WELKE GELEERDE HEEFT GELIJK?

Geleerden zijn het nooit allemaal eens, althans niet in een vrij land waar onderzoekers niet gedwongen kunnen worden om klakkeloos te beamen wat premier Kok zegt. Je kunt het zo gek niet bedenken, aardstralen, UFO's, homeopathie, astrologie, de evolutieleer, de gevaren van drinkwater fluoridering, de zegenrijke werking van megadoses vitamine C, of er is wel iemand met een doctorstitel of een Nobelprijs, die een mening verkondigt die afwijkt van de mening van het leeuwedeel van de deskundigen.

Hoe kom je er achter of zo'n opposant een zonderling is bij wie een draadje los zit, of juist een visionair genie, dat zijn tijd zo ver vooruit is dat hij roept in de woestijn? Deze krant vindt bijvoorbeeld dat Aids door een virus wordt veroorzaakt, het Humane Immuno-deficiëntie Virus, HIV. De Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW)is het daarmee eens. Prins Claus heeft zelfs vorig jaar de Amsterdam prijs voor Geneeskunde van de KNAW uitgereikt aan Luc Montaignier voor de ontdekking van dit virus. Toch zijn er mensen, zoals Peter Duesberg en Kary Mullis, die de wereld rond reizen met de boodschap dat Aids niet door HIV wordt veroorzaakt. Duesberg is een van de grondleggers van de tumorvirologie en zijn onderzoek met tumorvirussen in de 60er en 70er jaren heeft hem het lidmaatschap van de National Academy of Sciences in Amerika opgeleverd. Academielid word je niet zo maar in Amerika; hij heeft dus iets gepresteerd. Mullis kreeg in 1993 de Nobelprijs voor Scheikunde voor de ontwikkeling van een nieuwe techniek voor DNA analyse, die in geen DNA-lab meer ontbreekt. Ook niet de eerste de beste dus. In dit geval is de conclusie wie gelijk heeft niet moeilijk, althans voor wie de betrokkenen kent. Zowel met Duesberg als met Mullis is iets mis. Duesberg is een originele, eigenzinnige onderzoeker, maar halverwege zijn loopbaan is hij het spoor bijster geraakt. Het eerste signaal van die ontsporing kwam met een paar artikelen, waarin Duesberg zich keerde tegen het idee dat kanker veroorzaakt wordt door defecten in regelgenen die de celdeling en het celgedrag regelen. Omdat Duesberg zelf aan dit idee had bijgedragen, trok zijn afwijkende visie aanvankelijk de aandacht. Lang duurde dat niet. Al gauw werd zonneklaar hoe beschadigde regelgenen kanker veroorzaken en niemand keek meer om naar Duesberg, wiens tegendraadse visie onjuist was gebleken. Toen stortte Duesberg zich op Aids. In 1985 sprak hij daar over in Amsterdam tijdens het driejaarlijkse wereldbiochemiecongres. Zijn voordracht was miserabel, meer een politieke speech dan een analyse van de feiten. Zijn eigenzinnigheid was doorgeschoten naar querulantie. Zolang er geen antiviraal vaccin is dat Aids voorkomt en geen antiviraal middel dat Aids geneest, blijft Duesberg gehoor vinden voor zijn karikaturale ideeën over de oorzaak van Aids. Mullis heb ik van dichtbij meegemaakt, toen wij in 1992 allebei een prijs in Duitsland kregen. Ik vond hem toen een heel rare snuiter. Tijdens de persconferentie begon hij op zo'n vreemde wijze uit te pakken tegen milieuactivisten, dat de organisatoren niet wisten hoe gauw ze het woord moesten geven aan die tactvolle professor uit Amsterdam met zijn koddige Rudi Carrell-accent. Later heb ik Mullis zijn litanie tegen het belang van biodiversiteit nog eens horen herhalen op CNN. Hij was toen in gezelschap van de andere Amerikaanse Nobelprijswinnaars van 1993 en die snoerden hem krachtdadig de mond. Mullis heeft een belangrijke techniek ontdekt en daarvoor terecht de Nobelprijs gekregen. Dat is ook meteen het enige dat hij