Een cursus 20ste eeuws bouwen; Toonzaal Aalsmeer

Een kerk is er weinig meer dan een schuur, maar er staan ook huizen als bewoonbare sculpturen. In Aalsmeer heeft de oorlog tussen het Nieuwe Bouwen en het traditionalisme zijn sporen nagelaten. Het dorp is een openluchtmuseum van de architectuur uit het interbellum.

Aalsmeer, dat is tegenwoordig klein Hollywood. Hier is het hoofdkwartier gevestigd van Joop van den Ende, de man die samen met John de Mol heel Europa van steeds meer beelden en amusement voorziet. Voor wie dit is ontgaan, heeft tv-presentator Henny Huisman als dankbetuiging aan zijn werkgever een ouderwetse blauw-witte ANWB-richtingaanwijzer laten neerzetten voor de tv-studio Aalsmeer. 'John de Mol Produkties Hilversum 49,2' en 'Endemol Entertainment Köln 279,5', staat erop. En Endemol Entertainment Lisboa ligt volgens de wijzer op 2302,3 km afstand van Aalsmeer en JE Theatre Productions New York zelfs op 6312,8 km. Het is duidelijk: misschien is Aalsmeer niet het centrum van de wereld, maar het is wel het Rome van het Endemol-imperium.

Natuurlijk is Aalsmeer ook nog steeds het centrum van de bloemenwereld. Als het huidige Aalsmeer dan ook in één gebouw is samengevat, is het in de voormalige centrale bloemenveiling waar Van den Endes studio's nu zijn ondergebracht. Het gebouw draagt nog duidelijk de sporen van de vorige bestemming. Weliswaar is er een afzichtelijke doos tegen het oude complex aangebouwd, maar bij de ingang staat nog steeds in dikke natuurstenen letters gebeiteld: Centrale Aalsmeerder Veiling. Ook de drie grote, vrijwel raamloze puntgevels zijn intact gebleven en bepalen, samen met het torentje dat nu in de steigers staat, nog steeds het gezicht van het gebouw.

De tv-studio Aalsmeer is ook in een ander opzicht symbolisch voor Aalsmeer. Het gebouw is namelijk ontworpen door de architect J.F. Staal (1879-1940), ontwerper van onder meer de Wolkenkrabber en het vroegere Telegraafgebouw in Amsterdam. Staal behoort tot het groepje bekendheden dat tussen de twee wereldoorlogen in Aalsmeer heeft gebouwd. Maar wat Aalsmeer werkelijk uniek maakt, is dat in geen ander dorp in Nederland de architectuurgeschiedenis uit het interbellum zo goed is te volgen. De oorlog tussen de stijlen - de strijd tussen het Nieuwe Bouwen en het traditionalisme - heeft hier zijn sporen nagelaten: Aalsmeer is een openluchtmuseum van de tussenoorlogse architectuur.

Staal was een ondogmatisch architect die verschillende keren van stijl wisselde. Zijn Aalsmeerder bloemenveiling uit 1928 behoort met zijn bakstenen façades en schotjesramen onmiskenbaar tot de Amsterdamse School. Staal was niet de eerste Amsterdamse School-architect die in Aalsmeer bouwde. Hij was voorgegaan door Michel de Klerk (1884-1923), die samen met P.L. Kramer de nu beroemde woonblokken in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt buurt ontwierp. Voor de tuinder Barendsen bouwde De Klerk in het jaar van zijn dood een woonhuis aan de Oosteinderweg. Het is niet erg groot, maar heeft wel alles wat de Klerk tot een van de uitbundigste Nederlandse architecten van deze eeuw maakte. Het extreem hoge rode pannendak stuit aan de onderkant op een horizontaal raam over de hele breedte van de gevel. En uit het steile dak stulpt nog een even steil bouwvolume van groen hout, die dit huis maakt tot wat het is: een bewoonbare sculptuur die door de jaren heen vrijwel intact is gebleven.

