De ziel moet worden vrijgemaakt; Fagottist Brian Pollard neemt afscheid van het Concertgebouworkest

De Engelse fagottist Brian Pollard speelde 42 jaar bij het Concertgebouworkest. Hij maakte in die periode drie van de vijf vaste dirigenten van het orkets mee: Eduard van Beinum, Bernard Haitink en Riccardo Chailly. “Haitink snapte er aanvankelijk niets van. Als we versnelden of ineens vertraagden, dacht hij dat we hem in de maling namen.” Pollard moet nu vertrekken omdat hij 65 is geworden.

“Dirigenten hebben het zelf niet altijd door, maar hun beweging is onze klank. Als zij bewegen als een hamer, zijn wij een spijker. Bhaff!, daar kun je niets mee, weg. Maar als ze ons beginnen te aaien, zoals Van Beinum deed, dan is het als een schroevedraaier met een schroef: je kunt naar voren of naar achteren, snel of langzaam, veel meer variatie in de expressie. Dat heeft Chailly ook nog niet door, hij geeft veel te veel slagen. Als Giulini de eerste maten van de Nieuwe wereld-symfonie dirigeert, maakt hij geen enkel exact gebaar. Hij omarmt iets, het is geen dirigeren, maar het klinkt wel spatgelijk en prachtig, een wereld van warmte en liefde.”

De fagottist Brian Pollard werd onlangs 65 en gaat vandaag, na het laatste concert van het Concertgebouworkest in dit seizoen, met pensioen. Pollard wil niet horen over pensioen. Hij zegt dat hij is ontslagen, het gevolg van bureaucratie, die iedereen over één kam scheert. “Ik ga altijd met plezier naar elke repetitie. Ik vind het nog steeds moeilijk om mooi te spelen, ik heb nog vaak het idee dat ik niet de goede techniek heb, niet de juiste intonatie, onvoldoende kleur. Dat houdt me jong en nieuwsgierig: hoe mooi kán ik spelen? Hoe kun je samen mooi spelen?”

Pollard wil blijven spelen en dat doet hij dan ook binnenkort buiten het Concertgebouw, bij het Israëlisch Kamerorkest, het Residentie Orkest, het Rotterdams Kamerorkest. Hij gaat naar Californië, coacht een jeugdorkest in Spanje, zit in commissies en jury's. “Eindelijk krijg ik een ruimere blik.”

De 42 jaar die Pollard bij het Concertgebouworkest was, betekenen dat hij bijna veertig procent heeft meegemaakt van de 107-jarige geschiedenis van het orkest. “Toen ik hier kwam was ik 23 en de jongste, nu ben ik de oudste. Wel komt er af en toe een dirigent die nog ouder is: Solti, Sanderling, Giulini.” Pollard speelde onder drie van de vijf vaste dirigenten die het Concertgebouworkest had: Eduard van Beinum, die hem aannam, Bernard Haitink en Riccardo Chailly.

“Het is heel jammer dat ik Mengelberg niet heb meegemaakt. Hij maakte muziek zoals hij wilde. We zijn te streng geworden, we moeten de vrijheid heroveren. Zoals de pianist Arthur Schnabel arpeggio's speelde - ze waren schitterend, al staan ze er niet. Dat durft men nu niet meer, dat vind ik jammer.”

Pollard stelt vast dat het moeilijk is over hem te schrijven: het interview is maar een momentopname. Hij heeft zóveel meegemaakt, dat het weken zou duren om het allemaal door te nemen. Want hij heeft goed opgelet in het orkest. Met hem is het niet zo als in de anekdote over Sibelius, die naar Wenen ging om Brahms te ontmoeten. Daar kwam hij in contact met een muziekkopiïst die 'de meester' nog had gekend: Beethoven! Maar de oude man wist niets meer over hem te vertellen dan dat hij op de rug van zijn handen lange zwarte haren had.

Puzzelstukjes

Brian Pollard was in het Concertgebouworkest een van de opvallendste musici - visueel herkenbaar door die grote kop met grijs haar. Maar hij viel nog sterker op door de heel individuele, indringende en expressieve manier waarop hij zijn fagot bespeelde. Pollard zegt dat de conclusies die hij trekt uit zijn ervaring als orkestmusicus belangrijker zijn dan de anekdotes.

