Wereldbank: werkloosheid geen gevolg vrijhandel

ROTTERDAM, 29 JUNI. De concurrentie van opkomende lage lonenlanden speelt slechts een geringe rol ter verklaring van de hoge werkloosheid in West-Europa of van de druk op de lonen van de laagstbetaalden in de Verenigde Staten. De internationale handel met opkomende landen kan hooguit tussen de tien en dertig procent van de werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt in de Europese industrielanden verklaren. De industrielanden moeten hun werkloosheidsproblemen niet afwentelen op opkomende landen, want die fungeren steeds meer als bron van internationale economische groei.

Dit schrijft de Wereldbank in een rapport, Workers in an integrating world, dat vanavond voor publicatie is vrijgegeven. Het rapport beklemtoont de positieve economische effecten van de snel toenemende integratie in de wereld op het gebied van handel, kapitaalmarkten en arbeidsmigratie. Open handelssystemen, vrije kapitaalmarkten en tot op zekere hoogte migratie leveren over het geheel genomen veel meer voordelen op dan de nadelen voor specifieke groepen van vooral laaggeschoolde arbeidskrachten. Deze moeten met gerichte maatregelen worden ondersteund.

“Alles overziende zijn de effecten van handel met ontwikkelingslanden en transitielanden (ex-communistische landen) niet groot genoeg om als verklaring te dienen voor de massale verschuivingen in de arbeidsmarkten in de industrielanden”, aldus het rapport. De Wereldbank verwerpt de stelling van “baanloze groei” in industrielanden als een hardnekkige mythe.

In deze achttiende jaargang van het World Development Report houdt de Wereldbank zich voor het eerst bezig met de problemen van werk en werkloosheid en met de positie van vakbewegingen in zowel arme als rijke landen.

De belangrijkste oorzaken voor de structurele werkloosheid in West-Europa zijn gelegen in binnenlandse oorzaken zoals de dalende vraag naar ongeschoolde arbeid door de technologische ontwikkelingen, in combinatie met het rigide loonsysteem en het sociale stelsel. De hoofdauteur van het rapport, Michael Walton, beklemtoonde bij de presentatie van de bevindingen dat er “geen magische oplossing” bestaat voor het werkloosheidsprobleem in industrielanden. “Maar vechten tegen verschuivingen in de internationale arbeidsdeling komt neer op jezelf in de voet schieten”, aldus Walton.

De internationale economische integratie heeft de afgelopen jaren spectaculaire vormen aangenomen. Eind jaren zeventig was tweederde van de arbeid in de wereld geconcentreerd in landen die vrijwel volledig geïsoleerd waren van internationale markten door handelsbarrières, beperkingen op het kapitaalverkeer of centraal geleide handel. Door de economische veranderingen in drie reusachtige bevolkingsblokken - China, Zuid-Azië en de voormalige Sovjet Unie - en door de economische liberalisatie van Latijns Amerika zal tegen het jaar 2000 nog slechts tien procent van de werknemers in de wereld wonen in landen die geen deel uitmaken van de wereldmarkt. “De overgang van centrale planning naar een markteconomie en van handelsafscherming naar open markten vormen de sleutel tot grotere kansen en hogere inkomens in ontwikkelings- overgangs én industrielanden”, aldus de Wereldbank.

Het rapport wijst protectionistische oplossingen met kracht van argumenten af. West-Europa heeft bijvoorbeeld een handelsbalans met de hele groep van ontwikkelings- en transitielanden die al jaren ruwweg in evenwicht. In de afgelopen dertig jaar is het aandeel van deze landen in de Europese buitenlandse handel nauwelijks veranderd. “In de afgelopen twintig jaar heeft de handel met ontwikkelingslanden de vraag naar arbeid (in Europa) slechts met 1 tot 3 procent gedrukt (en met 2 tot 5 procent van de vraag naar ongeschoolde arbeid)”, aldus het rapport. Dit is te weinig om de hoofdoorzaak te kunnen zijn van de hoge werkloosheid, die in dezelfde tijd is ontstaan.

De Wereldbank erkent dat de toenemende integratie van opkomende landen in de wereldeconomie voor specifieke groepen van jongeren en laaggeschoolden in de industrielanden grote sociale en economische problemen met zich meebrengt, maar het rapport legt de nadruk op de voordelen in ruimere zin. De handel met 'lage lonenlanden' levert voor consumenten in industrielanden een voordeel op in de vorm van lagere prijzen voor goederen. Werknemers profiteren ook als een economie de overgang maakt naar activiteiten met een hogere toegevoegde waarde en bijbehorende hogere inkomens. Verder profiteren industrielanden omdat opkomende landen met hun exportopbrengsten ook de import van steeds meer goederen en diensten uit industrielanden kunnen betalen.

    • Roel Janssen