De poses van een stuurse schoonheid; Gesprek met Dina Vierny, model van beeldhouwer Aristide Maillol

De Franse beeldhouwer Aristide Maillol wordt steeds zichtbaarder in Parijs. In de nieuw aangelegde Tuilerieën, de tuinen bij het gerenoveerde Louvre, krijgen achttien van zijn beelden een unieke plaats. In de rue de Grenelle is een naar hem genoemd museum geopend door zijn model Dina Vierny. “Hij had een haast religieus respect voor iedereen die hem diende, zeker voor zijn model.”

Musée Maillol, rue de Grenelle 59-61, Parijs (VII). Geopend wo t/m ma. 11-18u.

Maillol was 73. Dina, dochter van Russische ouders in Frankrijk, 15. Een gemeenschappelijke kennis had de beeldhouwer attent gemaakt op het meisje, dat een opvallende gelijkenis zou vertonen met Maillols werk. 'U lijkt op een Renoir of een Maillol, vertelt men mij,' schreef de beeldhouwer haar. 'Met een Renoir zou ik genoegen nemen.'

Als hij niet werkte in zijn geboortedorp Banyuls, aan de Middellandse Zee-kust boven de Pyreneeën, was Maillol te vinden in zijn atelier in Marly-le-Roi, ten westen van Parijs. Daar hield hij op zondagochtenden open huis. Dina nam zonder het iemand te vertellen de trein en meldde zich bij de kunstenaar. Hij liet haar niet meer los. Uit de vonk van hun ontmoeting ontstonden meesterwerken zoals L'Air, La Rivière, La Montagne en Harmonie, zijn laatste expressie van een schoonheidsideaal zonder verhaal.

Het museum ruikt nog vers. Dertig jaar lang kocht Dina Vierny de bedrijfsruimtes en appartementen die verstopt lagen achter de achttiende eeuwse 'Fontein van de Vier Seizoenen' (gemaakt door Edmé Bouchardon). Het complex aan de Rue de Grenelle 59-61 in Parijs (VII) huisvestte in het verleden de schrijver Alfred de Musset, een cabaret en een viswinkel. Toen de laatste huurders weg waren kon de verbouwing beginnen. In januari legde president Mitterrand een openingsbezoek af, in maart ging het museum open voor het publiek en het is nog steeds niet echt af. De collectie poppen en automatisch speelgoed van Dina Vierny wordt later tentoongesteld, als er weer geld is.

Maillol (1852-1944) is de nieuwe aandacht waard. Achttien van zijn gezonde naakten staan sinds 1964 in de Tuilerieën. Nu die tuinen van het Louvre - als sluitstuk van het grote renovatie-project van Frankrijks eerste kunst-paleis - opnieuw worden aangelegd, krijgen ook de Maillols de kans tot hun recht te komen. Daar, net als in het Musée Maillol, kan een groter publiek zijn beelden ontdekken. En de vergelijking met Rodin (1840-1917) maken.

De eenvoud van Maillols vrouwen is misleidend. Hun haast uitdrukkingloze, soms wat stuurse schoonheid maakt het niet makkelijk de sculpturen van deze Mediterrane ambachtsman naar waarde te schatten. Albert Elsen, de onlangs overleden Amerikaanse kenner van Rodin en de latere beeldhouwkunst van deze eeuw noemde Maillol 'de eerste die een nieuwe psychologische en emotionele rust bracht in de beeldhouwkunst'.

Maillol was zeer geliefd bij Nederlandse beeldhouwers in de eerste helft van deze eeuw. Een mogelijke verklaring, volgens Elsens Leidse collega Louk Tilanus: “Maillol is navolgbaar, hoewel er maar weinig beeldhouwers zijn die zich echt met hem konden meten”.

Meisje in brons

In het museum leidt een deur met 'Privé' naar een nauw trappenhuis. Op de minimale overloop staat een beeldschoon meisje in brons. Even later komt het onderwerp van het beeld zelf aan de deur. Haar kamer staat vol met schilderijen tegen de wanden, stapels boeken, hier en daar een beeld.

Na een minuut is duidelijk waarom Maillol destijds verrukt van Dina Vierny moet zijn geweest. Zij is een opmerkelijke persoonlijkheid, vlug van begrip, vrouwelijk. Zeer waarschijnlijk: meer een Maillol dan een Renoir. Maillol 'leende' haar uit aan Bonnard en vooral aan Matisse, aan wie Maillol schreef: “Ik zend u het onderwerp van mijn werk. U zult haar terugbrengen tot één lijn.” Zij ging op eigen gezag een tijd lang iedere zondag in Perpignan lunchen bij Dufy. Toen zij eenmaal bekend was, verdiende zij goed met poseren.

