De lijdensweg van een standbeeld

Het drama met het standbeeld voor Christiaan Huygens beleefde zijn eerste akte op de Algemene Vergadering in 1905 van de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen. In de pauze deelde voorzitter Van Tienhoven mee dat het kort tevoren overleden lid L. Bleekroode, leraar natuurkunde aan de H.B.S. met driejarige cursus te 's Gravenhage, bij testementaire beschikking een legaat van ƒ 40.000,- aan de Maatschappij had vermaakt. Het was daarbij de uitdrukkelijke wens van de overledene dat met dit geld in Den Haag een standbeeld voor Christiaan Huygens zou worden opgericht. Het had Bleekroode gestoord dat zelfs beschaafde lieden van Christiaan niet veel meer wisten dan dat hij het slingeruurwerk had uitgevonden, ongeveer zoals Willem Biervliet het haringkaken en Jan van der Heyden de brandspuit.

De gift werd aanvaard en er werd een commissie ingesteld waarin de wiskundige Korteweg, de astronoom Van de Sande Bakhuysen en het Haagse gemeenteraadslid jonkheer Repelaer van Driel zitting namen. Ook het pasgekozen lid Cuypers, bouwmeester van het Rijksmuseum, deed mee en het was hij die de opdracht kreeg een ontwerp te maken. Het werd een vierhoekig gedenkteken van twintig meter hoog, met Huygens in één nis en taferelen uit zijn leven in drie andere. Op de hoekpunten had Cuypers beelden van Archimedes, Euclides, Alhazen en Hipparchus gedacht. Daarboven een zuil, omkranst door een dierenriem en daar weer boven vrouwenfiguren met een armillarium op de opengeslagen vleugels. Een maquette van het geheel werd op de Lange Voorhout geplaatst, bij Hotel des Indes, en B&W en de directeur Openbare Werken van de hofstad spraken er hun bewondering over uit.

Zoniet de burgerij. Met een standbeeld kon men leven maar deze neo-gotische 'kunstdrijverij' ging te ver. Wellicht riep de constructie herinneringen op aan het ontwerp dat Cuypers in 1864 voor het monument 1813-1864 had gemaakt en dat op grote kritiek was gestuit. Het schildersgenootschap 'Pulchri Studio' kraakte de esthetiek van het ontwerp en vroeg zich af waarom het zo hoog moest. 'Waarom is een kerktoren hoog?' riposteerde Maatschappij-secretaris Bosscha in een memorie vanuit Haarlem, en: 'Voert de natuurwetenschap niet opwaarts?' Huygens zou volgens de drijvende kracht achter de Oevres Complètes een 'universeel figuur' zijn geweest die zich met geen mogelijkheid in een enkelvoudig standbeeld liet weergeven - vandaar de vele architecturale extra's in het monument.

Het hielp niet. De toon van de Haagse critici werd al maar grimmiger en een lokale krant sprak van een 'Waldkapelle zooals men die in Katholieke streken aantreft'. Na vruchteloos heen en weer gepraat tussen de Directeuren van de Maatschappij (die met acht tegen zeven stemmen Cuypers trouw bleven) en een Haagse raadscommissie besloot de Haagse gemeenteraad op 24 augustus 1908 in ruime meerderheid het aangeboden Huygens-gedenkteken te weigeren.

Tot troost van de hevig teleurgestelde Bosscha werd bij zijn afscheid als secretaris van de Maatschappij, kort daarop, besloten een zandstenen model van Cuypers' creatie, schaal 1 op 3, in het binnentuintje van het vergadergebouw aan het Spaarne te plaatsen. Daar staat het nog altijd, weggestopt, verweerd en volstrekt vergeten.