“Een orkest bestaat uit honderd mensen, ze zijn puzzelstukjes, allemaal verschillend. Toen ik uit Engeland naar Nederland kwam, viel mij een groot verschil op. De aanvoerders in Engeland bleven tijdens hun spelen in de knop, ze bloeiden niet op. In het Concertgebouworkest zaten musici als Stotijn, Bahrwaser en De Klerk. Als die speelden bloeiden ze niet alleen op, er kwam óók nog geur af. In Engeland namen orkestmusici geen risico's. Maar in de muziek is het toch niet de bedoeling om voorzichtig te zijn?

“Musici leren om te spelen wat er staat. Maar als je dat blad een kwart slag draait, staat er niets begrijpelijks meer op. Het zijn maar symbolen die je leven moet inblazen. Er zijn geen dode noten. Er zouden tekeningen bij moeten worden afgedrukt, kleuren, je vingers zouden met elektrische draden verbonden moeten zijn met de partituur om te voelen wat de componist bedoelt.

“Het gaat in muziek om emotie, swing, plezier, treurigheid. Veel muzikanten zijn burgerlijke, benauwde, krampachtige types. Dáár wordt op conservatoria niet aan gewerkt. Musici moeten worden opgevoed als mens. Gaan ze wel eens naar een museum, het ballet? De ziel moet worden vrijgemaakt. Het gaat om de muziek, maar veel musici vinden zichzelf belangrijker dan de muziek.”

Pollard vertelt over zijn jeugd in Engeland in Lancashire, de streek van de Harris tweed en Wuthering heights, dicht bij de moors, waar vroeger heksen werden vervolgd. Hij is Engeland niet vergeten en kondigt aan straks een bijzondere whisky te zullen schenken: Laphroaig, gestookt boven zeewier.

Pollard speelt al 51 jaar in orkesten. Hij begon als 14-jarige tijdens de oorlog in het orkest van de Duitse choreograaf Kurt Jooss, die naar Engeland was gevlucht. In 1947 werd hij door Sir Thomas Beecham aangenomen bij de oprichting van The Royal Philharmonic, vervolgens was hij eerste fagottist in het orkest van het Londense Royal Opera House Covent Garden.

Tijdens het gesprek met Pollard, eerst in de huiskamer, later in de uitbundig bloeiende tuin van zijn Amstelveense huis, daveren er steeds vliegtuigen over. Pollard ergert zich er niet aan, integendeel: hij is gefascineerd door vliegtuigen sinds hij in dienst was bij de RAF. Hij werkte er als musicus in de tijd van de Berlijnse luchtbrug. Er waren veel ongelukken en doden, die werden begraven met militaire eer en dus met muziek.

Op weg naar de RAF kwam Pollard voor het eerst in Nederland. Uit de trein zag hij bij Ede-Wageningen hoe iemand die voor de spoorbomen wachtte, een zakdoek tevoorschijn haalde en zijn neus snoot. Ik dacht: 'Ze hebben zakdoeken, dus het moet toch een behoorlijk volk zijn.' Ik had alleen maar schilderijen van Brueghel gezien.''

Watersnood

Toen Pollard door Eduard van Beinum tijdens een concertrepetitie in Londen bij het Concertgebouworkest was aangenomen en in maart 1953 naar Nederland vloog, zag hij uit de lucht Zeeland na de Watersnood. “Geen land, alleen wat daken. Ik dacht dat het moeilijk was om hier je hoofd boven water te houden. Maar ik werd onmiddellijk geaccepteerd. Een orkest is je werk. Maar voor een buitenlander wordt het je familie, omdat je hier verder niemand hebt. Het waren leuke mensen, tolerant, vrij. Engeland was zoveel stijver en afstandelijker. Hier mocht alles, ook toen al.

“De laatste keer dat ik in Covent Garden speelde, was onder Erich Kleiber, een van de eerste keren dat ik in Amsterdam op het podium zat dirigeerde Erich Kleiber. In Londen was hij heel streng, vijf minuten voor hij binnenkwam moest het orkest gestemd zijn en stil. Daar was hij een beul, in drie jaar ontsloeg hij dertig musici. In Amsterdam was hij een mak schaap. Hij kwam dan ook bij een fantastisch orkest.”

