudingen binnen een beeld hoeft overeen te komen met die van ons. De beelden die westerlingen omstreeks 1900 verzamelden, hoeven helemaal niet de beelden te zijn die de makers en de gebruikers ervan zelf het meest geslaagd vonden.

Voor veel van de verborgen schatten die nu in Tervuren te zien zijn, is het voor een dergelijke aanpak te laat. Afrikaanse kunst is niet statisch, veel van de objecten uit het begin van de eeuw worden er niet meer, of in een volkomen andere stijl gemaakt. Informatie over schoonheidsidealen uit die tijd waarin de objecten gemaakt werden, ontbreekt vaak omdat de verzamelaars daar geen interesse voor hadden.

Over de borsten van nummer 34 valt daarom niets met zekerheid te zeggen. Zijn ze mooi? Zijn ze lelijk? Nummer 34 lacht ons uit.