De zeewind die mijn jas doet bollen

Op de rug van vuile zwanen, het debuut van René Stoute is een kleine klassieker, maar daarna ging het telkens minder met de schrijver. En dat is al te zien aan Een fatsoenlijke betrekking: “Ik hield van zijn schrijfstijl, van zijn soms sentimentele maniertjes, van zijn clichés, van zijn pathetiek.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

René Stoute: Een fatsoenlijke betrekking. Uitg. de Arbeiderspers. Voor ƒ 9,90 bij De Slegte.

Ik geloof dat ik hem als een held beschouwde. Toen ik nog nergens was, had hij het al helemaal gemaakt met zijn debuut Op de rug van vuile zwanen. René Stoute, ex-junkie, boekverkoper en schrijver die ik later soms opzocht toen ik zelf moest afkicken van bepaalde middelen. “Dat spul wat jij slikt, is net heroïne”, zei René op een keer tegen mij in boekhandel Scheltema, Holkema en Vermeulen in Amsterdam. “Je moet ermee stoppen en niet lullen”, hamerde hij aan mijn hoofd.

Ik vond dat René vaak heel goed kon schrijven. Maar zijn tweede boek Een fatsoenlijke betrekking was minder dan zijn debuut. Het was 1984. In die tijd kwam Frans Pointl bijna elke dag bij me langs. Ook hij was, net als ik, nog volstrekt onbekend en hij had ook iets met René. Frans kon het niet laten om stilistische kanttekeningen te maken bij Een fatsoenlijke betrekking. Dat deed hij wekenlang, op een dwangmatige manier, totdat ik er genoeg van kreeg. Waarom intrigeerde Stoute Pointl zo! Misschien omdat René inderdaad een held was, omhooggekropen uit de duisternis, hij was een verhalenverteller geworden op wie Jeroen Brouwers trots was.

Zelden heb ik zo gelachen om een recensie als om die van Reinjan Mulder die zijn bespreking van één van de boeken van Stoute, na hem volkomen te hebben afgemaakt, afsloot met de mededeling “En nu mijn fiets terug”. René was erg boos en vond, geloof ik, dat Mulder alle junkies over één kam schoor en buiten zijn boekje als criticus was gegaan. Ik was het niet eens met het waardeoordeel van Mulder, maar heb toen wel geleerd dat een recensent soms te ver moet gaan om leuk te zijn.

Stoute en ik maakten wel eens samen muziek. Hij speelde mondharmonica en ik piano. Hij was een buitengewoon aardige, hartelijke man die ik helaas de laatste jaren nooit meer heb gesproken.

Een fatsoenlijke betrekking heb ik destijds met erg veel plezier gelezen. Ik was eigenlijk blij dat het boek minder goed was dan Op de rug van vuile zwanen, want ik was een beetje jaloers op René. Stoute's debuut is eigenlijk een kleine klassieker.

Maar er is iets met René gebeurd. Hij is verdwenen van het front. Hij heeft zich teruggetrokken, hij schrijft moeilijker, of hij schrijft helemaal niet meer. Ik weet het niet, maar ik vind het zonde, want Stoute had, ondanks dat hij stilistisch inderdaad geen grootheid was en dat hij soms ronduit slecht schreef, een eigen stem. Hij kon werelden oproepen, hij boeide mij en ik bewonderde zijn inzet.

Toen ik onlangs Een fatsoenlijke betrekking bij De Slegte zag liggen herinnerde ik me plotseling heftig mijn eerste jaren als dichter in Amsterdam-Oost. Ik dacht aan de pillen die ik toen slikte, aan mijn angsten, aan mijn gezwerf door de stad en aan het baantje in een chemisch bedrijf dat mijn wanhopige vader voor mij had geregeld. Net als de jongen Jacco in het boek van Stoute, wilde ik niet deugen. Jacco kreeg werk in 'Dameskapsalon Gracia'. ' 'Trek je jas aan', sprak mijn vader op een ochtend na het ontbijt. Ik wist dat het ernst was. Hij name mij mee achterop de fiets. Hij zweeg en ik vroeg hem niets. We reden door het centrum van de stad. In een smal straatje stopte hij en wij stapten af. Hij zei, terwijl hij zijn fiets tegen een muur op slot zette: 'Hier ga je werken. Dit is de zaak', ' schrijft René op de eerste pagina van zijn boek. Jacco was veertien en ik was negentien jaar. Voor mij was er dus waarschijnlijk nog minder hoop dan voor hem. 'En wat altijd doorging waren de seizoenen. Die wisselden en de winter ging over in de lente. De natuur heelde meer dan de tijd. De tijd vertelde me dat er haast bij was, dat het spoedig te laat zou zijn, dat ik moest opschieten'. En dan zei Frans Pointl: “die drie laatste mededelingen betekenen eigenlijk hetzelfde, het kan dus veel korter.” René schrijft veel te uitgebreid en herhaalt zich te vaak.

En Frans had gelijk. Misschien had Stoute moeten schrijven: “Wat altijd doorging waren de seizoenen. De natuur heelde meer dan de tijd. De tijd vertelde me dat ik moest opschieten.” Maar ik hield van de schrijfstijl van René, van zijn soms sentimentele maniertjes, van zijn clichés, van zijn pathetiek. Had het zin gehad om te schrappen in het werk van Stoute? Ik denk het niet, het zou de stemming van zijn verhalen te veel hebben veranderd: “Met de punten van mijn schoenen trok ik nutteloze strepen in het zand en ik nam afscheid. Afscheid van de duinen, van het bos, van de fazanten en de konijnen en van de boswachter die mijn gezicht niet kende en toch een vijand was. Om mij heen werden de schaduwen langer. Ik liep verder en keek naar de grillige vormen in de lucht, het rusteloze spel van de wolken die door elkaar heen schoven en werden opgejaagd door een ruige, in mijn gezicht prikkende zeewind waarvan mijn jas raar bolde.” Tja, het had iets minder gekund, maar aan de andere kant moet ik toegeven dat ik dat wollige en 'vormige' mooi vind.

Door al die pillen is, volgens de neuroloog, mijn zenuwstelsel waarschijnlijk beschadigd. En Jacco ontdekte dat 'jong zijn een sinister complot is'. Ik denk aan René met zijn petje op zijn hoofd, zijn dunne benen en zijn rare gewoontes. Ik hoop dat hij schrijft.