Het woord is paard geworden; Waarom schrijven zoveel duidelijker is dan schilderen

Hoe teken je een paard dat bij een mens op schoot wil? Charlotte Mutsaers stortte zich in haar jeugd vol overgave op dit probleem, maar merkte al snel dat ze zo'n gebeurtenis veel beter kon schrijven dan tekenen. “Jij verschaft het paard een vluchtlijn en het paard verschaft er een aan jou, en dan maar hopen dat je daarlangs samen ontsnapt. En als je niet ontsnappen kunt, wel, dan ligt er in elk geval een mooi boek.”

Dit is een bekorte versie van de Van Gogh-lezing die Charlotte Mutsaers op 16 juni in Den Bosch heeft uitgesproken.

Wie zowel schrijven als schilderen kan wordt altijd maar weer aangesproken op zijn dubbeltalent. Ik ben geen dubbeltalent, ik ben een triple-talent! Als u eens wist hoe goed ik paard kon rijden. Met of zonder zadel, door de bossen, in de piste of langs het strand, stapvoets, dravend of in galop, voor- of achteruit... Maar om de een of andere reden schijnt dat niet te tellen. Waarschijnlijk omdat er een dier bij betrokken is. Toch is paardrijden een echte kunst, kijk maar in het woordenboek. Terwijl men tevergeefs naar woorden als voetbal-, tennis-, of schaakkunst zal zoeken, staat rijkunst er gewoon in. Terecht, want niet alleen is paardrijden een kunst, het is tevens de moeder van alle andere kunsten. Zo is het nu eenmaal. Vraag maar aan verwoede ruiters als Dante, Goethe, Kafka, Shakespeare, Louis Lehmann, Cervantes, Kleist, Laurel en Hardy, Jünger, Picabia en Stevie Smith. Om met verve de kwast, het potlood of de pen te voeren, moet je eerst het klappen van de zweep hebben geleerd. Hoe zou je de wereld anders naar je hand kunnen zetten? En wat is kunst maken anders dan het zetten van de wereld naar je hand?

Om kort te gaan: ik kan alleen het over deze materie hebben vanuit mijn amazone-hart. Mocht dat hart al doende de trekken van een paardehart gaan vertonen, dan is dat geen vergissing maar mooi meegenomen. Ik hoop dat ik duidelijk zal kunnen maken waarom.

Zodra ik het plan had opgevat om iets over tekst en beeld op papier te zetten kreeg ik al spijt. Ik kon toch niet wéér met de pijp van Magritte en de pijp van Maigret komen aanzetten? IJverig begon ik in mijn rijbroek brain te stormen achter een vel papier. Ideeën, concepten, schema's, kom maar op! Het papier bleef blanco. Dat duurde ongeveer een uur. Toen begon mijn hand ineens te beven en zag ik tot mijn stomme verbazing - het leek wel spiritisme - de kapitale zin TOONTJE HEEFT EEN PAARD GETEKEND onder mijn vingers vandaan draven. Een zin die een tekening bevat, hoe toepasselijk. Eerst moest ik erom glimlachen: die Toontje toch. Die kleine Toontje en dat grote paard. Daarna kreeg ik het land. Zelf had ik in mijn leven wel duizend paarden getekend en wie had dát van de daken geschreeuwd? Maar omdat de ervaring me inmiddels had geleerd dat je spontaan opkomende zinnen nooit uit de weg moet gaan, aangezien ze altijd een handreiking van de inspiratie zelf zijn, besloot ik het verschafte spoor maar direct te volgen. Daarbij waren twee vragen van belang: waar kwam die zin vandaan en waar bracht hij me naar toe. Als de eerste vraag eenmaal beantwoord is, dacht ik, beland ik vanzelf waar ik wezen moet. Terstond nam ik een forse duik in mijn geheugen. Het hielp, omringd door wijde kringen kwam er van alles bovendrijven.

Toontje heeft een paard getekend was de titel van een toneelstuk uit mijn jeugd. Fien de la Mar had er geloof ik de hoofdrol in gespeeld. Zelf had ik het nooit gezien maar ik herinnerde me nog goed dat mijn ouders er een knallende ruzie over maakten. Ik wou dat toneelstuk ook wel eens zien. 'Later', zei mijn vader, 'als je ontgroeid bent aan de moederschoot'. Kennelijk bevroedde hij niet dat dat in mijn geval onmogelijk was.

