Het Melancholieke Genie

Volgende week is het driehonderd jaar geleden dat Christiaan Huygens stierf. Hij was de grootste en veelzijdigste geleerde die Nederland heeft voortgebracht. Hij droeg bij tot de mathematisering van de natuurwetenschap, verfijnde de microscoop, vond het slingeruurwerk uit, sleep met zijn broerlenzen en ontdekte de ringen van Saturnus. Christiaan Huygens wordt in het buitenland hoger aangeslagen dan hier. In Nederland heeft men meer waardering voor zijn vader Constatijn. Deze speciale Huygens-bijlage kwam tot stand in samenwerking met Museum Boerhaave te Leiden en met het Huygensmuseum te Voorburg.

Hij stierf 300 jaar geleden, de Onvergelijkelijke Huygens. Het was Gottfried Leibniz, zijn student en correspondent, die deze uitdrukking gebruikte toen hij het bericht van zijn dood doorgaf: de Onvergelijkelijke Huygens.

We herhalen het graag. Maar wat passend is voor een vriend in rouw, past het nageslacht nog niet. Om deze man, Christiaan Huygens, een plaats in de geschiedenis te geven, is het onze plicht hem te vergelijken.

Zo moeilijk is dat niet. Kort voor zijn dood heeft hij, in een stuk dat zijn afstand tot het Cartesianisme markeren moest, over Galileo Galileï geschreven. Toen hij jong was had hij zich de Discorsi eigen gemaakt, en nu maakte hij zich de man eigen. Hij beschreef dus zichzelf, alsof hij in een zorgvuldig gepolijste en verzilverde spiegel keek: “Galileï bezat alle scherpzinnigheid en wiskundige kennis die nodig is om in de natuurkunde vooruit te komen. Men moet toegeven dat hij fraaie vondsten heeft gedaan over de aard van de beweging, ook al heeft hij veel onderwerpen laten liggen. Hij was niet zo overmoedig of verwaand om alle natuurlijke oorzaken te willen verklaren, en ook niet zo ijdel om het hoofd van een sekte te willen zijn. Hij was bescheiden en waarheidslievend. Overigens dacht hij wel met zijn vondsten eeuwige roem te hebben verworven.”

Hoe passend deze - zijn eigen - vergelijking met Galileï ook is, ze is niet voldoende. Het nageslacht kan terugzien naar de wetenschapsrevolutie van de zeventiende eeuw en alle spelers daarin beoordelen. Deze lastige vraag kan het beste beantwoord worden met het verhaal van zijn grootste werk. 'Dit is grote stof, en niet door genieën van het verleden onderzocht: Magna nec ingenijs investigata priorum.' Christiaan Huygens schreef deze woorden boven zijn bewijs dat het gewicht van een isochrone slinger een cycloïde volgt, en dat dit pad de afwikkeling van een andere cycloïde is. Hij wist zelf een genie te zijn - daar is geen twijfel aan. Hij voltooide dit bewijs op 15 december 1659 en ontleende het motto aan de Metamorfosen van Ovidius, die hij gelezen had toen hij 12 was. Nu, 30 jaar oud, dacht hij zijn grootste ontdekking te hebben gedaan. Het was, zoals hij Frans van Schooten al een week daarvoor geschreven had, “zeker het gelukkigste ding waar ik tegenaan gelopen ben.”

En inderdaad, de stof was groot. Groot was niet zozeer zijn resultaat voor de vorm van de plaatjes langs een slinger, die de slingertijd onafhankelijk van de uitslag maakte, maar de manier waarop hij dat gevonden had. In feite was het met een infinitesimale berekening. Als Christiaan later moeite had met het aanvaarden van de formele calculus, kwam dat vanwege de regels, die hij duister vond, niet vanwege de oorsprong, die hij zeer goed begreep. Hij was een meester in het optellen van onbepaald kleine lijnstukken en het gebruik van infinitesimale driehoeken.

