Tussen Galileï en Newton

Nog altijd is het wachten op een wetenschappelijke biografie van Christiaan Huygens. De gedoodverfde auteur is dr. Joella Yoder, Amerikaans wetenschapshistorica en eminent Huygensonderzoekster.

Begin jaren zeventig schreef Henk J.M. Bos, zojuist gepromoveerd, voor de Dictionnary of Scientific Biography een omvangrijke bijdrage over leven en werk van Christiaan Huygens. 'Dat was een zware klus en tegelijk een goede introductie om me met Huygens bezig te houden,' blikt de Utrechtse hoogleraar geschiedenis van de wiskunde terug. 'Maar van het uitwerken van dat artikel tot een echte biografie is het om de een of andere reden nooit gekomen.'

Het eerste dat Bos bij de gedachte aan Huygens te binnen schiet is 'absolute virtuositeit'. 'De wiskunde zat hem in de vingers, dat zie je aan de speelsheid waarmee hij problemen al tijdens zijn opleiding oppakt. Methodisch gezien is Huygens complex. Vernieuwingen van Descartes nam hij direct over, maar tegelijk had hij grote waardering voor de klassieke wiskundige vormen van Archimedes, Apollonius en Euclides. Prachtig om te zien hoe hij in zijn geometrische figuren met driehoekjes speelt, ze laat kantelen tot ze opeens in een patroon vallen dat helderheid schept.'

Over Huygens' houding tot de differentiaal- en integraalrekening van Newton en Leibniz bestaan misverstanden: uit conservatisme of koppigheid zou de Nederlander er niet aan hebben gewild. Bos: 'Die visie is onhoudbaar. Huygens was zo virtuoos dat hij die nieuwigheid niet nodig had. Pas op het laatst van zijn leven is hij zich erin gaan verdiepen. Omdat Leibniz zich in zijn brieven nogal vaag uitdrukte had Huygens alle reden te veronderstellen: 'Weer zo'n nieuwlichter die een veel te hoge pet op heeft van zijn truc, dat heb ik vaker gezien.' Zo vlot werd de kracht van de differentiaal- en integraalrekening niet onderkend. De Principia van Newton uit 1687 is een uitermate klassiek opgezet boek en pas in de jaren negentig van die eeuw verschijnen de eerste artikelen van volgelingen van Leibniz waaruit blijkt dat zíj problemen aankunnen waar de oude methoden het laten afweten. Bijvoorbeeld dat van de kettinglijn, waarvan Huygens al aan het begin van zijn loopbaan had aangetoond dat het geen parabool kon zijn. Maar in 1693 moest hij - daartoe geprest - erkennen dat zijn geometrische methode de correcte vergelijking lang zo vlot niet leverde als de differentiaal- en integraalrekening.'

Bos is vooral getroffen door de wijze waarop Huygens zijn wiskundige virtuositeit toepast op fysische vragen. 'Van de zeventiende-eeuwers heeft hij de grootste stap gezet op weg naar het mathematiseren van natuurprocessen. Galileo is vreselijk knap, maar qua wiskunde is het niet veel meer dan verhoudingenleer. Bij Huygens zie je dingen die raken aan differentiaalvergelijkingen, aan integraties. Aan de ene kant beheerst hij het fantastische middel van het wiskundig redeneren, tegelijk gaat hij de natuur in en maakt van wat hij ziet een versimpeld, grijpbaar model. Die twee werelden verbindt hij met elkaar.'

Waarom is Huygens, ondanks alle genialiteit, lang zo beroemd niet als zijn tijdgenoten Galileï, Descartes, Newton en Leibniz? Bos: 'Huygens was geen geleerde met grote programma's, eerder blonk hij uit in losstaande briljante inzichten. Hij was sceptisch, stond met beide benen op de grond. Als hij al eens, zoals bij de discussie over de zwaartekracht, gedwongen wordt programmatisch kleur te bekennen, neemt hij een veilig standpunt in waar niemand zich een buil aan kan vallen. Als Descartes zijn wervels poneert omdat die in zijn mechanistische wereldbeeld goed van pas komen, zegt Huygens: “Ik heb er gisteravond mee proberen te rekenen maar liep wel mooi vast.” Grote woorden waren hem vreemd. Mij is zo'n houding zeer sympathiek, maar beroemd worden doe je er niet mee.'