Je vraagt je af wat er zo bijzonder is aan het tekenen van een paard dat er een heel toneelstuk aan kan worden opgehangen. Als Toontje het bewuste paard nu eens niet getekend maar geschreven had (gesteld dat hij schrijven kon), zou dat dan ook een pakkende titel hebben opgeleverd? Hiermee bevinden we ons meteen middenin de problematiek. Een paard schilderen mag namelijk wel en een paard schrijven mag niet! Men kan een gedicht schrijven, een brief of een boek maar geen paard. Paarden laten zich slechts beschrijven, althans volgens de gebruikelijke taalregels. Volgens die regels is de zin Toontje heeft een paard geschreven zelfs ronduit ongrammaticaal (tenzij het paard meewerkend voorwerp is uiteraard). Daarom niet getreurd. Een schrijver die werkelijk wat wil, ontwerpt zijn eigen grammatica en binnen die grammatica mag het object bij een overgankelijk werkwoord natuurlijk naar believen worden ingevuld. Ook mogen subject en object rustig in elkaar overgaan, graag zelfs. Een paard schrijven dat neerkomt op een paard worden, als men snapt waar ik naar toe wil. Maar laten we niet op de zaak vooruitlopen.

Wie is Toontje eigenlijk? Ik heb het Theaterinstituut maar eens gebeld. Inderdaad betreft het een toneelstuk dat in de jaren veertig en vijftig furore maakte. Alleen was het niet Fien de la Mar die er een belangrijke rol in speelde maar Fie Carelsen. Als ik zin had mocht ik de videoband onmiddellijk komen bekijken (kijkduur 93 minuten). Dat leek me een uitstekend idee. Ik besloot er evenwel mee te wachten tot het eind. Op die manier blijft de spanning erin en kunnen we ons in de tussentijd met andere paarden in woord en beeld bezighouden. Misschien dat dan tevens duidelijk wordt waarom ik het schrijverschap uiteindelijk boven het teken- en schilderschap heb verkozen.

Nachtwacht

'Paarden zijn bijna hetzelfde als/ mensen, maar lichaam en huis tegelijk', heeft Rutger Kopland gedicht, en zo voel ik het ook. Evenals hij heb ik in mijn jeugd eindeloos veel paarden getekend. Ik bewonderde paarden, en ik hoopte deze lieve, hoogverheven wezens al tekenend in mijn nabijheid te brengen. Ik tekende bovendien niet zomaar paarden, ik tekende mezelf er altijd bovenop. Zo werd ik zelf ook een beetje hoogverheven. Ruiter en paard zijn één. Stellig heb ik me al tekenend een ruiter gewaand. Maar dan wel een klein ruitertje op een heel klein paard, want in tegenstelling tot de schrijver kan de tekenaar nooit echt aan het formaat van zijn papier ontkomen en mijn schetsboek had niet het formaat van De Nachtwacht. Vandaar dat ik rond mijn dertiende met alle geweld paard wou leren rijden. Om het eens in het echt mee te maken, in het groot wel te verstaan. Lichaam en huis tegelijk.

Maar er moet meer in het geding zijn geweest. Hoe kwam het eerste paard bijvoorbeeld in mijn leven? Ik heb daar lang over nagedacht en ben toen uitgekomen bij mijn vaders knie. Het mag vreemd klinken, maar wanneer je zoals ik nooit door je moeder op schoot bent genomen, neemt de vaderlijke knie in je verbeelding alras Ros Beiaard-achtige proporties aan. Haarscherp herinner ik me nog de eerste keer. Ik zat op zijn linkerknie, die er lustig op los galoppeerde, terwijl hij 'Hop hop, paardje', zong, 'rij maar naar de stal.' Tot mijn verbijstering keek hij míj daarbij aan. Was zijn knie nou het paard of was ik het? Of deed het er niet toe? O, knie en evenknie! Dat met niets vergelijkbare, wonderlijke ruitergevoel van rijjijofrijik. Het genot der wederzijdse wilsoplegging. Toen hij me later op zijn nek liet rijden, waardoor ik pas goed aan mijn kleinheid ontsteeg, is dat gevoel er nog veel sterker op geworden. Vaderlijke knie en vaderlijke nek, voor een meisje kan daar geen moederborst aan tippen.

