Op het Huygens

Mijn eerste en tweede klas waren gehuisvest in een oud herenhuis aan het Oosteinde. De bovenbouw zat in een klein paleis aan het Westeinde. Pas toen Het Huygens Lyceum een jaar of zes oud was, ik zat toen in de vierde van HBS-b, verhuisde de school naar het eigen gebouw aan de Carel Vosmaerstraat in Voorburg. Ik herinner me de enige reünie die ik bezocht alleen door de begroeting van oud-wiskunde leraar Wouters: “Dag .... Bakker” en het hilarisch gevoel dat hij na al die jaren mij weer verwarde met mijn buurman-bankgenoot.

De banken bestaan niet meer: een plank in de rug, een plank om op te zitten, vier of vijf latten om de voeten op te plaatsen, een hellende lessenaar eindigend in een horizontaal vlak met plaats voor inktpot en groef voor schrijfgerei, achter de rug van de voorbuurman een rand hout die een centimeter boven de lessenaar uitsteekt (dat was de centimeter die Bakker, ik zei altijd Bakker, met z'n oersterke nagels splinter voor splinter afbrak daarbij mijn agressie bevredigend; onnavolgbaar schoof hij periodiek de krummels bij elkaar, plakte ze door lichte druk aan z'n wijsvinger en sloeg zijn hand schoon naast het tafelblad), juist boven de knieën de onderkant van het kastje onder de lessenaar, vóór de voetenlatten een rondhout waar een normaal mens zijn voeten op zette. Ook daar was ik te lang voor. Met mijn achillespezen erop steunden mijn voeten tegen de voetenlatten van de vent voor me, die af en toe z'n benen kromde, tegen mijn voeten stootte en dan zacht vloekte.

O ja, het was best een aardige school, het waren best aardige leraren, ik heb zeker nog warme gevoelens tegenover mensen en gebeurtenissen, maar diep van binnen vreten onlustgevoelens. Het beste jaar was het eerste in 1c. In het grind achter het herenhuis deden we tikkertje met tot kettingen verstrengelde leerlingen. Gedachten aan het park aan het Westeinde maken me droevig. “Wat vreselijk, dat ik niet van deze prachtige bomen, de vijvers, dat heerlijke uitzicht over de Vliet, genieten kan”, dacht ik, wandelend en wentelend in gevoelens van eenzaamheid. Met wie moest ik oplopen als Bakker er niet was? Wat te doen als Bakker het gezelschap zocht van enkele absoluut-niet-mijn-types. Merkwaardig, de beelden uit het geheugen: enkele flarden die gebeurtenissen oproepen welke niet meer dan seconden hebben geduurd maar die bladzijden vergen om beschreven te worden.

Het Huygens was een oecumenische school. Het samengaan van de katholieke en protestante kerken, zo begreep ik, zou nog voor mijn eindexamen plaatsvinden. Modern christendom. 's Maandagochtends na de pauze hielde een leraar een ethisch praatje. Een aardig idee. De scheidkundelerares deed dat vaak, net zo voorlezend als ze Meurs en Baudet, het scheikundeboek voorlas: woord voor woord. Ik heb het nooit kunnen volgen. Te weinig zitplaatsen. Altijd staan. Ik kon niet staan. M'n benen jeukten, m'n rug stak, ik werd duizelig en vroeg me iedere maandag weer tobbend af hoe anderen deze kwelling doorstonden.

Waar zouden ze allemaal zijn? Het meisje met het strakke donkere ponykapsel, dat ik zo vaak van ver aanstaarde, en zij mij, gefascineerd. Waar is Lucy? M'n hele schooltijd af en aan verliefd op geweest. Waar Johannes Friederich J, met wie ik monopoly en brigde speelde in de eerste (in de voorkamer aan de K.W. laan), aan wie ik ooit mijn liefdesverdriet schreef. Waar is Loutje, een jaar m'n buurman? Bijna alle andere jaren zat ik naast Bakker - “hoe lang nog?” vroeg ik iedere les en dan hief hij z'n linkerarm en zag ik: nog tien minuten, nog tien vreselijke minuten. Want dat was het ergste van Huygens: het onderwijs.

De tijd was natuurlijk niet goed. Dit was de periode waarin de grondslagen werden gelegd voor de zestiger jaren revolte. Wat weten jonge gasten zoals Stones-fans ervan! Niets! De nieuwe muziek, de protesten, de hippiebeweging, de studentenvakbonden, de veranderde normen, dat kwam niet zomaar. Dat kwam voort uit de onderdrukking daaraan voorafgaand. Een kind, een jongmens was niks in de vijftiger jaren. Sleutelwoorden: verlegen, beleefd, netjes, stiekem. Verlegen vooral, je zei niet wat je dacht. Je dacht de revolutie. Het vieren ervan kwam later, voor anderen.

Ik denk aan mevrouw S. In de tweede, het jaar van de onregelmatige werkwoorden, had ik de Roo de la Faille voor Frans, de andere jaren was dat mevrouw S. Ze was al oud, hield met moeite orde en zuchtte en steunde daarom regelmatig door haar uitlubberende mond. Slecht ter been zat ze het hele uur achter de lessenaar voor de klas, sprak en gaf opdrachten die volledig aan mij voorbijgingen. Hoe lang nog? Nog tien minuten. Ik spiekte vijven bij elkaar met het boek van het kastje op m'n schoot en terug. Ergernis, verveling, minachting. Nooit, nooit zou ik leraar worden. De school was een walgelijk instituut. Maar hier duiken problemen op. Bakker en ik zijn het niet eens. Hij is best tevreden. Natuurlijk veel docenten vertoonden wangedrag. Er waren ook hele goeie bij. Was het niet heerlijk kennis op te doen?

In gedachten ga ik het rijtje af van die ik me herinner en deel plussen en minnen uit. Een plus voor Koster, aardrijkskunde, en van Straalen, geschiedenis. Een min voor M. die we vol vreugde de klas uit pestten. Een min voor dat jonge ventje van Nederlands die als Lucy voldoende kirde, bij haar in de bank kroop. Wouters, matig maar ik smulde van de eerste wiskunde: axioma's - stellingen - gegeven, te bewijzen, bewijs - twee lijnen gesneden door een derde. Eigenlijk waren de meesten brave mensen zonder kwaad hart.

Toch voel ik nog steeds verontwaardiging over het jaren gedwongen zittend, hangend luisteren, voel nog de druk van het huiswerk dat nooit af was en roep zonder moeite het gevoel op van eenzaamheid dat werd veroorzaakt door de achteloze onverschilligheid van mijn leraren. Ja, dat vooral, het gevoel dat je niks was. Waarom sta ik nu voor de klas? Wat is dat voor inconsequentie? Doe ik het beter? Doen wij het beter?