Dina Vierny praat met een mengsel van haast en hartstocht - zij is nog steeds vol van de kunstenaars waar zij voor heeft geleefd en gewerkt, maar zij heeft nog veel te doen. Verzamelen houdt nooit op. Het museum is nog niet af. Al vertellend breekt steeds vaker een lach door die de factor leeftijd doet verdampen. Odessa en Parijs spreken. Maillol leeft.

Maillol stuurde zijn ontdekking naar zijn vrienden en collega's. Waarom hield hij u niet voor zichzelf?

“Hij wilde zijn werk delen met zijn vrienden. Zo was hij: hartelijk en bescheiden. Maar er waren grenzen. Schetsen en portretten maken, dat was goed, maar toen Matisse me zei: 'Ik wil van jou een Olympia van Matisse maken' (naar de Olympia van Manet - MC), telegrafeerde Maillol me: 'Kom onmiddellijk terug'.”

U werd op uw vijftiende ontdekt door een kunstenaar die een grote reputatie had met naakte portretten en beelden. Hoe doorstond u dat?

“Ik was vroeg rijp. Geestelijk, begrijp me goed. Verder was ik gewoon een schoolmeisje. Mijn ouders wisten van niets. Zij zouden naakt poseren ook niet hebben goed gevonden. Russen waren erg preuts. Zij hoorden er pas na een jaar van. Toen was ik al beroemd, er waren stukken over geschreven. Het was niet meer terug te draaien. Mijn vader was er eerst ongelukkig over. Later is hij bevriend geraakt met Maillol.”

Maillol had al een leven achter zich toen hij u leerde kennen. Heeft u hem geholpen nieuwe wegen in te slaan?

“Hij had veertig jaar succes achter zich. Het was een man op de top van zijn roem. Hij had de hulp van een jong meisje niet nodig. Wat er tussen ons was, berustte op mijn respect voor zijn kunst. Hij kopieerde de natuur niet. Hij raadpleegde de natuur af en toe, door naar mij te kijken. Hij tekende me niet na, hij maakte geen beelden naar mijn gelijkenis. Hij was een genie. Dat is het verschil tussen genialiteit en talent: een genie schenkt leven, hij schept een hele wereld.”

Wat zei hij toen hij u voor het eerst zag?

“Hij was verbaasd. Hij riep zijn vrouw, die vroeger ook zijn model was geweest. Zij waren het er over eens dat ik op zijn creaties leek. Hij zag zijn eigen werk, maar 't leefde, en dacht ook nog.”

Hoe ontwikkelde uw samenwerking zich?

“Ik kwam lang niet iedere dag. Hij tekende of schilderde af en toe een portret. In het begin was het altijd aangekleed. Geleidelijk liet hij meer van mij zien, er kwam een arm bij, toen een knie, en een been...” Dina Vierny tilt haar lange rok tussen duim en wijsvinger een eindje op, om een minimale ontbloting te suggereren. “Geleidelijk aan ging ik echt voor hem poseren. Het was zo natuurlijk, er was niets bijzonders aan. Hij had een haast religieus respect voor mij, zoals voor iedereen die hem diende, zeker voor ieder intermediair voor zijn kunst, zijn model. Hij had dat respect zelfs voor objecten. Dat had Matisse ook. Die kon de oesters niet eten die hij net geschilderd had. Tijdens vakanties ging ik vaker en langer naar hem toe, in Banyuls of in Marly-le-Roi. Toen ik van school af was, had ik meer vrijheid natuurlijk. Wij hebben ook samen gereisd. We zijn met zijn hele gezin naar Spanje geweest.”

Gaf dat geen spanningen?

“Welnee, absoluut niet. Ik ben de erfgenaam van de familie Maillol. Denkt u dat dat zou zijn gebeurd als ik werd gezien als een indringer? Ik ben nooit getrouwd met Maillol. Dergelijke gevoelens zijn er tussen ons niet geweest. Hij was een heer. Ik ben zelf later drie keer getrouwd geweest.”

Het is van betrekkelijk belang, maar de gevoelens van Maillol voor zijn model zijn misschien meer dan alleen artistiek geïnspireerd geweest. Een brief aan Dina, die nu in particulier bezit is, wordt door de beeldhouwer bijvoorbeeld afgesloten met: “Het is nog steeds mooi weer, maar ik kan er pas weer van genieten als ik je door het gras zie hollen. Ik omhels je, zoals ik van je houd, je Maillol”. En een andere zo: “Ik omhels je, lang en teder”. Geschiedschrijving is nooit af.

