Import-Brit moet van tennis Engelse volkssport maken

LONDEN, 29 JUNI. De eerste twee keer dat hij meedeed aan Wimbledon was tennisser Greg Rusedski een hard serverende, maar anoniem opererende Canadees. Hij verloor op achterafbaantjes in de eerste en tweede ronde. Gisteren kreeg hij voor het eerst in zijn carrière het centre-court toebedeeld. Als import-Brit, die zes weken geleden van nationaliteit veranderde, versloeg hij verrassend Guy Forget met 1-6, 7-6, 7-6 en 7-5. Tot groot genoegen van het enthousiaste publiek dat hem deze week zonder aarzeling heeft geadopteerd als 'The Great British Tennis Hope'.

Het Britse tennis snakt al decennia lang naar een Wimbledon-kampioen. Bij de vrouwen gaat de nostalgie terug tot 1977, het jaar dat Virginia Wade in de finale won van Betty Stöve. Bij de mannen was de dit jaar overleden Fred Perry de laatste, in 1936. “Wimbledon onthult onze genialiteit. We maken iets prachtigs van een nationale ramp”, schreef een Engelse journalist deze week. “Het toernooi is het mooiste, onze spelers zijn de slechtste van de wereld.”

Niet alleen winnaars ontbreken. Nog pijnlijker is dat er geen enkele Engelse tennisser te vinden is in de top-100 van de ranglijst. Of beter: was. De 21-jarige Rusedski, nummer 60 op de ranglijst, is geboren in Quebec. Hij is 1.90 meter lang, heeft brede schouders en de spierbundels van een houthakker in de Canadese wouden. Zijn vader is Pools/Oekraïens, maar zijn moeder komt uit Yorkshire. Vlak voor Wimbledon besloot de zesvoudig jeugdkampioen van Canada voortaan uit te komen voor het land van zijn moeder. Met zijn service van 221 kilometer per uur, de hardste van de wereld, beschikt hij op gras over een geducht wapen.

De Britse tennisbond houdt vol dat Rusedski niet extra betaald zal worden voor bijvoorbeeld zijn diensten in de Davis Cup - het team verloor onlangs met 5-0 van Slowakije en moet over twee weken tegen Monaco degradatie naar de allerlaagste poule voorkomen. Rusedski houdt vol dat hij zoveel van zijn Engelse, in Londen wonende vriendin houdt, dat hij toch al veel tijd doorbracht op het eiland. Op de achtergrond zal meespelen dat hij als beste Brit, na succes op Wimbledon, kan rekenen op leuke aanbiedingen van sponsors.

Hij speelt het spelletje tot nu toe handig mee. Alleen dankzij de steun van het publiek, zei hij gisteren, lukte het hem de ervaren Forget, vorig jaar kwartfinalist, te verslaan. Een lijnrechtster die door een bal was geraakt, aaide hij over haar hoofd. Na zijn overwinning gooide hij zijn racket, zijn shirt, drie polsbandjes en zijn hoofdband naar het publiek.

Rusedksi verdrong met zijn gedaanteverwisseling veteraan Jeremy Bates als de Engelse nummer één. En dat zal hij voorlopig nog wel even blijven. De derde Engelsman, Mark Petchey (nummer 112), is een talent, maar al 24 jaar oud. Tim Henman (nummer 219) is pas 20 en liet gisteren leuke dingen zien in zijn partij tegen Pete Sampras, die hij met 6-2, 6-3 en 7-6 verloor. Maar Sampras gaf na afloop dodelijk commentaar. “Hij is een goede, all-round speler die me aan Jeremy Bates deed denken. Hij kan veel, maar ontbeert een wapen.”

De 33-jarige Bates, de vaandeldrager van het Engelse tennis, won vorig jaar zijn eerste toernooi. “Bates is een goede speler”, vertelde Michiel Schapers ooit. “Maar hij is te stijf. Er zit te veel angst in de Engelse maatschappij. Ze durven op een tennisbaan nooit alles te geven.”

Het is wonderbaarlijk dat de laatste twintig jaar geen Britse tennisser meer tot de top-50 wist door te dringen. John Lloyd was de laatste. De winst van Wimbledon, tientallen miljoenen guldens per jaar, komt geheel ten goede aan de tennisbond en wordt volledig besteed aan de ontwikkeling van de sport in Engeland. Toch strandt ieder talent op een incidenteel succesje op Wimbledon.

David Lloyd, de broer van John en sinds kort captain van de het Britse Davis-Cupteam, weet waarom. Hij werkte van 1975 tot 1980 als coach in Nederland. “Daar hadden ze toen geen faciliteiten, maar die kwamen er in hoog tempo. In 1981 vertelde ik iedereen in Engeland dat we een voorbeeld aan Nederland moesten nemen. 'Nederland heeft geen spelers', was het antwoord. Toen niet, nu wel: vijf spelers in de top-100. Nederland reageerde voordat de tijden veranderden. In Groot-Brittannië lopen we helaas altijd tien jaar achter.”

In Nederland explodeerde de populariteit van tennis eind jaren zeventig. Er werden per jaar honderden nieuwe tennisbanen aangelegd. Tennis werd een volkssport, de KNLTB met 700.000 leden de op een na grootste sportbond. Professionalisme werd geaccepteerd. En er ontstond een vruchtbare rivaliteit tussen het opleidingssysteem van de tennisbond en die van privé-scholen.

In Engeland zijn de clubs klein - in totaal 55.000 leden - en ouderwets georganiseerd. Kinderen mogen na vier uur 's middags en in het weekeinde niet meer tennissen. Dan zijn de banen voorbehouden aan volwassenen. “In Engeland beseft bijna niemand dat tennis een professionele sport is”, klaagde Lloyd vlak voor Wimbledon. “Spelers kunnen multi-miljonair worden, tennis is werk. Maar in Engeland is tennis een sport voor de middenklasse. Die is niet hongerig genoeg. Ze doen mee om het meedoen. Onzin. Voor de toppers geldt alleen het winnen.”

Een Engelse journalist beschreef deze week hoe hij opgroeide met het idee dat tennis een vreemd ritueel was, bedacht door een in het wit geklede, aardbeien etende en in Wimbledon woonachtige volksstam. “Hoewel er de laatste jaren veel is veranderd, is tennis eigenlijk nog steeds een mysterie, ontoegankelijk en onbereikbaar voor een groot deel van de bevolking.” Cricket, rugby en voetbal horen op school tot het lespakket. Anyone for tennis?, is ook nog steeds een vraag naar iemands sociale status.