In Liefde Bloeyende

Guido Gezelle (1830-1899)

HET SCHRIJVERKE

(Gyrinus Natans)

O krinklende winklende waterding

met 't zwarte kabotseken aan

wat zien ik toch geren uw kopke flink

al schrijven op 't waterke gaan!

Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel

al zie 'k u noch arrem noch been;

gij wendt en gij weet uwen weg zo wel

al zie 'k u geen oge, geen één.

Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?

Verklaar het en zeg het mij, toe!

Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn

dat nimmer van schrijven zijt moe?

Gij loopt over 't spegelend water klaar

en 't water niet méér en verroert

dan of het een gladdige windtje waar

dat stille over 't waterke voert.

o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan

met twintigen zijt gij en meer

en is er geen een die 't mij zeggen kan:

Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?

Gij schrijft, en 't en staat in het water niet

gij schrijft, en 't is uit en 't is weg;

geen Christen en weet er wat dat bediedt:

och, schrijverke, zeg het mij, zeg!

Zijn 't visselkes daar ge van schrijven moet?

Zijn 't kruidekes daar ge van schrijft?

Zijn 't keikes of bladtjes of blomkes zoet

of 't water, waarop dat ge drijft?

Zijn 't vogelkes, kwietlende klachtgepiep

of is 'et het blauwe gewelf

dat onder en boven u blinkt, zo diep

of is het u, schrijverken, zelf?

En 't krinklende winklende waterding

met 't zwarte kapoteken aan

het stelde en het rechtte zijne oorkes flink

en 't bleef daar een stondeke staan:

'Wij schrijven,' zo sprak het, 'al krinklen af

het gene onze Meester, weleer

ons makend en lerend, te schrijven gaf

één lesse, niet min nochte meer;

wij schrijven, en kunt gij die lesse toch

niet lezen, en zijt gij zo bot?

Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg

den heiligen Name van God!'

Dertien jaar moet ik geweest zijn, die gruwelijke leeftijd van te groot voor servet en te klein voor tafellaken, die eigenlijk-geen-leeftijd-leeftijd, of misschien wel veertien jaar, een leeftijd die al heel wat aantrekkelijker klinkt, toen ik als huiswerk van school dit destijds honderdjarige gedicht van Gezelle uit mijn hoofd moest leren.

Mij wees de meester aan, die keer, om het staande bij het schoolbord te declameren. Zie hem daar staan, op een doordeweekse morgen in het halfduistere klaslokaal, de dertien- of misschien wel veertienjarige jongen met zijn krullekop, smalschouderig in zijn te grote, want door moeder zelf gebreide trui, het O krinklende winklende waterding in één stoot uitademend tot en met den heiligen Name van God, zonder één vergissing of één hapering, want daar hield meester niet van.

En als het jongske zijn voordracht eens te luid liet aanzwellen wachtte hem een strenge frons, want zacht is winst was het devies van meester.

Natuurlijk probeerde de kleine donderstraal bij het uit zijn hoofd opzeggen van het gedicht tegelijkertijd zo schijnheilig mogelijk te kijken en (hij was waarschijnlijk toch dertien) zijn klasgenoten aan het lachen te maken, wat met een krinklend winklend ding met een kopke flink als inzet waarachtig niet moeilijk was. Niemand, noch de voorlezer noch de toehoorders, twijfelde er aan of het zwarte kabotseken over dat kopke - later herhaald als het zwarte kapoteken - het moest zonder enige twijfel een kapotje zijn, en om kapotjes dient als vanzelf te worden gegniffeld door allen die binnenkort veertien zijn.

Woorduitleg kwam er niet van meester. Je kreeg een gedicht op en dat moest je uit je hoofd leren, basta. Nu ik in het Gezelle-lexicon kan nalezen dat een kabotseke een schedelkapje is en een kapoteke een kapmanteltje, besef ik dat wij donderstralen er etymologisch met ons kapotje ('beschermend kapje') niet eens zo ver naast zaten. Als we tenminste hadden geweten wát nu precies een kapotje was.

Stak je van dat uit het hoofd leren en voordragen dan helemaal niets op? Toch wel, en iets belangrijkers, dunkt me, dan al die woordverklaringen en dat letterlijk-weten-wat-een-gedicht-betekent. Het onvatbaarder element van de muziek en de motoriek.

Wat dat betreft had meester met zijn krinklende winklende waterding natuurlijk een geschikt staaltje gekozen. 't Is een schoolvoorbeeld van rhetorica, met zijn vraag- en antwoordspel, met zijn herhalingen en crescendo's en climaxen, alles zo doorzichtig van structuur en zo knap gezwaluwstaart dat het weer gladjes en vloeiend lijkt. Het was of je op een natuurlijke wijze de les van meester, zacht is winst, begreep, of je aanvoelde dat je dat poëtische mechaniek niet nog eens gelijk de golfslag van de zee, brullend en afstervend, moest accentueren met je stem. Elke overdaad aan vocale illustratie zou schaden. Licht krinkelen en winkelen, als het schrijverke zelf, was meer dan voldoende.

Elke week kregen we van meester een ander gedicht op, een schooljaar lang. Ik ken ze nog allemaal uit mijn hoofd. Zonder alles te hebben begrepen heb je er veel van leren begrijpen, zoals je achteraf begrijpt.