Wijngrond

Dina Vierny erfde alles toen Maillols enige zoon in 1972 stierf. Dat waren vooral de rechten op Maillols werk. “Maillol had tijdens zijn leven veel verkocht. Ik erfde voornamelijk huizen en wat wijngrond. Ik heb vooral veel gekocht om deze collectie op te bouwen. Het meeste werk dat in het museum te zien is, was al erg beroemd toen ik het moest kopen, en was dus duur.”

Zij heeft het benodigde kapitaal niet bijeen bracht door van Maillols werk nieuwe afgietsels te laten maken en die te verkopen. “Hij was daar mordicus tegen. Het is verraad bij te laten gieten. Van Rodins beelden zijn nogal wat heruitgaven gemaakt. Maillol wilde het niet. Zolang ik leef gebeurt het niet.” Wel heeft Vierny verschillende van zijn monumentale beelden na de dood van Maillol laten gieten omdat het daar tijdens zijn leven niet van was gekomen. Zij noemt als voorbeelden: La Montagne, L'Air en La Rivière.

Vierny herinnert zich dat Rodin en Maillol elkaar nog hebben gekend en vriendschap voor elkaar voelden. Hun werk was zeer verschillend. De mannen ook: “Maillol was één van de weinige kunstenaars die zich voor andere artiesten interesseerde. Die zondagochtenden in Marly-le-Roi waren beroemd. Jonge kunstenaars kwamen van heinde en verre om zijn kritiek te vragen.”

En over hun werk: “Rodin was modern in zijn tijd, en Maillol in de zijne. Rodin begreep hem goed. Maillol heeft gebroken met de romantiek, met de verhalende traditie, met de negentiende eeuw.” Vierny was niet blij toen bleek dat de Franse staat Maillol in het Musée d'Orsay wilde onderbrengen: “Maillol is alleen geboren in de negentiende eeuw. Hij hoort in de twintigste eeuw. Hij is een kunstenaar van de stilte. Hij gaf niet om thema's en niet om beweging. Dat was een geweldige revolutie.

“Maillol begon met een eenvoudig plan. Als hij langer had geleefd was hij misschien nog verder gekomen met vereenvoudigen. Hij is de vader van de moderne beeldhouwkunst. Ik was bevriend met Brancusi. Die heeft nooit willen toegeven hoe veel hij verschuldigd was aan Maillol, maar het is onmiskenbaar: zonder Maillol geen Brancusi. Picasso had daar minder moeite mee. Als je de Baigneuses van Picasso bekijkt, dan zie je Maillol. La Montagne, die Maillol naar mij maakte, dat was 'een levende Picasso', zei men destijds.”

In 1944, op weg naar Dufy, kreeg Maillol een auto-ongeluk. Hij overleed aan de gevolgen. Vierny was tijdens de oorlog bij hem komen wonen toen de kunstenaar zich in de bergen had teruggetrokken en bijna niemand meer zag. Behalve als steun en toeverlaat van Maillol, maakte ze zich bijzonder nuttig door uit Maillols atelier in de Pyreneeën tientallen kunstenaars, schrijvers en anderen die Frankrijk wilden verlaten de bergpaadjes naar de vrijheid te wijzen. Zij werd er twee keer voor opgepakt. In beide gevallen kwam zij vrij dankzij Maillols pleidooi voor haar - de eerste keer nadat het bewind in Vichy haar had verraden, de tweede keer toen zij door de Duitsers in de gevangenis van Fresnes was opgesloten. Die keer hielp Maillols beroep op Arno Breker, de officiële beeldhouwer van het Derde Rijk. Maillol kende hem via zijn Duitse mecenas graaf Kessler al van lang voor de oorlog, maar is zwaar bekritiseerd voor zijn deelname aan de opening van een Breker-tentoonstelling in de Orangerie in Parijs (1942). Om af te rekenen met alle verkeerde vermoedens zegt Vierny: “Breker heeft vijftig of meer Fransen gered. Ik heb hem na de oorlog kunnen de-nazificeren door mijn getuigenis.”

Na 1945 moest Vierny haar leven opnieuw inrichten. Op aanraden van Matisse begon zij met de 'Galerie Dina Vierny', in de Parijse Rue Jacob. Zo bouwde zij haar verzamelaarskapitaal op. “Ik heb gelukkig succes in mijn werk gehad. Ik heb geadviseerd bij het opbouwen van internationale beelden-collecties, voor Japanners en Amerikanen. Ik reis al 33 jaar vijf keer per jaar naar Japan. Mijn fortuin heb ik gemaakt met mijn eigen ogen en hard werk.”

