Een snufje arabisch, een toefje aziatisch; De kracht van mode uit Verwegistan

Richard Martin en Harold Koda, Orientalism. Visions of the east in western dress, Harry N. Abrams, Inc., ƒ 62,50.

Het wordt verkocht als dè nieuwe modetrend: etnicisme. Maar oosterse invloeden in westerse kleding zijn zo oud als de weg naar China. De Oriënt blijft eeuwig jong en mysterieus, althans in Westerse ogen. In ieder geval blijft de Oriënt verkoopbaar, zeker in de mode. Waren de afgelopen jaren Indiase sari's, opstaande Mao-boordjes en tatoeage-motieven in zwang, deze zomer hangen er felgekleurde pareo's en ikat-bloesjes in de kledingrekken. Dat zal volgend jaar niet anders zijn, als je moet afgaan op de recente shows in Parijs en Milaan, waar Afro-Aziatische invloeden nog maar eens werden gepresenteerd als een nieuwe trend van deze tijd. Kleding die onder de noemer 'etnicisme' verkocht wordt, kan zich blijkbaar als een Phoenix vernieuwen.

In werkelijkheid is etnische mode zo oud als de weg naar Kralingen, of liever gezegd: zo oud als de zijderoute naar China. Vanaf het moment dat Marco Polo terugkeerde van het hof van Genghis Khan, sijpelden oosterse accenten in het westerse kleedgedrag door. Het onlangs verschenen boek Orientalism. Visions of the east in western dress van Richard Martin en Harold Koda biedt een kort en duidelijk historisch overzicht van die onverslijtbare modetrend. De auteurs, die verbonden zijn aan de kostuumafdeling van het Metropolitan Museum of Art in New York, besteden helaas geen aandacht aan recente ontwikkelingen, zoals de triomf van etnische kleding op de confectiemarkt of het multiculturele straatbeeld in de grote steden.

Evenmin maken zij veel woorden vuil aan een andere vorm van oriëntalisering van de Westerse mode. Tegenwoordig komt zelfs een derde van onze alledaagse kledij uit China, India, Zuid-Korea of andere 'Aziatische Tijgers', en daarmee zijn ook onze T-shirts en onderbroeken exotischer dan we zelf bevroeden.

De eerste tekenen van 'oriëntalisme' in de mode die nu nog bewaard zijn stammen uit de zeventiende eeuw. Toen kwam in Europa de import van Chinese zijde en Indiase katoen echt op gang. Aan het hof van Lodewijk XIV werden Rococo-kostuums à la Chinoise of à la Sultane voor modebewuste dames onmisbaar. Het ging hier om puur Westerse jurken waarin oosterse dessins waren verwerkt. Die motieven hoefden niet per se authentiek te zijn, maar waren meestal een samenraapsel van verschillende als exotisch beschouwde elementen. Zo ontstonden even zonderlinge als vrolijke dessins, waarbij tropische palmbomen gecombineerd werden met Chinese pagodes die verdacht veel leken op Mongoolse tenten.

Kasjmier shawls uit India waren destijds ook erg populair, maar zeer prijzig. Goedkopere versies werden daarom in Lyon en in het Schotse plaatsje Paisley gemaakt. En met succes. Want de Schotse kopieën waren in Europa en zelfs in Azië zo gewild dat het begrip 'Kashmier' langzamerhand werd verdrongen door 'Paisley'; zo blijkt oriëntalisme onverbrekelijk verknoopt met westers imperialisme. Tegenwoordig zijn de paisley-motieven zo ingeburgerd in sokken, pyjama's en stropdassen van moderne dandy's dat niemand zich meer hun oosterse afkomst realiseert.

Naast de zucht naar luxe en oosterse mystiek bevredigde het oriëntalisme ook de behoefte aan meer bewegingsvrijheid. In navolging van Lord Byron, die zich graag in kaftan en turban hulde, doste de Victoriaanse elite zich in boudoir en rookkamer gaarne uit in soepele kimono's en kamerjassen. Vergenoegd sprak de Britse staatsman Benjamin Disraeli dan ook over de 'propriety and enjoyment' van het leven als een pasha, die het een Engels gentleman mogelijk maakte in alle rust een (Turks) sigaretje te kunnen roken.

Stijl, symboliek en sensualiteit van de Japanse kimono inspireerden schilders zoals Klimt, Mucha en Toulouse-Lautrec. De laatste raakte zelf zeer aan het kledingstuk verknocht. Op een foto uit 1892 zie je hem in vol ornaat, compleet met waaier en hoedje. De kimono werd een 'mode-klassieker', en is dat in onze tijd nog steeds. Moderne Japanse ontwerpers als Issey Miyake, Yohji Yamamoto en Rei Kawakubo grijpen vaak terug naar de kledij van hun voorvaderen, waarbij ze vasthouden aan de asymmetrie en het draperen van lappen zonder in de stof te knippen, maar tegelijk hun creaties een eigentijds uiterlijk willen meegeven.

Wellicht dacht de Amerikaanse modejournaliste Suzy Menkes aan hun futuristische jurken toen ze onlangs in de New York Times opmerkte dat etnische mode alleen voldoet als ze deel is van de moderne tijd. “Een vleugje exotisme volstaat”, meent Menkes, anders verwordt oriëntalisme al snel tot een verkleedpartijtje, of nog erger, tot een rondzwervende toeristenbrochure.

Aan het bijna parasitaire principe van een snufje oosters in een westers produkt (of van een toefje 'Verweggistan', zoals couturier Valentino dat onomwonden uitdrukt) is in de mode altijd vastgehouden. Dat blijkt uit de 'Arabische' harembroeken van Paul Poiret aan het begin van deze eeuw, de pseudo-sarongs van de jaren dertig, de 'Indiase' invloeden van de hippie-look en de 'boeren'-motieven in de haute couture van Yves Saint Laurent.

In de jaren negentig putten ontwerpers als Christian Lacroix, Gianni Versace, Jean Paul Gaultier en Romeo Gigli nog steeds inspiratie uit oriëntaalse stijlen, die langzamerhand een postmoderne grabbelton zijn geworden. Zo combineerde Versace vorige zomer zonder aarzeling een traditionele Indiase sari met punk-elementen (veiligheidsspelden en felle tinten), en dat terwijl de essentie van de sari juist is dat dit kledingstuk geen spelden en knopen nodig heeft.