Ik bezit een houtsnede van de Belgische kunstenaar Frans Masereel die dit triomfgevoel treffend weergeeft. Wie beweegt zich daar door het bos, een dubbelhoofdige man of een heel lang meisje met mannebenen? Zijn kraag is haar rok. Paard en ruiter en de ruiter draagt in dit geval de paardestaart. Een schitterende afbeelding. Maar nu in taal! Uitgaande van nagenoeg hetzelfde onderwerp heeft Marieke Jonkman het volgende vers gemaakt:

De schouders met het rokje afgedekt, het hoofd rechtop. Vlak voor het vertrek treft mij van pappa paard de moedervlek. Nu schommelt tussen hals en vaderlijke nek dit kaal verleden met de zwarte zonnevlek. Hij kan niet plagen. Urine geurt. Het boek blijft plagen: wat is er met de intellectueel gebeurd? Het verlaagde voorhoofd dat het heden wrijft verleent de mond nog wil en waardigheid. Vortsik zeg ik voor de aardigheid. Hoe dierbaar de houtsnede van Masereel mij ook is, je raakt erop uitgekeken. En op dit intrigerende gedicht raak ik nooit uitgekeken. Het levert de ene verrassing na de andere op. Uiteraard ligt dat in de eerste plaats aan het originele talent van Jonkman, die een expert is in gedaanteverwisselingen, maar het ligt eveneens aan de ongekende mogelijkheden van de taal. Wat hier bereikt wordt middels tijdsprongen, geuren, gevoelens, raadsels en overdrachtelijkheden, laat zich met geen enkele kwast of tekenpen te voorschijn roepen. Je hoort dikwijls zeggen: woorden schieten te kort. Zou dat met beelden ook niet het geval kunnen zijn?

Een ander voorbeeld. Paarden staan bekend als geweldige huilebalken - geen wonder met zulke grote ogen - en dat heeft zijn neerslag gevonden in de literatuur. Oud-gymnasiasten zullen zich het paard Aëthon misschien nog herinneren dat achter de kist van zijn dode meester Pallas aanliep met kletsnatte wangen.

Aansluitend bij deze traditie heeft Jan Cremer zijn Blue Horse geschilderd en men kan niet ontkennen dat hij daarmee een ontroerend kunstwerk heeft gemaakt. Maar waaróm laat dat paard zijn tranen eigenlijk lopen? Handelt het hier om druipende verf of handelt het om verdriet? Zet daar nu eens het huilende paard van Majakovski tegenover. In zijn hartverscheurende gedicht Behandel de paarden met zachtheid (vertaling Marko Fondse) laat deze een oud maar monter trekpaard opdraven. Zijn entree wordt ingeluid met muzikaal hoefgetrappel. Dan, bij een spiegelgladde brug, dondert het ineens op zijn gat. Joelend loopt de massa te hoop om ervan te genieten. Alleen de ik-figuur geeft van een Nietzschiaanse bekommernis blijk en stapt er op af. Dan volgt deze passage:

Ik nader en zie - traan op traan tappelings rolt langs zijn snuit schuil in zijn vacht... En iets van gemeenschappelijk dierlijk verdriet welde klaterend uit me en verruiste zacht. 'Paardje, niet doen nou. Luister nou, paardje - dacht u nou heus dat u minder als zullie daar waard bent? Kindje toch, zijn wij niet allen zo'n beetje paarden? Elk naar zijn aard zijn we allemaal paard.' Het aldus toegesproken paard springt met een ruk in zijn hoeven, gaat met wuivende staart aan de haal, stelt zich op stal en denkt: 'ik ben een veulen en het loont te leven met sloven en al.' Prompt verandert de lezer, die eerst al in een paardje naar zijn aardje was veranderd, óók in een veulen. Welnu, het teweegbrengen van dergelijke metamorfoses, die bovendien nog met een katharsis gepaard gaan, geen beeldende kunstenaar doet hem dat na. Zulke mogelijkheden zitten er bij de beeldende kunst domweg niet in. Begrijp me goed, de beeldende kunst heeft vele mogelijkheden. Het gaat me hier echter niet om wat zij wél vermag, maar om wat zij niét vermag, en als je nu eenmaal graag een veulen bent...