Twee keer maakte Pollard bij het Concertgebouworkest de komst van een nieuwe chef-dirigent mee: Haitink (in 1961) en Chailly, in 1988. “Ik was erbij toen Van Beinum in 1959 tijdens een repetitie op het podium overleed. Een vreselijke ervaring, hij was als een vader. De continuïteit werd verbroken. We kregen Haitink, die moest het nog leren. Het orkest was gewend om Mahler te spelen in de traditie van Mengelberg. Haitink snapte er niets van. Als we versnelden of ineens vertraagden, dacht hij dat we hem in de maling namen omdat we iets deden wat er niet stond. Het orkest was er juist op getraind om dat te doen. Maar hij tikte dan af en zei: zó is het niet, het staat niet in de partituur! Die oude violisten waren heerlijk aan het spelen. 'Mijne heren, op míjn slag.' En dan keken ze elkaar aan: 'Wat krijgen we nou?' Hij maakte veel kapot.

Krachtveld

“Klinkt dat negatief? Ja, een beetje wel. Haitink heeft geleerd, hij is groter geworden en wijzer, van het orkest en van het leven, hij heeft meer visie gekregen. Hij heeft fantastische concerten gegeven. Ik mag hem. Maar hij zou veel meer van zichzelf moeten houden, veel blijer met zichzelf zijn. Dat zou direct overgaan op andere mensen. Hij is een moeilijk mens, maar hij heeft wat. Als hij zich naar het orkest draait ontstaat er een enorm krachtveld.

“Het is fout dat Haitink is weggegaan, jammer voor hem, voor ons, voor iedereen. Hij wilde dat Vonk hem zou opvolgen. Vonk zou een waakvlam zijn geweest en Haitink was de echte baas gebleven. Vonk moet leren met twee handen te dirigeren, links doet hij niets. De Indiase god Visjnoe, dát zou een fantastische dirigent of verkeersagent zijn: alleen maar handen!

“Chailly had bij zijn aantreden meer ervaring dan Haitink. Chailly vertrouwt iedereen, hij komt het podium op met de uitstraling van: hier ben ik, wat leuk. Hij ziet álles, de plaats van een dirigent is een adelaarsnest. Persoonlijk vind ik Chailly steengoed en hij kan alleen beter worden. Hij is intelligent, heeft gevoel voor humor. Veel dirigenten dirigeren de muziek zoals er vaak wordt gevoetbald, door niet de bal te schoppen maar andere spelers. Voor Chailly is de muziek zelf belangrijk.

“Ik hoop dat Chailly lang blijft en niet te veel tegenwerking krijgt. Want er is in het orkest wel een stel gifkikkers, vooral in de violen. Bij de blazers hebben we een andere mentaliteit, we zijn individualistischer, wij moeten alles zelf doen. Bij de strijkers heerst de kuddementaliteit. Het is een beetje zuur gezegd, want ze kunnen heel mooi spelen. Het kan ook niet anders, als ze individualisten zouden zijn, was het een puinhoop.

“Chailly is ontzettend gegroeid, dieper geworden. We hebben nu zo'n 25 keer de Eerste symfonie van Mahler met hem gespeeld. De laatste was de diepste. Zo is hij, ook in Bruckner, de eerste keer is er alleen maar oppervlakte. Hij is een leuke vent en een filosoof. En een Italiaan, hij houdt van spaghetti, jammer, want er is meer te genieten. Maar hij moet dat leren en dat doet hij.

“In Engeland was er binnen de orkesten een enorme hiërarchie door de grote salarisverschillen. Toen ik hier kwam verdiende ik maar 28 procent van wat ik in Londen had. Het is een goeie beslissing geweest, want wat is geld? De onderlinge salarisverschillen zijn hier maar klein en dat voorkomt jaloezie.

“Wij spelen niet voor het publiek maar voor elkaar. Als ik het niet goed is krijg ik op mijn donder: hoe kan je dát doen, die noot was niet goed, hoe zat dat? Die onderlinge kritiek is een van de leuke dingen van dit orkest. Bij een Engels orkest mag je als tweede speler niets zeggen tegen een eerste speler. Hier is geen rangorde, er zijn geen generaals of soldaten. We zijn allemaal sergeant-majoors. Een leuk orkest is dit. Ik vind het jammer om weg te gaan. Hoe smaakt de whisky?”