Vierny verhandelde de groten van de tijd - Kandinsky, Matisse, Dufy, Charchoune - plus een aantal kunstenaars waar zij vroeg in geloofde, Poliakoff, moderne Russen (Kabakov, Boulatov, Yankilevski), de Nederlandse beeldhouwer Zitman en naïeven als Rousseau 'Le Douanier', Bauchant en Vivin. Het museum aan de Rue de Grenelle, dat aan al deze persoonlijke voorkeuren ruimte geeft, is evenzeer een hommage aan Maillol als een artistiek zelfportret van Dina Vierny: “Dit museum is niet alleen mijn keus. Het is ook mijn leven.”

Chantage

Vierny had niet gedacht dat zij een museum voor Maillol zou inrichten. “Ik verwachtte dat de overheid dat zou doen, maar die zorgt nooit uit zichzelf ergens voor. Rodin heeft het door chantage voor elkaar gekregen. Die zei: als jullie het niet hier en nu doen, dan schenk ik alles naar Engeland. Bij de beeldhouwer Bourdelle heeft de familie er voor moeten zorgen.”

Toen duidelijk werd dat zij zelf iets moest doen, wilde Vierny van 'haar' museum ook “iets origineels” en “iets begrijpelijks” maken, om “Maillol in zijn eeuw plaatsen. Ik heb die eeuw in de kunst doorleefd en ontdekt dat wat goed is goed samengaat. Alles wat hier hangt, daar houd ik van. Het zijn schilders en beeldhouwers waar ik voor heb geknokt. Zo heb ik mijn galerie ook gedreven: ik heb nooit iets middelmatigs of commercieels gedaan.”

Eén onderwerp gaat Dina Vierny bijzonder aan het hart. Haar strijd voor de naïeve kunst. “Dat is geen 'ongeletterden kunst'. Het zijn geen zondagsschilders, eerder schilders van het hart, vaak van een grote kracht. De naïeve kunst valt tegenwoordig niet meer in de smaak. Die wordt nu systematisch uit de musea verwijderd. Het is ook moeilijk. Maar moeten die kunstenaars twee eeuwen worden opgeborgen omdat zij nu uit de mode zijn? Dat is een immens onrecht. Ik doe niet mee. Ik laat zien dat primitieve kunst een van de grote stromingen is van de moderne kunst. Ik corrigeer de zwakte van museum-conservatoren door deze kunst op te hangen. Naïeve kunst is vaak van een diepe, authentieke eenvoud voor wie bereid is er moeite voor te doen. Rousseau was de koning, die heeft me de ogen geopend. Picasso, met wie ik bevriend was, kende hem goed. Die vond hem superbelangrijk.”

De bezoekers van het Musée Maillol zijn zichtbaar te gast bij de Fondation Dina Vierny. Globaal is de helft van het beschikbare oppervlak gewijd aan Maillol en de helft aan Vierny's andere vondsten. Met een minimum aan ingrepen zijn de voormalige woon- en werkruimtes aan elkaar gekoppeld. Het is geen periode-gebonden maar een intuïtief ingericht complex.

Van een lichte entrée-hal met monumentale Maillol/Vierny's loop je rechtuit in een zaal voor tijdelijke tentoonstellingen. Daar hangt nu de naïeve schilder Bauchant. Linksaf Marcel Duchamp en drie moedige en vrolijke Russen. Uit de hal leidt een wenteltrap naar de eerste verdieping, waar de meeste Maillols staan, ook uit zijn bloeiperiode rond de eeuwwisseling. Verder tekeningen van het jonge model dat zijn verbeelding later nieuw leven inblies. Om de hoek hangen verrassend allerlei Dina- (en andere) tekeningen van Matisse, Dufy, Picasso, Gauguin en een donker Dina-portret in olieverf door Bonnard (Nu Sombre). Op de tweede verdieping is - behalve een prachtige Poliakoff-collectie - allerlei gevarieerd werk van Maillol te vinden, ook vroege tapijten, houtsnijwerk en wonderlijk lichte schilderijen uit zijn eerste jaren, toen hij een 'nabis' was met een hang naar het esoterische.

In de meeste zalen van uw museum staat of hangt u een paar keer. Als u er rondloopt ziet u dan steeds u zelf?

“Nee, ik zie Maillol. Ik ben niet in me zelf geïnteresseerd. Ik heb hem, vooral in de latere jaren, kunnen helpen. Ik ben tien jaar zijn medewerkster geweest. Tijdens de oorlog hebben wij samen zijn oeuvre geïnventariseerd. Hij heeft me leren kijken.”

Gaf u hem wel eens kritiek op wat hij zei of maakte?

“Wij zagen niet alles het zelfde. Maar kritiek? Nooit. Dat verdragen kunstenaars niet. Ik antwoordde op zijn vragen. Hij was charmant en altijd in een goed humeur, geestig en voorkomend. Ik was een jong ding. Maar ik had het gevoel dat ik hem al jaren kende. Hij veranderde mijn leven.”