Het duurde nogal lang eer deze stof gepubliceerd werd, in Horologium oscillatorium. Dit boek over het slingeruurwerk was zijn eerbewijs aan de Koninklijke Academie in Parijs, of liever aan de Franse koning. Tegen die tijd, in 1673, was hij het erkende hoofd van de Europese wetenschap. Isaac Newton, die een exemplaar van het boek ontvangen had via de secretaris van het Koninklijk Genootschap in Londen, reageerde er meteen op. Hij schreef de secretaris dat het boek de auteur zeer waardig was, maar dat hij een eenvoudiger bewijs van de isochronie van de cycloïde had. “Als hij (Huygens) het wil, zal ik het hem toesturen.”

Het eenvoudiger bewijs maakte gebruik van de calculus die hij 8 jaar eerder uitgevonden had. Ze was een van zijn geheimen, en nu was hij bereid haar met de auteur van Horologium oscillatorium te delen! Kon hem een grotere eer worden gedaan?

Maar Christiaan wilde het niet. Hij vroeg niet om bewijs, waarschijnlijk omdat hij zich nog steeds beledigd voelde. Nog maar drie maanden daarvoor had Isaac hun correspondentie over licht en kleur geruïneerd door hem als een schooljongen toe te spreken die niet bij de les is. En die had er met beleefde, maar ijzige woorden een eind aan gemaakt: “Nu ik zie dat hij (Newton) met enig vuur bij zijn leer blijft, heb ik geen zin er verder over te praten.”

Dit is een drama. Wat zou er uit een samenwerking van deze mannen voort hebben kunnen komen? Ze lagen elkaar niet en toch zagen ze duidelijk elkanders kwaliteiten. We kunnen ook denken aan een andere opmerking in Isaacs brief over het boek, dat eindigde met stellingen over de middelpuntvliedende kracht. De auteur werd aangespoord meer over deze kracht te publiceren, omdat ze “zal blijken erg nuttig te zijn voor de natuurfilosofie en astronomie, evenals voor de mechanica.”

Sinds hij de eigenschappen van die kracht ook zelf gevonden had, in 1665, wist Isaac waar hij het over had. Horologium oscillatorium maakte publiek wat hij dacht alleen te weten. Van nu af aan kon iedere geleerde raden, zoals hij intussen had gedaan, dat de kracht die de planeten in hun baan om de zon hield, af moest nemen met het kwadraat van de afstand. En sterker, iedere geleerde kon nu de evenredigheid tussen kracht en versnelling, wat de kern van Christiaans stellingen was, generaliseren tot Newtons tweede wet - zoals die vandaag heet. Inderdaad, hij was gestuit op een erg nuttig gegeven voor de astronomie èn de mechanica.

Huygens was aangespoord er meer over te publiceren, maar koos er voor het niet te doen. Toch had hij een complete verhandeling over de kracht geschreven: De vi centrifuga. Ze is op 15 november 1659 gedateerd, wat precies één maand voor zijn bewijs van de isochronie van de cycloïde is. Hij was er niet tevreden over. Toen Burchard de Volder en Bernard Fullenius het stuk na zijn dood publiceerden, dachten ze zijn testament uit te voeren. Tegen die tijd hadden Newtons Principia mathematica hun indruk gemaakt, zodat we kunnen zeggen dat het 20 jaar te laat was. Maar in zekere zin was het ook 200 jaar te vroeg. Tegen die tijd begon Einstein alle gevolgen van de relativiteit van beweging te trekken.