Via Barendsen had De Klerk twee jaar eerder al de opdracht gekregen om het veilinggebouw 'Bloemenlust' aan de Oosteinderweg te bouwen. Het mist werkelijk alles wat de Klerks woning aan dezelfde weg in overvloed heeft. Het is lomp, zwaar en saai. “De ongeneeselijke blaar waarop de soberheidsaanstichters van heden hebben te zitten”, zo omschreef J.F. Staal het gebouw in het Weekblad Architectura. “Deze ten Aalsmeerschen hemel bulkende baksteenen os zonder hoornen en zelfs zonder staart, deze zakkerige onverschilligheid en zoutelooze onbekwaamheid, deze hangbuik, deze waschzak, deze stopverven ruïne, deze verzoeking tot brandstichten, tot ramen ingooien, tot vuilnis neerwerpen en andere ongeoorloofdheden, is van den, onweerspreekbaar, grootsten bouwer, dien de tegenwoordige architectuurperiode gebaard heeft.”

Hoe een goede veiling wel moest zijn, liet Staal later zelf zien. Ook mocht hij nog een kerk bouwen, de Doopsgezinde Kerk met kosterwoning in de Zijdstraat uit 1927. Wonderlijk genoeg ziet die er bijna net zo uit als de veiling. Niet alleen is dit gebouw in dezelfde stijl opgetrokken maar ook net als de veiling geïnspireerd op de traditionele grote 'schuurvorm' met hooggeplaatste ramen. Als Mammon door Aalsmeerders wordt gediend in een schuur, dan ook God, moet Staal hebben gedacht.

Wie Staal bedoelde met de 'soberheidsaanstichters' toen hij zich zo opwond over De Klerks veiling, is niet moeilijk te raden: dat waren de Nieuwe Bouwers, de architecten die vonden dat de bouwkunst moest worden ontdaan van alle overbodigheden. Toen Staal in Aalsmeer bouwde, was daar al wat van te zien. Sinds 1925 lag aan de Stommeerkade een gebouw dat op het eerste gezicht leek op een schuur. Het houten bouwsel met een bakstenen, schuin afgesneden cilinder was in werkelijkheid het woonhuis dat het Christian-Science-lid Suermondt voor zichzelf had laten bouwen. Maar hoe bescheiden het bouwwerk ook is, het is een sleutelwerk in het oeuvre van Jan Duiker (1890-1935), de architect van de alom bezongen Open Luchtschool in Amsterdam en het al evenzeer geprezen sanatorium Zonnestraal bij Hilversum.

Voor hij dit Aalsmeerse landhuis ontwierp, bouwde Duiker ongeveer als Frank Lloyd Wright in de Verenigde Staten, dat wil zeggen: bakstenen huizen met sterk horizontale accenten en brede dakoverstekken. Het Aalsmeerse huis is een rigoureuze breuk met deze zware architectuur: het is Duikers eerste onversneden 'functionalistische' werk. De constructie van het huisje was minimaal - een vaardigheid waar Duiker beroemd om zou worden - en bestond uit nauwelijks meer dan een houten skelet, betimmerd met planken. Het was zelfs al te minimaal want al gauw vertoonde het huis gebreken die flinke aanpassingen nodig maakten. En dus werd het asfalten dak vervangen door dakpannen en de buitenmuren werden met wit pleisterwerk bedekt, zodat de schuur een witte villa werd. Het is aan de huidige bewoners te danken dat dit sleutelwerk in Duikers oeuvre (en dus in de Nederlandse architectuur) aan het einde van de jaren tachtig in de oorspronkelijke grijze staat werd hersteld.

Dit laatste gebeurt in Nederland niet al te vaak met belangrijke werken van het Nieuwe Bouwen, zoals bijvoorbeeld Duikers 'Zonnestraal' en zijn Cineac-bioscoop in Amsterdam laten zien. En ook in Aalsmeer is het een uitzondering. Het eveneens uit hout opgetrokken clubhuis van de watersportvereniging 'de Nieuwe Meer' uit 1926 van Betondorp-architect Dick Greiner, verkeert nog in redelijke staat, maar een ander mooi voorbeeld van het Nieuwe Bouwen, de voormalige Aalsmeerse ULO in de Schoolstraat, is nog slechts een schim van wat het ooit is geweest. Het glazen trappenhuis is al lang verdwenen, evenals veel van de borstweringen die de school ooit op een schip deden lijken. Wat resteert is beschilderd in lelijke blauw-groene en rode kleuren en zeker nu er weer druk wordt gehakt en gebroken - in 1980 gebeurde dit al eerder - maakt de school een desolate indruk.

