De schone slaapster gekust

DE ELEKTRONISCHE snelweg wemelt van de nieuwe elektronische diensten. Het probleem is alleen om ze daadwerkelijk de huizen van de mensen binnen te krijgen. In Engeland is een interessant experiment aan de gang om het gewone elektriciteitsnet mede geschikt te maken voor berichtenverkeer. Maar voorlopig ligt het meer voor de hand te wedden op de netwerken van de kabeltelevisie. Die bieden, in de woorden van minister Wijers (economische zaken), “een grote dekkingsmogelijkheid en de beste vooruitzichten door te groeien naar de elektronische snelweg”. Zeker voor ons land. In Duitsland varieert de penetratiegraad van 54,8 (Saksen) tot 70,8 (Beieren); Nederland zit ruim boven de negentig procent 'bekabeling'.

Toch getuigden de woorden van de minister van economische zaken van enige omzichtigheid. Veel nieuwe diensten moeten het hebben van “interactiviteit” en er zijn nog heel wat investeringen nodig om de kabel voor tweerichtingsverkeer geschikt te maken. Daaraan voorafgaand moeten de nodige juridische belemmeringen worden opgeruimd. De kabel is in Nederland van oudsher zo strak gereguleerd dat ze - in de woorden van het actieprogramma voor de elektronische snelweg van de regering - 'een schone slaapster' is gebleven.

De 'paarse' ministersploeg maakt zich op om de kabel wakker te kussen - op beide wangen tegelijk. Minister Jorritsma (verkeer en waterstaat) heeft de langverwachte wetsvoorstellen ingediend die de kabel-infrastructuur tot een volwaardig alternatief voor het PTT-net moeten maken. In een nota over liberalisering van de Mediawet belooft staatssecretaris Nuis (mediazaken) een aantal belemmeringen voor de aard en inhoud van het dienstenpakket op te ruimen. Uitgangspunt is de vrijheid van de kabelexploitanten hun kanalen naar eigen inzicht te vullen.

DE WET OVER de “kabelgebonden telecommunicatie” moet als voortrein dienen voor een algemenere liberalisering van de telecommarkt tegen het jaar 1998, de peildatum voor de Europese Unie. Het is de prijzenswaardige ambitie van deze regering Nederland op dit terrein te laten behoren tot de Europese kopgroep. Toch geven de voorgestelde maatregelen aanleiding tot de vraag of hardlopers geen doodlopers zullen blijken te zijn. Breekt men de bestaande belemmeringen niet af om alleen maar een nieuw machtsblok te creëren, de kabelexploitanten? Hun positie is zojuist al versterkt door het uiteenvallen van Enertel (het consortium van NS, kabel- en elektriciteitsmaatschappijen) als beoogde tegenhanger van de PTT.

Als kabelmaatschappijen zelf allerlei diensten en programma's op hun eigen net mogen aanbieden, is het risico niet denkbeeldig dat zij hun positie aanwenden om interessante concurrenten van het net te weren. Zij hebben in hun verzorgingsgebied praktisch gesproken immers een monopolie. Over dit risico geven zowel Jorritsma als Nuis geen duidelijk uitsluitsel. Voor de telecommunicatie-infrastructuur geldt in beginsel een leveringsplicht, de “Open network provision” (ONP). De wet-Jorritsma beperkt deze echter tot exploitanten die een volledige vergunning aanvragen. Met name de bestaande kabelexploitanten kunnen gebruikmaken van een ontsnappingsmogelijkheid (registratie) waaraan geen ONP te pas komt.

VAN ZIJN KANT vindt Nuis voorshands de gewone mededingingsregels voldoende. Dat doet echter geen recht aan het bijzondere karakter van een kabelmachtiging. De gemeenten hebben altijd voorrang gehad, onder meer met het argument dat de zeggenschap dan tenminste bij een democratisch gecontroleerde overheid berust. Daarom wordt zo'n machtiging ook voor onbepaalde tijd verstrekt. Juist de laatste tijd zijn de gemeenten echter bezig hun machtigingen van de hand te doen aan commerciële exploitanten, met als actuele voorbeelden Amsterdam en Utrecht.

Op zichzelf valt er veel voor te zeggen dat de exploitatie van moderne kabelnetten geen overheidstaak is; de PTT is per slot van rekening niet voor niets geprivatiseerd. Maar daarmee vervalt wèl de democratische legitimatie van de toegangsregeling, voor wat deze overigens in de praktijk waard was. Nuis beperkt zich tot het wettelijk vastleggen van een basispakket aan publieke omroepprogramma's uit binnen- en buitenland. Maar dat is nog niet hetzelfde als open toegang. En vergen de nieuwe verhoudingen ook niet een tijdslimitiet voor de vergunningen?

EEN VRIJE KABEL verdient betere spelregels. Nuis schetst nog slechts vage contouren en de wetsvoorstellen van Jorritsma zijn zó ingewikkeld dat ze alleen al daardoor een gevaar voor de elektronische snelweg opleveren. Er kleeft een “dirty little secret” aan het communicatiebeleid, zoals het weekblad The Economist het onlangs noemde: electoraal leeft dit onderwerp nauwelijks en daardoor wordt het goeddeels overgelaten aan de betrokken bedrijfstakken zelf. Deze zeggen allemaal dat zij voor deregulering zijn, maar als puntje bij paaltje komt, menen zij daar niets van.