De reden om De vi centrifuga niet te publiceren, moet geweest zijn dat het niet duidelijk maakte wat relatief was in een cirkelbeweging. Dit was een schaduw over zijn briljante behandeling van bewegende referentiekaders, zelfs als die versneld waren. Toen de tijd was aangebroken dat Horologium oscillatorium gedrukt moest worden, was hij er niet uit en meende hij dat de cirkelbeweging absoluut zou kunnen zijn. Later, een jaar voor zijn dood, kwam hij op het probleem terug, verwierp elk absoluut karakter van de beweging, inclusief Newtons idee van een absolute ruimte, en probeerde hij het met woorden op te lossen: “Rotatie is een relatieve beweging van delen die in verschillende richtingen gedwongen worden, maar bijeen worden gehouden door een veer of een koord. Maar kun je zeggen dat 2 lichamen op een relatieve manier bewegen als hun afstand dezelfde blijft? Ja, op de omtrek van een wiel is de beweging tegengesteld relatief.” Als we zeggen dat deze woorden het probleem niet oplossen, doen we geen jota af van zijn genie.

Hij was de eerste die relativiteit ernstig nam, en hij wilde er aan vasthouden, zelfs als dit betekende dat hij de verhandeling achterhield die zijn grootste bijdrage aan de wetenschap had kunnen zijn. Hoe passend is zijn motto voor De vi centrifuga! Hij ontleende het aan brieven van Horatius, die hij ook op zijn twaalfde had gelezen. “Vrij stapte ik de leegte in, als eerste: Libera per vacuum posui vestigia princeps.”

Tot zover over het genie. Nu over de man. We hebben zijn nauwgezetheid al gezien, een angstvalligheid die zowel de sleutel tot zijn geestkracht is als tot de zwakte van zijn ziel. Zijn we vrij om zijn angsten te bespreken? “Tristitia quodcumque agitat mens inficit aegri / nec tibi judiciis proprius tunc fidere fas est: Een droefheid speelt op en verziekt de geest / waarvan je het oordeel gewoonlijk toch vertrouwen kunt.” Zulke verzen schreef hij in zijn ouderdom op Hofwijck neer. Opeens stappen we een andere leegte in, en in zekere zin moeten we de eersten zijn. Het is gewoonte geworden om te zeggen dat Christiaans persoon moeilijk te benaderen is, alsof hij zo ondoordringbaar zou zijn als het standbeeld dat we niet hebben. Een eeuw geleden begon Johannes Bosscha, tweede redacteur van de OEuvres complètes en secretaris van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, de toespraak bij zijn 200ste sterfdag als volgt: “De laatste hulde, een vriend gebracht, is een der groote smarten van het leven. Als een beeld, welks eedlen ernst geen voorbijgaande hartstocht verstoort, zoo komt ons zijn wezen voor oogen met eene klaarheid, die de onrust van het leven niet altijd toeliet.”

Als een man zo de hemel in geprezen is, hoe kan hij dan opnieuw tot leven komen?

We leggen zijn brieven naast de teksten van vader Constantijn, de geduchte dichter-diplomaat, over Christiaan. In hun contrast komt de zoon bleek over. Dit kostbaarste kind is gereserveerd. Bij hem hoort niet de bontheid van het leven. Zijn grootste werk van 1659 is nog niet af, of hij viert de bruiloft van zijn zus Suzanna mee. De vader beschrijft het feest in geuren en kleuren: de overladen dis voor 42 gasten, het gezoen bij de wijn, de 600 kaarsen bij het bal met de muzikanten, het gedonderjaag bij het bruidsvertrek. De zoon schrijft kortweg spijt te hebben van de tijd die hij aan deze zotternij is kwijtgeraakt.

We kennen maar één 'zotte' brief. Hij schreef hem op zijn 26ste, toen hij met nog 3 anderen zijn tour door Frankrijk maakte - het land waar hij zijn roem zou beleven: “Ik vind dat je een vliegend paard zou moeten hebben (...) om bij ons te kunnen zijn, of het nu op een tocht is zoals toen wij op de rivier de Loire dreven, of bij een heldendaad zoals toen wij door het lot del fortunato dado beslisten wie alleen en wie met een ander moest slapen, evenzo wie uit 4 paarden moest kiezen waarvan het beste blind was...”

