De intimiteit van de stedelijke binnenlanden

Jaar in jaar uit richten de ogen van duizenden toeristen zich op de façades van de Amsterdamse grachtenpanden. Schoonheden van oude achtergevels, tuinhuizen en theepaviljoens blijven verborgen. Spijtig: geen twee achtertuinen zijn hetzelfde en ze zijn voor zowel buurtgenoten als buitenlanders zo onbekend als het oerwoud.

Toeristen op de Amsterdamse rondvaartboten, met de blik omhooggericht door de glazen daken, kunnen de stad alleen leren kennen aan de allure van de voorbijgangers op de kaden en de bruggen. U en ik die daar fietsen, iets sneller dan zo'n boot vaart, wij vertegenwoordigen voor hen ons volk. In het voorbijgaan zullen zij zich wel eens afvragen wat ons bezielt, zoals wij dat omgekeerd doen in Parijs en Londen. Inwoners van vreemde landen zien er in eigen omgeving gezaghebbend uit. Wij kennen de weg en de taal; misschien is ons inzicht in mens en maatschappij dan ook minder ondiep dan dat van toeristen? De passagiers van de rondvaartboten zullen het niet weten, want wij fietsen verder, over de brug, buiten hun bereik.

Boven onze hoofden zien de toeristen geen levende stad maar monumentaal decor. De grachtenpanden staan er voor het mooi en camoufleren hun aangepaste inhoud. Zij worden niet bewoond zoals zij bedoeld waren, en de meeste Nederlanders hebben te weinig plezier in de geschiedenis om het verleden ervan in de verbeelding op te roepen.

Het zal de toeristen zelden hinderen. Zij zijn geen ontdekkingsreizigers. Zij zijn op de vlucht voor hun eigen alledaagsheid, op zoek juist naar musea en monumenten, en lekker weer en lekker eten. Toch denkt de fietser langs de kade soms, ik zou jullie iets anders willen laten zien. Jaar in jaar uit richten die rijen ogen zich zijwaarts omhoog en worden dezelfde foto's gemaakt, verlucht alleen met het Rijksmuseum, gezien van de brug tegenover. Er moeten manieren te bedenken zijn om degenen die er belangstelling voor tonen achter de schermen van het Amsterdamse decor te laten kijken.

Het probleem stellen is het oplossen. Neem een select gezelschap mee door de huizen heen, en laat hun de achterkanten zien in plaats van de façades. Daar is niemand op hun bezoek verdacht. Soms zijn er binnen de blokken oude schoonheden verborgen waar nooit schijnwerpers op gericht worden, achtergevels en tuinhuizen en theepaviljoens. Vaak zijn de tuinen teruggedrongen op enkele vierkante meters door rechthoekige bijkeukens en kantoorlokalen, door opslagruimtes of parkeerterreinen. Op sommige plaatsen staan kastanjes en beuken die twee reuzen samen nog niet zouden kunnen omarmen te ruisen tot boven de daken uit. Er zijn tuinen die ontwerpers aangelegd hebben in klassieke heesterpatronen gescheiden door grintpaden; er zijn andere waar geen tijd aan besteed is, zodat de begroeiing van struiken en onkruid alles tot aan de verveloze veranda toe overwoekerd heeft, behalve een donker vijvertje met een Erosbeeld ernaast schuin op een voetstuk.

Bij de aanblik van die stedelijke binnenlanden spreekt niemand van een Venetië van het noorden. Een toerist die er geblinddoekt heengevoerd werd zou pas na lange aarzeling durven besluiten of het Amsterdam was of Den Haag of Arnhem, of Boedapest of Manchester. De binnenlanden zijn dan ook niet alleen typerend voor de gevierde grachtengordel. Overal waar huizenblokken een erf omsluiten ontstaan van die ongecoördineerde leefgebieden, met schuttingen en hagen, terrassen en trapjes, bloementuinen en bedreigde bomen, klinkerpaden en schommels en broeierige schuurtjes voor de schop, de tuinhandschoenen en de bloempotten. Een stedeling kan jaren in een buurt wonen voordat hem een gelegenheid geboden wordt om aan de overkant van de straat door een achterraam zo'n binnenland te ontdekken waarvan de contouren al die tijd onbekend waren gebleven.

Als het even goed Boedapest of Manchester zou kunnen zijn als Amsterdam, waarom doet een buitenlander dan de moeite naar Nederland te komen? Dat is inderdaad een mysterie. De reislust van de twintigste-eeuwer wordt niet gemotiveerd door een behoefte om te ontdekken of te begrijpen, alleen door een kieteling waar de Franse taal al meer dan honderd jaar een woord voor heeft: la bougeotte, de onverzadiglijke behoefte aan zelfverplaatsing. De nieuwste vorm van winkelzegel, de air miles, is precies wat wij zoeken. Goederen hebben wij al veel te veel, zodat wij geen kast kunnen openen of zij rollen over onze tenen, en er is nooit ergens iets terug te vinden. De enige verrijking waar ruimte voor overblijft zijn reisvergoedingen waarmee wij ons over de aarde heen en weer kunnen haasten naar elkaars vliegvelden en monumenten.

Er hoeft geen bezorgdheid over te bestaan: de toeristen blijven komen, vliegtuigen en autobussen vol. Wat zouden de mensen anders met hun vrije tijd moeten beginnen? Reizen is het enige wat er opzit, en foto's en videofilms mee terugnemen als bewijsstukken. Iets te vertellen is er meestal niet, behalve wat iedereen zelf in de reisgids op kan zoeken.

Totdat iemand op het idee komt om de binnenlanden te bekijken. Al onderscheiden die zich niet groepsgewijs, zij onderscheiden zich individueel. Geen twee achtertuinen zijn hetzelfde; zij staan nergens in de reisgidsen en zij zijn voor de meeste buurtgenoten net als voor buitenlanders zo onbekend als het oerwoud. De ogen van de toerist kunnen hun eigen voorkeuren volgen, en ontdekken geleidelijk het historische en het slordige en het lelijke van het tafereel. Zo ziet Nederland eruit als het zich onbespied waant. Prachtig is anders, maar wie een paar minuten rondkijkt, vergeet de vleierij van hotels en reclame en dagtochten. Hier waren de geesten van verlopen jaren rond; behalve als het mooi weer is, dan gaan ramen en deuren open en klinkt het naar keukens, kinderen en onhebbelijke radio's. Geen foto kan het vastleggen, maar dit is de intimiteit van de stad.