Naast dit uit de weg gaan van wereldbeschouwingen stelde Huygens zich ook nog eens terughoudend op met publiceren. Hij was een perfectionist die bleef schaven en schaven. Veel werk bleef ongepubliceerd of kwam alleen in de vorm van eindresultaten of conclusies naar buiten. Huygens stond in die houding niet alleen, bescherming van intellectueel eigendom lag problematisch in die tijd. Bos: 'Een fantastisch manuscript over drijvende lichamen kwam niet naar buiten, zodat resultaten die Huygens al had bereikt tot in de negentiende eeuw herontdekt moesten worden.'

Soms was er een externe reden voor uitstel. Zo oefende de bevriende Leidse hoogleraar wiskunde Van Schooten druk op Huygens druk uit de publikatie van het tractaat over de botsingswetten uit te stellen: het zou het aanzien van de cartesiaanse filosofie, die onder vuur lag van theologen, kunnen schaden.

Ten slotte is er Huygens' ontoegankelijke stijl. Bos: 'In de zeventiende eeuw zie je wiskundigen via de algebra hun oplossingsmethodes formaliseren. Huygens deed dat niet. Wil je hem volgen, dan moet je bij hem in de keuken kijken, en net zoveel ervaring hebben als hij. In zijn klassieke geometrische aanpak reikte hij tot aan de grens van het haalbare, er kon niet op worden voortgebouwd. Huygens kwam voor een kloof te staan die de differentiaal- en integraalrekening wel wist te overbruggen.'

Perfectionistisch

Als ideale biograaf wijst Bos op Joella Yoder, in zijn ogen de meest vooraanstaande Huygens-onderzoeker van dit moment. In 1985 promoveerde de Amerikaanse aan de Universiteit van Wisconsin op het concept 'kromming' bij Huygens, een studie die uitmondde in het veelgeprezen boek Unrolling time (Cambridge University Press, 1988). Yoder deelt met Huygens het (deels passief) beheersen van Latijn, Frans, Italiaans, Engels, Duits en Nederlands, is even perfectionistisch ingesteld - ook haar publikaties lopen het nodige aan vertraging op - en net als Christiaan heeft ze als 'independant scolar' geen besognes met studenten of, erger nog, overlegstructuren. Op het moment verblijft Yoder in Nederland om archieven te raadplegen in verband met een door haar samen te stellen Huygens-catalogus, een mammoetproject waarvan de voltooiing door iedere Huygens-onderzoeker met smart tegemoet wordt gezien.

Yoder begon in Wisconsin als mediaevist, maar dan zonder vrees voor wiskunde. Toen ze bij het verkennen van haar promotieonderwerp de OEuvres complètes uit de kast trok, was ze direct gegrepen: 'Oh my God, moet je toch eens zien, allemaal wiskunde - en ik wist dat ik mijn stek gevonden had.' Huygens is voor de Amerikaanse de belichaming van de wetenschappelijke revolutie. Yoder: 'Hij is als het ware de missing link tussen Galileo en Newton. Tegelijk is er veel te weinig studie van hem gemaakt. Wetenschapshistorici vinden Huygens belangrijk en laten hem vervolgens liggen. Huygens bestuderen kost moeite: hij is modern maar werkt tegelijk in de oude klassieke stijl en het valt niet mee die je eigen te maken.'

Een extra handicap is dat er van Huygens' wetenschappelijke nalatenschap - vele duizenden bladzijden aan brieven, aantekeningen, werkboekjes, en (concept-)manuscripten - geen beschrijvende catalogus bestaat. Yoder: 'De potentiële onderzoeker die voortgang wil boeken, en dus al snel buiten de OEuvres verzeild raakt, zoekt zich een ongeluk in de archieven.'