Boterpaard

Dit brengt me op Batailles boterpaard. In De innerlijke ervaring heeft Georges Bataille een boterpaard opgevoerd ter illustratie van het lyrisch potentieel. Hij zegt: 'Wanneer de boerendochter de boter zegt of de stalknecht het paard, kennen ze de boter, het paard. De kennis die zij ervan hebben put het idee van kennen in zekere zin zelfs uit, want zij kunnen naar believen boter maken, paarden aan de teugel voeren (...). Maar de poëzie leidt daarentegen van het bekende naar het onbekende. Zíj kan wat de knecht of de dochter niet kunnen, een paard van boter introduceren.' Direct nadat ik dat gelezen had, heb ik me aan tafel gezet om een boterpaard te tekenen. Het lukte van geen kant. En het zou Toontje ook niet gelukt zijn. Toen probeerde ik het te schilderen. Dat lukte evenmin. Weliswaar had ik steun aan de kleur geel, maar het geconterfeite paard had niets boterachtigs en had net zo goed van klei, cakedeeg of smeerkaas kunnen zijn. En dat het maar niet wou smelten! En dat het voor altijd zijn gele hoofd achterna liep, terwijl je met een geschreven boterpaard alle kanten uit kon! Daarom besloot ik het genoeglijke gezelschap van stalknecht en boerendochter te verrijken met de schilder en de tekenaar. Zij voelden zich daar opperbest.

Wie nu zoetjesaan meent te weten waarom ik de beeldende kunst voor de literatuur verlaten heb, vergist zich. Al deze bevindingen hebben ongetwijfeld een rol gespeeld maar de ware aanleiding - ik beken het ruiterlijk - was een paard van vlees en bloed.

Laten we terugkeren naar 1956. Voor het eerst in mijn leven krijg ik paardrijles. Afgezien van mijn vaders knie heb ik alleen nog maar op Vliegende Hollanders, autopetten en fietsen gereden. Het verschil met een warme paarderug is enorm. De sensatie is zelfs zo groot dat ik de gemankeerde moederschoot in no time vergeet. Mijn tekenkunst neemt evenredig met mijn rijkunst toe. Een opbloei van paardetekeningen is het gevolg. Tussen 1956 en 1959 maak ik er vijfhonderddrie. Dan, in de lente van 1959, gebeurt er iets heel ongerijmds.

De manegedirecteur heeft een fonkelnieuw paard aangeschaft, half arabier, half Engelse volbloed, een ware schoonheid. Volgens de pikeur echter een kat in een zak. Hoewel het een ruin is, bokt en steigert hij dat het een aard heeft. Om zijn kuren wat meer aanzien te geven krijgt hij de naam Petit Artist aangemeten, kortweg Petit. Ik weet niet hoe het komt, maar het botert dadelijk tussen mij en Petit. Omdat ze bij de manege in de gaten krijgen dat ik een kalmerende invloed op hem heb, mag ik hem zelfs twee maal per week gratis berijden. Nooit problemen met Monpti. Maar dan. Op een stralende lentedag - ik ben inmiddels zestien en een volleerd amazone - begeef ik me op zijn rug naar de Lage Vuursche om daar een appelpannekoek te eten. Deze pannekoek nu bleef ongebakken, want we zijn nooit ter plaatse aangekomen.

We waren nog maar halverwege of Petit hield met een ruk halt, aarzelde even en begon te bokken. Bij een auto geef je vol gas, bij een paard bijt je in het zand. Terwijl ik verbouwereerd op het mos zat, zag ik dat Petit zelf ook door de knieën ging en langzaam op me af kwam gekropen. De manoeuvres die hij maakte waren zo eigenaardig en de manier waarop hij me aankeek was zo speciaal dat ik maar één conclusie kon trekken: hij wil op schoot. Hoe dit afliep staat te lezen in Rachels rokje.

