50 jaar Suske en Wiske

De Suske en Wiske-musical is t/m 23 juli te zien in Breda, daarna t/m eind oktober in de rest van het land (inl. en res. 06-8991166). De cd met liedjes uit de musical is verschenen bij CNR Music. De tentoonstelling 50 jaar Suske en Wiske is t/m 16 september in de Openbare bibliotheek Rotterdam, Hoogstraat 110 (ma 12u30-21u, di t/m vr 10-21u, za 10-17u). Het bijbehorende boek 'Suske en Wiske 50 jaar' van Peter van Hooydonck is verschenen bij Standaard Uitgeverij. Prijs ƒ 27,50

De menselijke toren

Eerst was er Wiske, die eigenlijk Louise heet. Samen met haar broertje Rikki en haar tante Sidonie reisde ze in 1945 naar Chocowakije om de gestolen plannen voor een rakettank te vinden. Nog vóór het volgende avontuur liep Rikki de strip uit; de tekenaar vond hem niet leuk genoeg. Wiske en tante Sidonie werden vrienden met professor Barabas en kwamen op het eiland Amoras een jongen van Wiskes leeftijd tegen: Suske, die eigenlijk François heet. Daarna hebben Suske en Wiske meer dan 180 avonturen beleefd, vanaf 1948 samen met Lambik (die zich in De sprietatoom voorstelt als 'loodgieter en detectief') en vaak ook met Jerom, die in De dolle musketiers nog het woeste geheime wapen van de boze hertog was.

Dit jaar is het 50 jaar geleden dat Suske en Wiske voor het eerst als tekenfiguurtjes te zien waren - in de krant, in zwart-wit, en in lange smalle stroken ('strips' zeggen de Amerikanen). Toen de verhalen eenmaal in albums verschenen kregen ze steeds meer kleur: eerst werden de hele bladzijden in bruin of blauw gedrukt, daarna kwam er een steunkleur bij, en vanaf album 67 verschenen alle verhalen (dus ook de oude) in full-colour, vierkleurendruk. Daarom wordt er achterop de stripboeken (naast de menselijke toren van Jerom, Lambik, Sidonia, Suske en Wiske) geteld vanaf nummer 67 (De poenschepper).

De bedenker en tekenaar van Suske en Wiske was de Belg Willy Vandersteen. Hij liet zijn helden vliegen naar verre landen (met de Gyronef van professor Barabas), teruggaan in de tijd (met de Teletijdmachine), reizen door de ruimte en duiken naar de bodem van de zee. Toen hij in het begin van de jaren zeventig merkte dat hij niets nieuws meer kon verzinnen, liet hij de strip voortaan tekenen door iemand anders. Jammer genoeg ging het toen steeds vaker over saaie dingen zoals het milieu en de wereldvrede. Vijf jaar geleden ging Vandersteen dood, maar de Suske en Wiske-albums blijven verschijnen. Als dit najaar De zeven schaken uitkomt, zijn we bij nummer 245. Dat is een rode rij van bijna een meter; als je alle verkochte exemplaren van alle albums op elkaar legt, heb je een stapel die zo hoog is als zes keer de Mount Everest.

Van peer naar ei

Suske en Wiske zijn in de afgelopen vijftig jaar maar een heel klein beetje ouder geworden; wie de oudste verhalen leest, zou zeggen dat ze een jaar of acht zijn, tegenwoordig lijken ze eerder twaalf, dertien. Wel zijn ze in de loop der tijd enorm veranderd. In het begin was Wiske nog klein en dik en had ze een peer- in plaats van een eihoofd; Suske had een dikke kop en een kuifje dat uit drie plukjes haar bestaat. Ook Lambik zag er vroeger anders uit; zo was hij niet zo kaal als nu: achter elk oor zaten geen drie, maar nog vier haren. En Tante Sidonia had nog niet die enorme kuif, maar wel een klein zwart hoedje waaruit twee spelden naar voren steken. Er zijn trouwens ook een paar verhalen waarin Suske wel achttien lijkt en Wiske lang blond krulhaar heeft. Die werden getekend voor het weekblad Kuifje, dat vond dat kinderen met spriethaar en een strikje niet sjiek waren. In Het Spaanse spook kun je zien hoe Suske, Wiske en Lambik door een tovenares deftig worden gemaakt.