Dat was aan een kennis in Den Haag gericht, en de tocht over de Loire was geëindigd in Angers, waar hij van zijn vader een doctorsbul moest kopen. “Als we met de doctorsbul terug zijn”, schreef hij die vader, “zal ik mijn best doen de wereld te zien zoals u die begrijpt, en ik denk dat het mogelijk is dat te doen als u het goed vindt mij daar de tijd voor te geven.” Een byzantijnse zin. Van deze geduchte Constantijn heeft hij zich nooit los kunnen maken. Toen de man op hoge leeftijd was gestorven, liet Christiaan zich portretteren als een wees. Een wees van 58.

In zijn brieven sleep hij de tekst op maat alsof het om een lens ging. Waar de beheersing der wiskunde hem toegang tot de wereld gaf, zo gaf de beheersing der zinnen hem toegang tot zichzelf. Zoiets moet hij gedacht hebben. Het laatste dachten in elk geval de virtuosi der Renaissance, de voorbeelden van zijn vader. Zelfs als hij onmiskenbaar kwaad is, uit hij zich beheerst. We kennen nogal wat boze brieven, zoals over Eustachio Divini die zijn ring-hypothese van Saturnus aanviel, en over Robert Hooke die de prioriteit van zijn uitvinding van de balansveer voor een horloge bestreed. Maar in zijn brief over pater Catelan, die dacht dat er een fout in Horologium oscillatorium stond, gaat hij het verst: “Ik ben verbaasd over zijn aanval op mijn theorie van het slingermiddelpunt, waar niemand in de 9 jaar sinds ik haar gepubliceerd heb iets op te zeggen heeft gehad. Nu ik zijn zogenaamde weerlegging bekeken heb, verbaas ik me dat de auteur die niet binnen 7 maanden na de publikatie terug heeft getrokken. Want, om het in een paar woorden te zeggen: hij vindt dat de som van 2 lijnstukken niet gelijk kan zijn aan de som van 2 andere lijnstukken, als de verhouding van die stukken verschilt. Stel je de eersten 4 en 8 voet lang voor en de anderen 3 en 9 voet, en bekijk hoe je de ene en de andere som anders dan 12 kunt krijgen. (...) Ik zou graag willen dat dit wordt gepubliceerd, zodat degenen die mijn bewijs niet kennen, niet denken dat de opmerkingen van Catelan iets voorstellen. Mocht hij er nog op terugkomen, dan zul je me verplichten zijn antwoord aan een vakman voor te leggen voordat het wordt gepubliceerd. Dat komt zijn eer zelfs ten goede. En om je de waarheid te zeggen, ik vind het zeer onaangenaam door zo'n domkop te worden aangevallen.” Dit is een nette scheldpartij. Dus vragen we ons af of hij zich ook wel eens echt heeft laten gaan. Wat bedoelde hij trouwens met ziekte van de geest? Voor onbeheerstheid hebben we wel aanwijzingen. Behoorlijk grof was zijn aanpak van Isaac Thuret, toen die een octrooi probeerde te krijgen op de balansveer waaraan hij mede vorm had gegeven. En ronduit smerig was de streek die hij Nicolaas Hartsoeker leverde, toen hij diens microscoop voor de zijne door liet gaan. Het ging hier om bedienden - of wat hij als bedienden zag - en zijn gedrag was daarom misschien sociaal bepaald. Maar in zijn debat met Gilles de Roberval kwam hij evenmin wellevend uit de hoek.

Gilles was de enige in de Parijse Academie die, in figuurlijke zin, geen kop kleiner was dan Christiaan. Deze man had kritiek op zijn stoottheorie der zwaarte en had die helder en hoffelijk verwoord. Met name liet hij zien dat de verklaring van stoten in de richting van een centrum niet noodzakelijk juist was. Op dit argument alleen maar terugzeggen “dat de reden die ik geef waarom het deeltje naar het centrum wordt geduwd erg duidelijk is en dat men voor het tegendeel niets aan kan voeren” is gewoonweg bot. Deze oppositie, gevoegd bij Gilles' bezwaren bij zijn berekening van slingermiddelpunten, heeft hem in een crisis gestort.