De vroegere ULO uit 1932 is een ontwerp van Jan Gerko Wiebenga, de ingenieur wiens MTS in Groningen uit 1922 wel wordt beschouwd als het eerste functionalistische bouwwerk in Nederland. In 1928 werd Wiebenga benoemd tot directeur van Gemeentewerken van Aalsmeer. Hij was toen zeer optimistisch over de mogelijkheden van het Nieuwe Bouwen in het dorp. De Aalsmeerder was, zo schreef hij, “niet langer de traditioneele boer op klompen, maar de koene internationale zakenman die geen enkel middel van moderne techniek en kunst versmaadt als het gaat om zijn bedrijf - zijn huis en hof.”

Toch hield Wiebenga het maar drie jaar uit als directeur van Gemeentewerken en veel heeft hij niet gebouwd: nog een school, die na een restauratie in 1989 tegenwoordig wordt gebruikt door onder anderen een huisarts, kapper en een architect, en een woonhuis voor de familie Wentzel. Zoveel moderne Aalsmeerders waren er blijkbaar niet, maar meneer Wentzel maakte veel goed. Hij was zo gesteld op efficiency, dat hij de brievenbus van zijn wit gepleisterde woonhuis met plat dak niet in of naast de deur liet maken maar in het raam. Daarachter stond zijn bureau, zodat de brieven daar meteen op terecht kwamen. Nog steeds zit de brievenbus op dezelfde plek.

Toen Wiebenga in 1930 vertrok, rouwde Aalsmeer niet echt. Het was goed dat hij directeur Gemeentewerken in Zwolle werd, schreef de Aalsmeerder Courant, “omdat, nu de achterstand nagenoeg is ingehaald, de visie van dezen vooruitstrevenden ingenieur te ver gaat voor onze kleine gemeente.” Liever dan door een Nieuwe Bouwer als Wiebenga lieten de Aalsmeerders hun huizen en schuren bouwen door Johannes Berghoef (1903-1994), die zelf uit Aalsmeer kwam. Berghoef was als traditionalist en bentgenoot van de voorman van de behoudende Delftse School, Granpré Molière, een tegenstander van het Nieuwe Bouwen. Niet schokken met nieuwe, revolutionaire bouwkunst wilde hij, maar juist aansluiten op de eeuwenoude Nederlandse bouwkunst.

Berghoef heeft half Aalsmeer gebouwd: 90 nummers lang is zijn lijst met Aalsmeerse werken, variërend van hele blokken rijtjeshuizen en dijkwoningen tot kerken en postkantoren. Voor een groot deel zijn het onopvallende, anonieme gebouwen, waar men zo langs zou rijden als men niet wist dat ze van Berghoef waren. Dit is ook precies wat Berghoef wilde: zijn gebouwen moesten ingetogen, bescheiden en één met de omgeving zijn. Berghoefs architectuur is er een van subtiliteiten en kleine, al dan niet beproefde vondsten. Bij verschillende van zijn woningen die onderaan de dijk staan heeft Berghoef de voordeur bijvoorbeeld niet op de begane grond geplaatst, maar op de eerste verdieping die via een luchtbrug vanaf de dijk bereikbaar is. Alleen bij huizen voor rijke opdrachtgevers als doktoren en bij kerken liet Berghoef de soberheid achter zich, al werd hij nooit zo uitbundig als De Klerk. Zo is de Nederlands Hervormde Kerk aan de Hortensialaan een soort stolpboerderij met een bescheiden klokketorentje en twee terughoudend versierde ingangen.

Niet alleen in het aantal gebouwen, maar ook in staat van onderhoud overtreffen de traditionalistische gebouwen die van het Nieuwe Bouwen in Aalsmeer: vergeleken met dat van Wiebenga ziet het oeuvre van Berghoef er stralend uit. Blijkbaar behoeven Berghoefs gebouwen weinig onderhoud, en samen met hun soberheid roepen ze de vraag op wie nu eigenlijk de ware functionalisten waren: de Nieuwe Bouwers, architecten van ruïnes, of de traditionalisten, bouwers van solide huizen?

Voor de Aalsmeerders was dit geen moeilijke vraag en zij lieten Berghoef in 1962 dan ook hun nieuwe stadhuis bouwen. Het werd, zoals van Berghoef te verwachten was, een groot bakstenen gebouw met puntdak en een robuuste, gedrongen toren, die uit het verte oogt als een burcht. Ook nu nog is de boodschap van het kasteel duidelijk: in Aalsmeer hebben de traditionalisten de oorlog tussen de stijlen gewonnen.