Willy Vandersteen is steeds strakker gaan tekenen; de bibberlijntjes uit de vroege verhalen verdwenen, en de plaatjes werden echter en preciezer. Wat bleef waren de grappen die Vandersteen maakte met behulp van zijn tekeningen. In De ijzeren schelvis wordt Jerom door de druk op de bodem van de oceaan zo plat als een grammofoonplaat ('long-play' zeiden ze toen, 'cd' zouden we nu zeggen). In De straatridder verstopt de niet zo dikke Tante Sidonia zich achter een lantaarnpaal. En als je De tamtamklopper hebt gelezen, herinner je je vast de parachutesprong van Jerom: hij is zijn valscherm vergeten, maar blaast snel een tekstballonnetje op en gebruikt dat als luchtballon.

Een kamelot in de pollen

'Allee, ga-de-weg!... Dat is truut!' zegt Wiske wanneer ze in Het zingende nijlpaard (uit 1951) een zandhoentje tegenkomt. Als je die woorden meteen begrijpt, kom je waarschijnlijk uit België, want het is plat Vlaams. Toen het album ook in Nederland verscheen, werd dit vertaald als 'Ga nou weg!... Dat is klets!' Veel duidelijker, dat wel, maar ook minder leuk.

Tot in de jaren zestig spraken de figuren uit Suske en Wiske in Vlaams dialect. Ze zeiden 'tateren' als ze spreken bedoelden, noemden een zeur een 'zageman' en gingen geen boodschappen doen maar 'stockeren'. Wanneer professor Barabas voor het eerst zijn Teletijdmachine laat zien, zegt hij: 'Op een ik-en-een-gij flikker ik u in de 19de eeuw'. Niet zo netjes, vond de uitgever, die zijn stripboeken ook in Nederland wilde verkopen. En dus werd het: 'In een ommezien zwier ik jullie in de 19de eeuw'. Twee albums kregen zelfs een hele andere titel: 'Het taterende testament' werd Het sprekende testament, en 'De zonnige zageman' werd De geverniste zeerovers.

Er staan nog steeds wel wat Vlaamse woorden in Suske en Wiske, 'plezant' bijvoorbeeld, en Lambiks favoriete uitroep 'Miljaar!'. Maar zo bijzonder (en geheimzinnig) als in de vroege verhalen is de tekst niet meer. En zo hoef je niet meer te raden wat de volgende zinnen van Lambik betekenen: 'Nu maar eens zien of die Mispel mij geen kamelot in mijn pollen gedraaid heeft! Slobbermenten, nee! Het aambeeld met één slag gekloven! Dat is niet gezeverd!' De vertaling is te vinden in je eigen album van De ringelingschat.

Man met maatje strijkplank

In de vijftig jaar dat Suske en Wiske bestaan, is er van alles met ze gebeurd. Ze werden vertaald - in het Frans: Bob et Bobette, in het Amerikaans: Willy and Wanda, in het Fins: Anu & Antti, in het Zweeds: Finn och Fiffi. Er kwamen puzzels waar ze opstonden, spelletjes, telefoonkaarten, kalenders. Ze waren te zien in een poppenserie op tv, en werden gebruikt voor reclamecampagnes (denk maar aan het Suske en Wiske-servies dat je bij Albert Heijn kon krijgen als je veel melk dronk).

En nu is er zelfs een musical, waarin de rollen worden gespeeld door echte mensen. De liedjes kun je zo meezingen en de decors zijn prachtig; er wordt met de Teletijdmachine gereisd naar China, oud-Egypte en het Mexico van de Maya's. Suske en Wiske zelf zijn een beetje sloom, maar Lambik en vooral Tante Sidonia (gespeeld door een man omdat er geen vrouwelijke actrice te vinden was met maatje strijkplank) zijn erg grappig. De voorstelling duurt misschien wel lang (tweeëneenhalf uur), maar je verveelt je niet.

En toch: het heeft iets raars om al die figuren in levenden lijve te zien. Als je de strips leest, vul je zelf de stemmen en de bewegingen van Suske, Wiske, Lambik, Sidonia en Jerom in. Zie je ze op toneel, dan zijn ze plotseling totaal anders dan je altijd hebt gedacht. Alsof je je beste vriendjes plotseling niet meer herkent. Gelukkig kun je altijd thuis weer naar je oude vertrouwde stripboeken grijpen. En als je meer over Suske en Wiske wilt weten, dan kun je terecht in de Rotterdamse bibliotheek, waar ze een tentoonstelling hebben gewijd aan de twee striphelden die jonger zijn dan Kuifje, maar heel wat ouder dan Asterix.