Droef en los

Alexander Poesjkin: De nachtegaal en de roos. Vert. Frans-Joseph van Agt. Uitg. Plantage, 45 blz. Prijs ƒ 19,50.

Langzaam maar zeker wordt het werk van Alexander Poesjkin (1799-1837) voor het Nederlandse publiek ontsloten. Het bleef aanvankelijk vooral bij zijn omvangrijke prozawerk, verschenen in 'De Russische Bibliotheek', zijn roman in verzen Jevgeni Onegin, waarvan onlangs een nieuwe vertaling van Frans-Joseph van Agt en C.A.M. van Stekelenburg-Ongering uitkwam, en enkele langere verhalende gedichten. Zijn lyrische gedichten hebben het langst op vertaling moeten wachten, omdat niemand zich er aan waagde. Alleen Aleida Schot, die nergens bang voor was, nam er in de jaren zestig een klein aantal op in een bloemlezing. Pas in 1987 verscheen er een flinke, representatieve selectie uit Poesjkins lyriek: Noordse dageraad, ruim vijfendertig gedichten vertaald door oud-ambassadeur in Moskou Frans-Joseph van Agt. Deze mooie tweetalige uitgave is al geruime tijd uitverkocht, maar sinds kort is de leemte opgevuld met De nachtegaal en de roos, door dezelfde vertaler. Het aantal gedichten is nauwelijks veranderd, sommige zijn afgevallen, andere erbij gekomen. Op veel plaatsen heeft Van Agt wijzigingen in de vertaling aangebracht, soms een enkel woord, vaak hele regels of strofes. Af en toe is de oudere variant te verkiezen: 'Ik voel me droef en los; een licht is in mijn smart' klinkt soberder en luchtiger, dus meer Poesjkiniaans, dan 'Droef en onthecht ben ik; mijn droefheid kent geen grief'. Maar de meeste veranderingen zijn toe te juichen.

Hoe modern Poesjkin in zijn tijd was, is pas na te voelen wanneer zijn werk naast dat van tijdgenoten wordt gelegd. Wel toont De nachtegaal en de roos hoe mooi en veelzijdig zijn lyriek is. Zijn thematiek is onbegrensd, hij schreef over vrijheid, natuur, geschiedenis, vergankelijkheid, vriendschap, god en demon. En heel veel over liefde - naar eigen zeggen was hij min of meer verliefd geweest op alle aantrekkelijke vrouwen die hij had gekend.

Het meest van al werd hij beziggehouden door het dichterschap zelf. Zelfs in dit kleine bundeltje is de ontwikkeling van zijn gedachten daarover te volgen. Het besef dat hij geroepen is het volk de waarheid te verkondigen klinkt uit 'De profeet'. Al gauw beseft hij de onverschilligheid van zijn gehoor: 'Wees wijzer, o poëet, wat wil jouw druk gedoe?' Na een aanvankelijk intuïtieve afzijdigheid keert hij de mensen bewust de rug toe: 'Jij bent een koning: wees alleen.' Maar sterker dan desillusie en bitterheid is de zekerheid, uitgedrukt in zijn 'Exegi monumentum', dat hij als dichter onsterfelijk is.