Rooie draad

Deze ervaring, die om diverse redenen diepe indruk op me had gemaakt, wou ik met alle geweld in beeld brengen en daarmee begonnen de problemen. Want hoe doe je dat? Hiermee vergeleken is het paard van Toontje kinderspel. Ik heb het nog niet eens over het immense paardelichaam en de ontoereikende schoot. De cruciale vraag is wat er overblijft van een complex voorval dat onttrokken wordt aan zijn samenhang. Niets immers? Wanneer ik de tijd en het talent had gehad om een tapisserie van Bayeux te maken (die overigens de fraaiste collectie paarden uit de hele kunstgeschiedenis bevat), ja dan was het me misschien stapje voor stapje gelukt. Maar ik, die al moeite heb met één rooie draad, zag mezelf geen kilometers stof borduren. Ook de tapisserie van Bayeux kon het trouwens niet zonder woorden stellen. De zevenenvijftig Latijnse teksten in de bovenrand ondersteunen de samenhang en illustreren perfect wat niet in beeld kon worden gebracht, zoals: - Hier wordt vlees gekookt. - Hier vraagt hertog Willem aan Vitalis of hij Harolds leger heeft gezien. - Hier spreekt koning Edward in zijn bed zijn trouwe vrienden toe. - En hier is hij dood. Om een lang verhaal kort te maken: ik slaagde er op geen enkele wijze in het paard dat op schoot wou adequaat af te beelden. Hierdoor werd ik in eigen ogen ook een petit artist (een onbewuste poging tot paardwording!) en hield ik de paardentekenarij binnen de kortste keren voor gezien. Het geval liet me echter niet los. Ofschoon ik vol overgave andere zaken begon te tekenen en te schilderen, bekroop me voortdurend het gevoel dat ik om mijn échec heen werkte, als men begrijpt wat ik bedoel. Zo schilderde ik mezelf menigmaal met mijn hond op schoot. Maar een hond is geen paard en op schoot zitten is niet hetzelfde als op schoot willen. Vervolgens wierp ik me op de pietà. Maar een dode zoon hangend op de schoot van zijn moeder is heel iets anders dan een levend paard dat snakt naar de schoot van zijn berijdster, en goedbeschouwd had ik met Maria weinig op. Het knagende gevoel tekort te zijn geschoten, zowel ten aanzien van Petit als van mijzelf, werd er met de dag heviger op en nam tenslotte obsessionele vormen aan. Een ander had het vermoedelijk al lang over de abstracte boeg gegooid. Dat leek me niets. Abstractie grenst aan extractie en met het wegnemen van de concreetheid van iets, trek je in ene het bloed eruit. Waarom zou ik me vrijwillig gaan toeleggen op structuren als het me om vacht, manen en een kloppend hart was te doen? Ik had het toch niet op de werkelijkheid gemúnt? Ik wou haar alleen maar omzetten. Lukte dat niet met beelden? Best! Als er schilderachtige onderwerpen bestaan, dan ook schrijfachtige. Ik zou het voortaan met woorden doen.

Ik kocht een set ballpoints, een bril en een pak papier en werd schrijver. Niet dat schrijven nu onmiddellijk van een leien dakje ging. Integendeel, vergeleken met schilderen was het hard labeur. Daar kwam bij dat ik niet voornemens was het paard dat op schoot wou te beschrijven. Beschreven paarden waren er genoeg - de wereldliteratuur daverde er bij kans van - het mijne zou geschreven worden! De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik geen flauw idee had hoe ik dat moest aanpakken. Want wat was dat in hemelsnaam een paard schrijven? Het was niet: een tekst fabriceren in de vorm van een paard zoals Apollinaire dat had gedaan. Het was ook niet: het woord paard samen met een stel andere woorden in een landschapachtig geheel neerzetten op de wijze van Magritte. Maar wat was het dan wel?

Zonder me te realiseren wat ik me op de hals haalde, ben ik maar gewoon begonnen. Gewoon begonnen? Meer dan drie maanden ben ik met de eerste regels in de weer geweest en nog geen hoef, nog geen haartje stond er op papier.