heeft ontdekt en van AIDS heeft hij geen verstand. Zijn uitspraken op dat gebied (en op bijna elk ander gebied) zijn mijns inziens dan ook weinig waard. In het geval van Aids is de zaak dus vrij simpel, maar hoe herken je in het algemeen de wetenschappelijke zonderling en hoe onderscheid je de zonderling van het genie? Ook een genie kan opvattingen verkondigen, die door het gros van zijn vakgenoten niet worden geaccepteerd, maar dat komt omdat hij een stap voor is. Hoe weet je als buitenstaander of een tegendraadse mening de wijsheid van de toekomst is of de onwijsheid van de querulant? Een foolproof profiel kan ik u niet bieden, maar aan 37 jaar intensieve omgang met onderzoekers heb ik wel een signalement overgehouden van de drie typen zonderling, die de wetenschap in discrediet brengen. Het makkelijkste te herkennen is de charlatan. Getooid met een doctors- of professorstitel, prijst de charlatan in dubieuze ochtendbladen chelatietherapie aan of andere modegrillen uit het alternatieve circuit. Op zijn best zijn charlatans pseudo-wetenschappers die het in de echte wetenschap niet hebben kunnen trekken en die hun hang naar aandacht en publiciteit kunnen bevredigen in de lunatic fringe. Op zijn slechtst zijn het oplichters die hun beurs spekken. De diagnose levert zelden problemen op. Soms is er een zeer charismatische charlatan, die een parlementslid weet te betoveren en dan is er een knorrig advies van de Gezondheidsraad nodig om de zaak recht te trekken. Wie echter deze krant leest en dubieuze ochtendbladen mijdt, heeft geen Gezondheidsraad advies nodig om charlatans te kunnen herkennen. Een lastiger categorie zijn de wetenschappelijke querulanten. Zij zijn principieel in de contramine en omdat de wetenschap wel eens een verkeerde weg inslaat, hebben ze een enkele keer gelijk. Als zij ongelijk hebben, zijn zij meestal te herkennen door een lange voorgeschiedenis van tegendraadsheid en door de schrille toon waarop zij hun vakgenoten de les lezen. Het moeilijkste te herkennen is de wetenschappelijke waan. Onderzoekers zijn niet beter bestand tegen wanen dan andere mensen en bij onderzoekers kan de waan een wetenschappelijke vorm krijgen. Ook zeer goede onderzoekers kunnen hierdoor getroffen worden. Intellect beschermt niet tegen waan. Zulke wetenschappelijke zonderlingen hebben soms imponerende kwalificaties. Hoe herken je zo iemand? Dit type zonderling is altijd emotioneel zeker van zijn of haar zaak, bijna altijd achteloos in de bewijsvoering, meestal paranoïde en ook vaak oud. Die ouderdom is geen betrouwbaar kenmerk, er zijn ook jonge onderzoekers die het spoor bijster raken, maar de eerlijkheid gebiedt mij te melden dat er meer onderzoekers van mijn leeftijd zijn met zonderlinge ideeën dan onderzoekers van dertig. De ouderdom komt met gebreken, ook in de wetenschap. En het grensgebied tussen originele ideeën en waanideeën is nauw en grillig en verlies van neuronen kan ertoe leiden dat iemand over de grens gaat. Linus Pauling, zonder twijfel een geniaal chemicus, is die grens overgegaan toen hij op latere leeftijd bezeten raakte van het idee dat vitamine C een panacee is tegen elke kwaal, kanker, hart- en vaatziekten, noem maar op. Het belangrijkste kenmerk van dit type zonderling is echter de emotionele zekerheid dat het eigen standpunt de waarheid vertegenwoordigt. Als retorische truc wordt de waarheid nog wel eens als hypothese gepresenteerd, maar toon en inhoud laten zien dat de spreker geen twijfel kent. Woe anders denkt is misleid of omgekocht. Uit die zekerheid ontspruit ook het kenmerkende dédain voor experimentele gegevens