We komen nu bij Christiaans melancholie, dat ongrijpbare in zijn persoon en tegelijk het eerste dat ons op moet vallen. Deze melancholia hypochondrica vera et mera, zoals ze bij zijn leven genoemd werd, kunnen we niet zonder meer als de spleen van Charles Baudelaire verstaan. De depressies, waarin hij vervallen kon, passen namelijk in een patroon. Die van 1670, misschien zijn diepste, volgde snel op het bovenstaand debat.

We hebben er een aangrijpend verslag van: “Zijn zwakte en bleekheid maakten volstrekt duidelijk hoezeer de ziekte zijn gezondheid had aangetast. En of dat al niet erg genoeg was, zag ik iets ergers, iets waartoe het oog niet door kon dringen en dat geen zintuig waar kon nemen. Het was een sterk verval van zijn geestkracht, een ongelooflijke behoefte aan slaap, waar hij evenmin raad mee wist als degenen die hem bijstonden. Omdat hij niet wist wat er gebeuren zou, dacht hij aan het ergste. Hij voorspelde dat zijn tijd gekomen was.”

Francis Vernon, de secretaris van het Engelse gezantschap in Parijs die dit noteerde, legde een verband met afgunst en willekeur in de Academie. Bijna een jaar viel Christiaan stil en voor zijn herstel moest hij terug naar Holland.

Ook van de Parijse depressies in 1675, 1679 (rond zijn vijftigste verjaardag) en 1681 kunnen we de aanleidingen raden. Hij voelde zich dan afgewezen, kwam zijn bed niet uit en liet zich door een bediende dragen als dat toch eens moest. De familie vermoedde schuldgevoelens: “Hij schijnt bang te zijn voor dominees.”

Maar de ziektes traden niet alleen in Frankrijk op, in Den Haag herhaalden ze zich in 1691 en 1693. Soms is het moeilijk om ze te onderscheiden van de verkoudheden met zware hoofdpijn, waaraan hij zijn hele leven leed. De eerste komen we al in de zomer van 1652 tegen, als het 23-jarige genie de botsingsregels ontdekt en aan Frans van Schooten schrijft: “Tot nu toe moet ik echter van studie afzien, tenzij mijn geestkracht het tegen de hoofdpijn opneemt.”

Een biograaf, die voor de taak staat om deze melancholie te interpreteren, kan moeilijk om Freuds visie heen dat het hier gaat om rouw - de rouw om het verlies van een deel van het Ik, het intellectuele deel - het enige dat voor hem tellen kon. Hij moest de knapste zijn. Of niet zijn.

Misschien kon hij daarom, toen zijn leven werkelijk ten einde liep, niets meer hopen. Zijn oudste broer schrijft over het verduisterde vertrek aan het Haagse Noordeinde waar hij sterven zou, de pijn, de glasscherven waarmee hij zich ging snijden, de weigering van voedsel omdat hij dacht vergiftigd te worden, het ijlen en razen: “De mensen zouden hem verscheuren als ze zijn mening over de religie hoorden.”

Dat er een dominee bij hem verscheen, kwam doordat hij ten slotte geen verweer meer had. Die “heeft hem lang genoeg toegesproken en voor hem gebeden, maar hij is niet van zijn mening af te brengen. Droefheid bij allen. 's Nachts raakt hij buiten kennis. Half 4 in de ochtend wordt de familie gewaarschuwd.”

Wanneer Christiaan Huygens op 8 juli 1695 in de leegte verdwijnt, zullen zijn bedroefde naasten nauwelijks beseft hebben dat hij tot aan het eind naar helderheid heeft gezocht.