Ik hoop dat u zich De pest van Camus nog herinnert en dat uw herinnering verder reikt dan tot dokter Rieux en de rattenplaag. Ratten en doktoren zijn voorzeker interessant, het boek draait evenwel om een kleine ambtenaar. Deze kleine ambtenaar, die niet voor niets de naam Grand draagt, koestert naast zijn stadhuiswerk de hartstochtelijke wens een meesterwerk te schrijven. Omdat hem daarbij een bepaalde graad van perfectie voor ogen staat, raakt hij echter nooit verder dan de eerste zin, hetgeen hem smartelijke zorgen baart: 'Avonden, wekenlang over een woord... soms maar een gewoon voegwoord.' Wanneer dokter Rieux hem een keer thuis bezoekt, treft hij daar stapels dichtbeschreven vellen vol doorhalingen aan. 'Kijk er niet naar', zegt Grand. 'Het is mijn eerste zin. Daar heb ik moeite mee, erg veel moeite,' een understatement van het zuiverste water. Na enig aandringen weet Rieux hem zo ver te krijgen dat hij de zin in zijn immer onaffe staat aan hem voorleest. En dan volgt een zin, die ik in al zijn onvolkomenheid reken tot de aandoenlijkste zinnen die ik ken: 'Op een mooie ochtend van de maand mei reed een elegante amazone op een prachtige vos door de bloeiende lanen van het Bois de Boulogne.' Rieux zegt vriendelijk dat de zin zijn belangstelling wekt naar het vervolg. Grand is daar zeer gebelgd over en roept verontwaardigd uit: 'Dit is maar bij benadering geschreven. Als ik er in geslaagd ben het beeld dat in mijn verbeelding leeft, volkomen goed weer te geven, als mijn zin het ritme heeft van de draf, een-twee-drie, een-twee-drie, dan zal de rest gemakkelijker gaan.'

Wie Grands poging nader beschouwt zal hem gelijk geven. Deze zin met zijn opeenstapeling van beschrijvende adjectieven roept bijzonder weinig op. Het is schilderen met woorden. Wat hij echter opmerkt over het nagestreefde paarderitme en het beeld dat in zijn verbeelding leeft, bewijst dat hij precies weet wat hij wil. Wat wil hij dan? Een paard schrijven, daar ben ik van overtuigd. Hij weet alleen niet hoe dat moet en blijft daardoor in de beschrijving steken. Het is tragisch om te zien hoe de meimaand, de amazone en de lanen van het Bos constant van plaats wisselen, en hoe het ene na het andere adjectief - prachtig, glanzend, weldoorvoed - aan het paard wordt toegevoegd zonder dat het paard van zijn verbeelding daarmee ook maar in de verste verten wordt benaderd. Maar versagen doet hij nooit, zodat je je afvraagt waar hij de treurige moed vandaan haalt. Wat drijft deze kleine, dappere ambtenaar? Om dat te achterhalen dienen we ons te verdiepen in zijn achtergrond.

Kerstetalage

Grand was heel jong getrouwd met Jeanne, een arm meisje uit zijn buurt. Om te kunnen trouwen had hij zijn studie afgebroken en een baantje gezocht. Het huwelijk was nogal onalledaags tot stand gekomen. Op een avond, toen ze samen voor een kerstetalage stonden, had zij zich plotseling tegen hem aan laten vallen met de woorden: 'Wat mooi.' Hij had daarop haar pols omklemd en op die manier besloten ze te trouwen. Een hartveroverende start, maar hoe gaat dat. Door zijn drukke baan kon hij zijn jonge vrouw niet voldoende laten voelen dat hij van haar hield en na een paar jaar was zij er vandoor. Grand had dit nooit kunnen verwerken. Keer op keer had hij haar proberen te schrijven maar hij vond er de woorden niet voor, omdat ze elkaar voorheen altijd woordeloos begrepen.

Woordeloos! Even woordeloos als het wederzijds begrip tussen paard en ruiter. Heeft dat er dan iets mee te maken? Het heeft er alles mee te maken. Zoals Kerstmis er natuurlijk ook alles mee te maken heeft. En ik vermoed dat Grand deze samenhang ten langen leste zelf heeft beseft. Onderaan zijn vijftig pagina's tellende manuscript dat louter versies van die ene eerste zin bevat, heeft hij namelijk de aanzet van een andere eerste zin geschreven: 'Mijn liefste Jeanne, vandaag is het Kerstmis...' De brief die niet geschreven kon worden en het boek dat niet geschreven kon worden in elkaars verlengde. Je hoeft geen paard te zijn, dunkt me, om bij zoiets in tranen uit te barsten.

