Tory-historicus Blake: na crisis de oppositie

LONDEN, 29 JUNI. Zijn tred is sloffend, net als zijn redeneertrant. Maar zijn conclusies zijn even ondeugend en helder als zijn blauwe ogen. “De kansen van de Britse Conservatieve partij om de volgende verkiezingen te winnen waren toch al minimaal. De huidige leiderschapscrisis in de partij maakt die kansen alleen nog maar kleiner. Ze kan er goed toe leiden dat de partij niet voor één parlementsperiode maar voor twee of drie in de oppositie gedwongen wordt.”

Niet dat zijn mening er iets toe doet als de Conservatieve fractie in het Lagerhuis volgende week dinsdag zijn geheime leiderschapsverkiezing houdt. Hij is “maar” lid van het Hogerhuis. “En het Hogerhuis heeft zowel in regeringszaken als partijaangelegenheden niets te zeggen.” Net als al die andere Conservatieven in het Hogerhuis kan hij alleen maar het hoofd schudden en zich verbazen “over de puinhoop die onze partijgenoten in het Lagerhuis zo uiterst grondig hebben aangericht.”

Zijn standpunten genieten meer gezag onder vakgenoten dan onder politici. Hij is auteur van het standaardwerk The Conservative Party from Peel to Thatcher en geldt als dé geschiedschrijver van de Conservatieve partij. Hij verheugt zich al op de herziene versie 'Van Peel tot Major'. “Lekker veel spektakel in het laatste hoofdstuk”, zegt een glimmende Lord Robert Blake.

“Geschiedkundige parallellen zijn richtlijnen, geen dogma's”, waarschuwt de 79-jarige historicus. “Maar de vorige vier leiderschapscrises binnen de Conservatieve partij hebben alleen maar ellende gebracht. In drie van de vier gevallen verloren de Conservatieven voor langere tijd de macht. In alle gevallen raakte de partij zwaar beschadigd.”

Lord Blake duikt nog eens verder weg in zijn roodleren leunstoel die als een burcht middenin de bibliotheek van de United Oxford & Cambridge University Club verrijst. Een vergulde kroonluchter beschijnt zijn rooddooraderde gezicht.

Dan begint hij zijn exposé van vorige leiderschapscrises. De controverse binnen de Conservatieve partij over Europa blijkt niet meer dan de laatste uiting van een al anderhalve eeuw durende strijd tussen xenofoben en internationalisten, tussen Tories die de grenzen willen opengooien en degenen die ze krampachtig willen sluiten. In 1846 was het een botsing tussen protectionisten en vrijhandelsgeesten die de Conservatieve premier Robert Peel zijn functie kostte. Een motie van wantrouwen werd door een deel van zijn eigen fractie gesteund, een verraad dat de Conservatieve partij met dertig jaar oppositie moest bekopen.

In 1905 verging het de Tories onder premier Arthur Balfour al niet veel beter. Balfour stond bekend als de grote verzoener, net als tegenwoordig John Major. Maar uiteindelijk slaagde hij er niet in om protectionisten en vrijhandels-adepten binnen zijn partij te verenigen. In de veronderstelling dat de Liberalen toch niet in staat zouden zijn een nieuwe regering te vormen, omdat ze al even hopeloos verscheurd waren als de Conservatieven, diende hij zijn ontslag als premier in. Dat bleek een pijnlijke miscalculatie. Pas in 1922 kwamen de Tories weer aan het bewind.

De derde crisis had geen ideologische maar een persoonlijke achtergrond. Nadat Harold Macmillan om gezondheidsredenen als premier was teruggetreden, ontstond een venijnige opvolgingsstrijd die door een ingreep van Macmillan werd beslist. De oud-premier had een gruwelijke hekel aan P.A. Butler die door het overgrote deel van de partij als zijn natuurlijke opvolger was omarmd. Vanaf zijn ziekbed zorgde hij er nog voor dat Alec Hume werd gekozen. De Conservatieven verloren - in 1964 en 1966 - de twee volgende verkiezingen.

De enige leiderschapscrisis die de Tories niet de regeringsmacht kostte, dateert pas van vijf jaar geleden. Waarom Margaret Thatcher destijds moest wijken, valt voor Lord Blake nog steeds niet makkelijk te verklaren. Ging het om het haar houding tegenover Europa? Om de zo gehate poll tax die de populariteit van de Conservatieven ondermijnde? Of om haar autarkische leidersstijl waarvan haar kabinetscollega's hun bekomst hadden gehad? Twee jaar na die pijnlijke aftocht van Thatcher boekten de Conservatieven onder leiding van John Major desondanks een verrassende overwinning bij de verkiezingen. “Maar sindsdien”, zegt Lord Blake met de geestdrift van een bezielde wetenschapper, “is alles misgegaan wat er maar mis kon gaan”.

Volgens Lord Blake is de Conservatieve partij het slachtoffer van haar eigen systeem om een nieuwe leider te kiezen. In het verleden werd een nieuwe leider naar voren geschoven door een informeel keurcorps van invloedrijke Lagerhuisleden, aangevoerd door de vertrekkende voorman. Maar nadat het advies van Macmillan de Conservatieve fractie in 1963 tegen haar wil met Alec Hume had opgezadeld, werd in 1965 een verkiezingsprocedure ingevoerd die alle Conservatieve Lagerhuisleden zeggenschap gaf.

“Helaas is die verkiezingsprocedure nooit erg grondig doordacht”, meent Lord Blake. “Het systeem biedt dissidente groeperingen binnen de fractie elke herfst opnieuw de gelegenheid om de positie van de leider door middel van een verkiezing ter discussie te stellen. Dat maakt de positie van een premier hoogst onzeker. Dat is vrágen om regeringsinstabiliteit.”

De kwetsbaarheid van een Conservatieve leider is ook toegenomen, zegt Lord Blake, omdat de oude hiërarchische partijcultuur van solidariteit en eerbied zwaar aan erosie onderhevig is. Welgestelde adel en ex-militairen hebben in het Lagerhuis moeten plaatsmaken voor accountants en bedrijfsdirecteuren, broodpolitici die voor hun inkomen van hun parlementszetel afhankelijk zijn. “Loyaliteit werd in het verleden beschouwd als het geheime wapen van de Tories”, zegt Lord Blake, alsof hij een oude vriend de laatste eer bewijst. “Die loyaliteit is tegenwoordig zo geheim dat ze vrijwel onzichtbaar blijft.”

Het ergste wat de Conservatieve partij kan gebeuren is dat premier Major de leiderschapsverkiezing volgende week dinsdag met een krappe marge wint, meent Lord Blake. “Hij zal dan wel aanblijven als premier, want John Major is een hele obstinate man. Maar zijn positie zal anderhalf jaar voor de verkiezingen ernstig verzwakt zijn.”

En het beste wat de Conservatieve partij kan overkomen? “Dat er een nieuwe, charismatische leider komt als Major wordt verslagen. Het probleem is: wie moet dat zijn. Tegen Michael Heseltine bestaat bij een deel van de partij grote weerzin. Tegen Michael Portillo bestaan bij een ander deel van de partij al even grote bezwaren. Gesteld voor de keuze tussen de sterkste leider of de beste verzoener, hebben de Tories in het verleden nog altijd de voorkeur gegeven aan de kandidaat die de partij bij elkaar houden kan.”