Ook is een biografisch perpectief onder wetenschapshistorici in onbruik geraakt. 'Tegenwoordig ligt de nadruk op social history,' zegt Yoder. 'Je op één persoon richten is uit de mode. Het heeft te maken met de behoefte bij onderzoekers zich breed te kwalificeren om zo op de arbeidsmarkt wendbaar te zijn - een streven dat zich slecht verdraagt met specialisatie.'

Binnen een jaar hoopt Yoder haar Huygens-catologus dan toch voltooid te hebben. Daarna is het tijd een alomvattende index samen te stellen. Van ieder document noteert de Amerikaanse de afmetingen, de staat waarin het zich bevindt, de beginregel, de datering (voor zover mogelijk), de plaats waar het in de OEuvres opduikt en specifieke opmerkingen over de inhoud indien niet eerder gepubliceerd. Het zijn cruciale gegevens. Yoder: 'Ik sprak laatst een onderzoeker die zich bezighoudt met Huygens' zee-uurwerken. Aantekeningen daarover staan in wat wij 'boek F' noemen, maar daar zijn bladzijden uitgescheurd. In mijn database kan ik nu zo nagaan of er soms papieren van hetzelfde formaat elders in het archief aanwezig zijn, dat scheelt een vracht werk.'

Microfilms

Momenteel trekt Yoder door haar verzamelde gegevens over brieven na aan de hand van de originelen. Huygens' correspondentie is verdeeld over de Royal Society, de Bibliothèque Nationale, het Leibniz-archief in Hannover en de universiteitsbibliotheek Leiden. Bijna alle manuscripten bevinden zich in de Leidse universiteitsbibliotheek. Voor het merendeel wekt Yoder thuis met microfilms - 'ik heb een droom dat er nog eens geld beschikbaar komt om het volledige materiaal te scannen en op CD Rom te zetten' - maar het probleem is dat je daarop niet alles ziet. 'Soms plakt Huygens correcties op zijn figuren en dan wil je toch weten of eronder iets interessants zit.'

De OEuvres complètes, een uitgave in 22 delen van de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen (gedrukt in een speciaal ontworpen letter, maar wel op zuurhoudend papier), verschenen tussen 1888 en 1950. In die tijd stelden de wetenschapshistorici zich andere vragen dan nu. Yoder: 'Het is niet zozeer dat men het verkeerd deed, de maatstaven zijn veranderd. Toendertijd werd een wetenschapper beoordeeld op de uiteindelijke publikaties, nu zijn we meer geïnteresseerd in de ontstaansgeschiedenis van een theorie en willen we ook kladberekeningen zien. Dramatisch is het dat de samenstellers van de OEuvres de papieren niet intact lieten - mijn leven zou een stuk eenvoudiger zijn geweest. Huygens werkte aan meerdere projecten tegelijk en de synergie die dat opleverde is van wezenlijke betekenis voor wie zijn manier van denken wil volgen. Maar hoe moet je die achterhalen als uit de aantekenboekjes gemakshalve door Bierens de Haan en zijn opvolgers velletjes zijn gescheurd om het materiaal op onderwerp te bundelen, zonder dat de originele volgorde is vastgelegd?'

Joella Yoder is de gedoodverfde Huygens-biograaf. 'Het zal er nog weleens van komen en Henk Bos dreigt - gekscherend - zelf te beginnen als ik niet voortmaak. Ik ben ook bezig, het maken van de catalogus zie ik als een essentiële stap op weg naar een biografie. Maar voor ik er aan begin wil ik een uitgesproken visie op Christiaan ontwikkeld hebben en zover ben ik nog niet.'

Kees Andriesse is dat wel, getuige zijn Titan kan niet slapen. Yoder karakteriseert deze Huygens-biografie als 'een persoonlijk portret'. Maar: 'Jammer genoeg heeft het boek niet de wetenschappelijke waarde die het had kunnen hebben. Al heeft Andriesse uitdrukkelijk een populaire biografie willen schrijven, als academicus wil ik opmerkingen als “Christiaan vindt dat” of “Christiaan hoopt dat” persé via een begeleidende voetnoot in de originele brieven of aantekeningen kunnen verifiëren. Nu zou ik zijn hele research over moeten doen.'