Waarom heb ik dit allemaal verteld? Omdat ik maar weinig romanpersonages ken - en niet één schilderijpersonage! - waarmee ik me zo vereenzelvigd heb als deze Grand. Het verschil tussen ons is alleen dat ik op het juiste moment een leermeester vond en hij niet. Anders had hij geweten dat hij een paard moest wòrden. Dan was zijn boek gegarandeerd gelukt en draafde hij allang door de bloeiende lanen van het Bois de Boulogne met Jeanne op zijn rug. Een-twee-drie, een-twee-drie...

En dan ben ik nu eindelijk waar ik wezen wou. Dames en heren, hier volgt het geheim van de smid:

EEN PAARD SCHRIJVEN = EEN PAARD WORDEN

Als ik daar niet tijdig achter was gekomen was het paard dat op schoot wou net als het paard van Grand stukgelopen op de eerste zin en was bovendien Rachels rokje nooit geschreven. Wat een geluk dat er leermeesters bestaan! En wat een geluk dat de mijne Gilles Deleuze heet. Ik weet dat de Franse filosofen een beetje in diskrediet zijn geraakt, maar Deleuze valt niet versmaden. Niet alleen heeft hij me warm gemaakt voor de plooi maar ook heeft hij me overtuigd van het vitale belang van wordingen. Wordingen ? Wat zijn dat nu weer voor rare dingen, zal menigeen misschien denken. Toch is een wording in geen enkel opzicht raarder dan een 'gewone' metamorfose, het is alleen een metamorfose naar twee kanten. Volgens Deleuze, en ik geef hem daarin gelijk, kun je onmogelijk in iets veranderen zonder dat datgene gelijktijdig in jou verandert. Met andere woorden: als je jezelf tot dier schrijft, wordt dat dier noodzakelijkerwijs jou. Zo'n dierwording heeft niets te maken met het schrijven over je kat, je hond of een ander lievelingsdier. Het gaat om een huwelijk tussen twee verschillende rijken, een tegennatuurlijke participatie, een kortsluiting bijna, een dubbele vangst.

Stotteraar

Maar wat heeft een schrijver aan zo'n dierwording, in welk opzicht wordt hij er wijzer van? Daarover kan ik Deleuze, die meent dat elk waarachtig schrijven worden is, het best zelf aan het woord laten. Inhakend op de uitspraak van Proust dat mooie boeken geschreven zijn in een soort vreemde taal, zegt hij: 'Dat is de definitie van stijl. Ook daar is het een kwestie van worden. Mensen denken altijd aan een meerderheidstoekomst (als ik later groot ben, als ik de macht heb...). Terwijl het probleem juist een minderheidsworden is: niet doen alsof, niet het kind, de gek, de vrouw, het dier, de stotteraar of de vreemdeling uithangen of imiteren, maar dat alles worden, om nieuwe krachten te ontdekken en nieuwe wapens.' Geslaagde vormen van dierwording vindt hij bijvoorbeeld de walvis-wording van kapitein Achab en de schildpad-wording van Lawrence in zijn gedichten: ontmoetingen, geen imitaties.

Dierwording komt dus neer op een minderheidswording en de schrijver, die qualitate qua meestal toch al tot een minderheid behoort, verwerft daar alvast drie belangrijke dingen mee: nieuwe krachten, nieuwe wapens en een stijl. Weliswaar betekent dit tevens gevaar omdat hij de woorden van de gevestigde orde negeert maar het verschaft ook vluchtlijnen. Jij verschaft het paard een vluchtlijn en het paard verschaft er een aan jou, en dan maar hopen dat je daarlangs samen ontsnapt. En als je niet ontsnappen kunt, wel, dan ligt er in elk geval een mooi boek.

