Het belang van het overbodige

Bernardo Atxaga: De man alleen (El hombre solo). Vert. Johanna Vuyk-Bosdriesz. Uitg. Nijgh & van Ditmar, 326 blz. Prijs: ƒ 36,90.

In 1989 zette de Baskische schrijver Bernardo Atxaga met zijn verhalenbundel Obabakoak het Baskisch op de literaire kaart van Europa. Het was een charmante bundel, waarin Atxaga een nogal curieus pleidooi hield voor het plagiaat als hulpmiddel van 'kleine' literaturen om zich omhoog te werken. Atxaga plagieerde er dan ook opzichtig op los (onder meer met het plot van Van Eycks gedicht De tuinman en de dood, dat ook al niet van Van Eyck zelf bleek te zijn), maar deed dat zo innemend dat het boek zijn weg vond in meer dan veertien talen, waaronder het Nederlands. Daartoe had hij het overigens wel eerst in het Spaans moeten vertalen: dat zijn nu eenmaal de handicaps van (piep)kleine literaturen.

Dezelfde weg van Baskisch naar Spaans en dan verder ging zijn eerste roman De man alleen, die oorspronkelijk Gizona bere bakardadean heet, maar daarmee houdt de overeenkomst op. De man alleen is een ambitieus en allerminst speels werk, het eerste deel van wat een trilogie moet worden over de psychologische en morele problemen van de gewapende Baskische strijd. Atxaga is zijn verhaal aan het eind begonnen: bij een groep voormalige terroristen (zelf spreken zij over 'activisten') die na een amnestie een normaal leven zijn gaan leiden als eigenaars van een hotel in de buurt van Barcelona. Wanneer een van hen ermee instemt twee voortvluchtige ETA-leden onderdak te verlenen, raakt dit wankele bestaan ontzet en eindigt het tenslotte in een tragedie.

Atxaga laat zijn hoofdpersoon in gedachten voortdurend teruggaan naar zijn tijd als 'activist', maar de morele verwerking van de moord die hij heeft gepleegd krijgt weinig diepte. Gebeurtenissen zijn altijd groter dan de spelers daarbinnen, suggereert het verhaal. 'De organisatie heeft het schot gelost, niet ik', laat Atxaga zijn hoofdpersoon denken. Veel verder komt het niet, en dat is teleurstellend weinig.

Interessanter zijn de overpeinzingen van Atxaga's hoofdpersoon over de vraag waarom het in een revolutie gaat. Om de verzekering van het bestaansminimum, zeggen zijn marxistische vrienden. Nee, ontdekt hij: belangrijk is juist het overbodige, de persoonlijke gril. Omdat zij geen oog hadden voor het belang van die irrationele dingen, gingen de socialistische revoluties in treurigheid en frustratie ten onder. Het is, mag men aannemen, juist op dit vlak van het persoonlijke 'extra' dat Atxaga de gehechtheid aan de bodem van afkomst ('de blauwe bergen van Baskenland') situeert. Met die legitieme zijde van het nationale gevoel hebben de revoluties van links in ieder geval geen enkel geduld gehad.

Atxaga vertelt zijn verhaal, ondanks deze bespiegelingen, met grote vaart en bijna als een thriller. Psychologische en verteltechnische subtiliteit moet men bij hem niet zoeken, wel een eerlijk verhaal, uit één blok gehouwen, zoals ze dat in Baskenland ook zo graag met boomstammen doen.