die niet passen in de theorie. Een serieuze onderzoeker ligt wakker van het ene experimentele gegeven dat niet in het plaatje past, omdat dit ene lastige feitje uiteindelijk de hele theorie onderuit zal halen. Wie achteloos wegwuift wat niet past, is op weg naar een grote blunder. De natuur zit gecompliceerd maar logisch in elkaar en wie denkt die complexiteit te kunnen raden in plaats van systematisch gegevens te vergaren en ideeën te toetsen eindigt met zichzelf en anderen voor de gek te houden, zoals zonderlingen meestal doen. Ik ontken niet dat het wetenschappelijke denken met horten en stoten gaat en dat flitsen van inzicht een rol spelen. Iedereen die wel eens iets aardigs ontdekt heeft, ziet de flits waarmee dat gepaard gaat, nog voor zich. Een serieuze onderzoeker heeft echter geleerd om de Aha-Erlebnisse te wantrouwen. Behalve de momenten dat ik echt iets had gevonden, herinner ik me namelijk ook nog al die flitsen, die later losse flodders bleken te zijn. Hoe vaak zag ik niet alle gevens in een flits in elkaar passen - om vervolgens in de volgende dagen mijn intense emotionele zekerheid te zien eroderen onder de feiten die door nuchtere promovendi werden aangedragen. Zo komt het dus dat geleerden het nooit helemaal eens zijn. Dat kan wel eens lastig zijn voor politici, die moeten beslissen, of voor leken die niet meer weten wie te geloven. In een vrij en hoog ontwikkeld democratisch land als het onze is het toch doorgaans makkelijk om er achter te komen wie er gelijk heeft. Als de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen rapporteert dat aardstralenkastjes volksverlakkerij zijn, dan kunt u er veilig vanuit gaan dat aanschaf van zo'n kastje weggegooid geld is. De kans dat die eigenwijze baasjes in de KNAW allemaal aan de leiband van industrie of politiek lopen, is verwaarloosbaar. Als de Nederlandse Aids-deskundigen ervan overtuigd zijn dat Aids wordt veroorzaakt door HIV, dan zal dat vast zo zijn, ondanks de kritische stukken van Duesberg, die zich in een onhoudbaar standpunt heeft vastgebeten, en ondanks de oprispingen van die rare snuiter Mullis, die door zijn Nobelprijs de kans krijgt om halfbakken meningen te ventileren over zaken waar hij geen verstand van heeft. En Semmelweis dan, die werd toch ook niet geloofd met die kraamvrouwenkoorts? Die had ook gelijk en werd niet au sérieux genomen door het establishment. Jazeker, maar de geneeskunde is in 130 jaar onherkenbaar veranderd. Van een dogmatisch, op onjuiste premissen activiteit met dubieuze resultaten, is het een rationeel en nuttig beroep geworden, gebaseerd op een precieze kennis van het functioneren van ons lichaam. Er valt te leren van het verleden, maar daarbij moet je wel je verstand gebruiken. De Semmelweis van vandaag is een gisse assistent in opleiding en als zijn slimme idee niet wordt opgepikt door zijn directe baas, dan staan er tien anderen klaar om dat idee over te nemen. Waar deskundigen het niet eens zijn - en ik bedoel hier echte deskundigen die werkelijk van mening verschillen - dan zit er weinig anders op dan af te wachten totdat meer gegevens beschikbaar zijn en de deskundigen het wel eens worden. Waar politieke beslissingen moeten vallen vóór die consensus bereikt is, zit er voor de politici weinig anders op dan goed luisteren. Een brede commissie, een wetenschappelijke rechtbank, of een Academie-advies moet dan uitkomst bieden. Men moet echter geen illusies hebben om in complexe problemen snel simpele oplossingen te vinden. H.L. Mencken zei het al: “For every complex problem ther is a simple, easy to convey, wrong solution”.