Omdat de dierwording zich op het niveau van de stijl voltrekt, zal het duidelijk zijn waarom je er met het schuiven van woordjes niet komt. Hoe kom je er dan wél, vraagt men zich ongetwijfeld af. Maar gelukkig geeft Deleuze geen schrijfcursussen. Eigenlijk zegt hij niet veel meer dan dat de schrijver zijn territorium moet overschrijden, moet trachten te schrijven 'zoals een rat een lijn trekt, of zoals hij zijn staart kromt, zoals een vogel een klank uitstoot, zoals een roofdier beweegt of zwaar slaapt.' In zekere zin sluit hij daarmee aan hij Francis Ponge, die niet toevallig zelf een formidabel paard heeft geschreven (zie: Pièces, 1961). Tijdens een lezing in 1956 zei die al dat de kunstenaar niet moet denken dat het makkelijk is om van het ene gebied naar het andere over te stappen: '(-) dan zeggen ze: “O, wat hou ik van paarden! O, wat zou ik graag in een appel binnengaan!” Daar gaat het niet om. Het gaat erom een tekst te maken die op een appel lijkt, dat wil zeggen, die even werkelijk is als een appel. Maar in zijn eigen genre.' Merkwaardig hoe appel en paard hier in één adem worden genoemd. Zou Ponge aan een appelschimmel, in het Frans cheval pommelé geheten, hebben gedacht? Of zou hij misschien Het aangezicht van het paard van de Rus Zabolotsky hebben gekend? In dat gedicht komt deze veelzeggende passage voor (vertaling Hugo Truyens):

(-) En als nu een mens het zag het betoverend gelaat van het paard hij zou zijn krachteloze tong uitrukken en ze offreren aan het paard. Het betoverende paard is ze voorzeker waard, zijn spraak. Wij zouden woorden horen. Woorden als appels zo groot (-) Woorden als appels, dat zou wel eens hét recept voor de paardwording van de mens en de menswording van het paard kunnen zijn. Hoe een en ander echter tot stand kan worden gebracht, dat vertelt je niemand. En dat is maar goed ook. Geheimen van de smid mogen desnoods worden meegedeeld, ze mogen nooit en te nimmer worden uitgelegd of verklaard.

Maar nu het paard dat op schoot wou. Heeft dat nu op schoot plaats genomen, ja of nee? Het antwoord luidt: gedeeltelijk. De meeste schoten, zelfs schoten van taal, zijn nu eenmaal niet groot genoeg voor een paard. Ook niet als het paard toevallig Petit heet of de berijder Grand. Maar het heeft wel degelijk ten voeten uit plaats genomen in plooi tien van Rachels rokje, dat er als een vacht omheen is gemaakt. Wat me beeldend niet was gelukt, lukte me uiteindelijk met het meest ondierlijke medium dat er bestaat: de taal. Dat was het verbijsterende. Eerlijk gezegd is Rachels rokje één grote dierwording. Toen het boek eindelijk was voltooid, riep ik dan ook spontaan uit: 'Het dier is af!' en niet: 'Het ding is af!'. Met betrekking tot een tekening of schilderij was me dat nooit overkomen.

Tot slot het paard van Toontje. Ik heb het gezien. Niet waar, ik heb het helemaal niet gezien. Dat is juist het aardige van dit toneelstuk. Het heet Toontje heeft een paard getekend, terwijl je de hele Toontje en de hele paardetekening niet krijgt te zien. Er wordt slechts over gesproken. Taal-Toontje en taal-paard!

Het stuk vangt aan met deze dialoog: “Heb jij dat ding gezien!” “Welk ding?” “Dat paard!” “Welk paard?” “Dat paard dat Toontje heeft getekend!” Een prikkelende dialoog tussen een boze vader en een argeloze moeder.

Bleef het maar zo prikkelend.

Toontje is een jongetje van acht dat op een van de muren van zijn ouderlijk huis een paard heeft getekend. Dat is nog tot daaraan toe. Het probleem is dat dit paard anatomisch te goed klopt. Een hengst, neem ik aan. En alweer schieten me een paar fraaie regels van Rutger Kopland (meer dan eens in zijn gedichten paard geworden) te binnen:

De hengst heeft er een als een brand- slang, de merrie een kont als een kei. Volgens Toontjes vader geeft de tekening aanstoot, volgens zijn moeder niet. Daaruit komen de gekste verwikkelingen voort, intriges, ruzies, huwelijksproblemen. Een blijspel heet zoiets.

Ach, wat moet ik er nog meer van vertellen. Dat de schrijfster Leslie Storm heet? Dat paard worden niet haar fort is?

Laten we het erop houden dat ze een meesterlijke titel heeft bedacht. En het is de titel die mij tot deze lezing heeft geïnspireerd, niet de tekening!